Wolkers wilde ik simpelweg terugpakken voor wat hij me had aangedaan met De achtste plaag, een kort verhaal waarin een kip wordt verkracht. Op mijn middelbare school zong het rond dat we voor Nederlandse les een verhaal mochten lezen waarin een kip werd doodgeneukt. Daar moesten we toen allemaal erg om lachen. Ik ben opgegroeid in de tijd van Jackass, waarin mensen elkaar martelden als vermaak. Als Wolkers zoiets gruwelijks kon verzinnen, dan moest hij het ook zelf uitvoeren, vond ik. Hij mocht geen personage gebruiken om zich achter te verschuilen.
Gerard Reve, W.F. Hermans en Jan Wolkers komen allemaal op een bepaalde manier voor in het boek. Alleen Harry Mulisch ontbreekt. Ik weet niet zeker of ik dat bewust heb gedaan of dat het toevalligerwijze zo is gelopen. Maar het is wel frappant dat ik, die in een huis opgroeide waar Mulisch’ gehele oeuvre, inclusief zijn toneelstukken, aanwezig was, hem niet één keer noem. Mijn moeder kende zijn werk van voren tot achteren, ze had meerdere boeken over zijn romans geschreven. We vierden soms zelfs kerst bij hem thuis, aan de grote eikenhouten tafel met andere gewichtige mannen die het hele diner lang niet van hun stoel kwamen. Ook ik las zijn werk, en raakte in het geheim verslingerd aan de korte verhalen in Het mirakel. Puberen deed ik amper, dat hield ik voor mezelf, maar het ontbreken van Mulisch in Binnen spelen is misschien mijn enige rebelse daad richting mijn moeder.
Uit de blender die mijn referentiekader vormde kwamen ook de gebroeders Grimm en Hans Christian Andersen. Als kind luisterde ik iedere avond naar sprookjes terwijl ik langzaam in slaap viel. Mijn dromen werden overgenomen door vlechten die oneindig lang groeiden, door heksen met huizen van koek en door erwten onder talloze matrassen. Ik was verslaafd aan luisteren, ik had twee grote plastic mappen vol bandjes. Ik viel ermee in slaap, maar werd meteen wakker wanneer ze afsloegen. De playknop schoot omhoog en de trage stem vulde mijn slaapkamer niet langer. Dan kroop ik onder mijn deken vandaan en zette de cassetterecorder weer aan.
Ik hield van verhalen, maar lezen ging als kind lastig. Op de basisschool zat ik in de laagste leesgroepjes, ik vreesde dat ik dom was. Pas op mijn twaalfde, in de eerste klas van de middelbare school, werd er dyslexie bij me vastgesteld. Toen werd alles logischer. Ineens begreep ik waarom het voor mij onmogelijk leek om het Griekse alfabet uit mijn hoofd te leren. Iets wat me na talloze ochtenden eerder opstaan voor school om te stampen nog altijd niet lukte, ook al hing de wc vol met letters voor het geval dat ik ze visueel zou opslaan.
Woorden dansen nog steeds wel eens op de pagina. Een roman lezen doe ik nog altijd veel trager dan mijn leeftijdsgenoten. Ook al ben ik inmiddels 41 jaar oud. Als iets me niet zint dan kan ik het onmogelijk uit lezen. Het is alsof mijn lichaam fysiek protesteert. Ik kan mijn ogen niet verder de pagina over duwen. Dan start het bal van de letters en zweven ze vrolijk over de hele bladzijde zodat ik er geen touw meer aan kan vastknopen.
Toch kost het lezen ook moeite bij romans die me wel begeesteren. En die moeite doe ik graag, omdat er geen andere kunstvorm bestaat die me vrijer en menselijker doet voelen dan literatuur. Ik ben al sinds mijn jeugd gewend dat ik mijn best moet doen voor een verhaal. Dat krijg je niet zomaar. Behalve de verhalen van Grimm en Andersen. Die zijn gekerfd in mijn hersens. Door ze zo vaak te luisteren, juist tussen waken en slaap in, is die vertelstructuur deel van me geworden. Met deze fucked up sprookjes als uitkomst.
Natuurlijk zijn er dingen in dit boek die ik nu anders had gedaan. Ik gebruik het woord ‘wijverig’ wel erg vaak. Karin Bloemen had ik met iets meer liefde voor haar vak willen omschrijven en met iets minder nadruk op haar fysiek. Inmiddels heeft Hans Teeuwen een aparte afslag genomen, maar op mijn middelbare school was hij een god die we aanbaden. Als hij Beatrix op het podium mocht bezoedelen, dan mocht ik dat ook. En dan vond ik dat hij daarna zelf ook aan de beurt was.
In het verhaal Johannes laat ik mijn vader uit de dood herrijzen. Ik kan me niet meer herinneren waarom ik ervoor koos om hem op te voeren als Herodes, een figuur uit de Bijbel die opdracht geeft tot het onthoofden van Johannes de Doper. Ik geloof dat ik hield van Salomé, die het hoofd in ontvangst nam. Sowieso herinner ik me het schilderij van Gustave Moreau waarin ze wijst naar het afgehakte hoofd van Johannes dat boven haar zweeft. Zij was de femme fatale die ik wilde zijn. Meedogenloos voor iedereen die haar afwees. Over mijn vader, die dood is sinds mijn negende, rep ik verder niet in Binnen spelen. Ik laat hem uitsluitend een hoofd afhakken van de jongen die me verwerpt. Mijn dode vader als held in een wereld die niet bestaat.