Binnen spelen: het debuut waar Alma Mathijsen zich voor schaamde

Twintig jaar na dato verscheen eergisteren de nieuwe editie van Alma Mathijsens baldadige debuut Binnen spelen - een verhalenbundel vol erotische verhalen over bekende figuren als koningin Beatrix, Jan Wolkers, de walvis uit Free Willy, Bert uit Sesamstraat en zelfs Vincent van Gogh. Jarenlang schaamde Alma zich voor de verhalen in deze bundel, maar inmiddels kijkt ze er heel anders naar. Hoe dat zit legt ze uit in een nieuw nawoord, dat wij vandaag met veel genoegen met jullie mogen delen.

Thema

Actuele Fictie

Tags

Leesfragment

ILFU Members kunnen het festival terugkijken op onze streamingdienst ILFU+

bekijk de video's

Nawoord

Lange tijd schaamde ik me voor dit boek. Ik moffelde het weg als me ernaar werd gevraagd. Als het echt niet anders kon herschikte ik het uitgangspunt: dertien verhalen over publieke figuren die ik bewonder. Het seksgedeelte liet ik achterwege, dat vond ik grotesk en oppervlakkig. Ik wilde grootse verhalen vertellen die iedereen zouden verpletteren. Daar pasten seksverhalen van een halve tiener niet tussen. Het zal misschien niet verbazen dat ik in die tijd amper wist hoe je moest vrijen. De mensen die het hardst schreeuwen over wat voor vreemde vormen van seks ze hebben gehad, hebben dat het minst aan den lijve ondervonden. Maar juist om die reden hou ik nu zo van dit boek. 

Ik wist niet wat leuke seks inhield. Om mezelf te beschermen wilde ik er in eerste instantie alleen over fantaseren, zonder mijn lichaam daadwerkelijk aan een ander over te geven.

Ineens zag ik de lol van Binnen Spelen in. Wat ik precies deed was ik bijna vergeten: mijn enige doel was plezier maken. De reden daartoe wordt me steeds duidelijker. Het boek draait om een verkrachting die me op mijn zestiende werd aangedaan, ook al komt die niet één keer voor in de bundel. Daarna had ik geen seks, ik was er doodsbang voor geworden. In feite was ik nog steeds maagd op mijn twintigste. Ik wist niet wat leuke seks inhield. Om mezelf te beschermen wilde ik er in eerste instantie alleen over fantaseren, zonder mijn lichaam daadwerkelijk aan een ander over te geven. In Binnen Spelen kon ik me laten bevredigen door de walvis uit de jaren-negentig-filmklassieker Free Willy, precies op de manier zoals ik het voor me zag. Het was een uitspatting van plezier. Het was me destijds totaal niet duidelijk waar die drang vandaan kwam, dat zie ik nu pas. 

Ik herinner me hoe ik de verhalen schreef. Ik sleepte mijn zware laptop overal mee naartoe. Op vakantie tikte ik uren achter elkaar door aan een verhaal waar niemand om had gevraagd. Aan de tafel onder de kersenboom giechelde ik achter mijn scherm. Kan dit eigenlijk wel? Zulke gedachten kwamen maar heel soms omhoog, omdat ik alleen maar schreef om mezelf aan het lachen te krijgen. Dus ja; het kon. En dan schreef ik verder over de vuile onderbroek van Klaas Vaak. 

In diezelfde tijd schreef ik samen met Fanny van de Reijt iedere week twee bladzijdes in de PS van de Week van Het Parool vol. Het duurde niet lang voor een redacteur van Prometheus vroeg of ik al eens nagedacht had over een boek. Ik zei dat ik wel iets had, maar dat het erg vreemd was. Ze las de verhalen die ik opstuurde en was enthousiast. Ik kon amper geloven dat ze de hersenspinsels die ik voor mijn eigen lol schreef wilde uitgeven. 

Niet veel later was de presentatie in een nachtclub in Amsterdam. Joost Zwagerman, op wiens kinderen ik paste, nam het eerste exemplaar in ontvangst. Met mijn vrienden van de middelbare school danste en proostte ik op mijn seksescapades. 

Ondanks het plezier zocht ik ook het donker op in Binnen spelen. Zoals in het verhaal Slaap, kindje slaap, waarin Klaas Vaak me gevangenhoudt in een oneindige droom. Ik wilde aftasten wat er allemaal kon gebeuren als ik me in de realiteit weer open zou stellen. Ik moest weten of ik het zou aankunnen als iemand mijn grenzen opnieuw zou overschrijden. Dat moest ik grondig onderzoeken in een tussenwereld. Alleen dan durfde ik in het echt mezelf weer aan een ander te geven. 

Mijn fantasieën kwamen niet uit het niets. Als je mijn middelbareschoolperiode met de romans die ik verplicht moest lezen en alle middagen en avonden die ik voor de televisie doorbracht in een blender zou stoppen, dan krijg je het referentiekader uit Binnen spelen. Veel videobanden had ik niet, maar die ik wel had heb ik minstens twintig keer opnieuw bekeken. Zo ook Free Willy, ik hield van de walvis die iedereen Free Willy noemde maar eigenlijk Willy heette. Of nog preciezer Keiko, de walvis die Willy moest spelen, die een nog droeviger leven dan hij tegemoet ging. 

De jongen uit het verhaal Willy moest acteur Egbert Jan Weeber voorstellen, al vraag ik me af iemand dat eruit heeft gehaald. Hij was de heilige graal. Iedereen van mijn leeftijd had Oesters van Nam Kee gezien, waarin Katja Schuurman zijn tegenspeler was. Of mijn favoriet: Van Gos Los. Egbert Jan Weeber, of Eggie, zoals ik hem noemde als ik alleen in mijn slaapkamer was, speelde Stan Meijer. Een jongen van goede afkomst die afgleed en in de handen belandde van Maikel (gespeeld door Tygo Gernandt), een kruimeldief met ambities. Eggie was van mij. Ik kon doen met hem wat ik wilde. Ooit had ik hem gezien in een bar aan het Leidseplein in Amsterdam. Ik durfde hem voor geen goud aan te spreken, maar in mijn fantasiewereld was hij mijn irritante jongen. 

Als Wolkers zoiets gruwelijks kon verzinnen, dan moest hij het ook zelf uitvoeren, vond ik. Hij mocht geen personage gebruiken om zich achter te verschuilen.

Wolkers wilde ik simpelweg terugpakken voor wat hij me had aangedaan met De achtste plaag, een kort verhaal waarin een kip wordt verkracht. Op mijn middelbare school zong het rond dat we voor Nederlandse les een verhaal mochten lezen waarin een kip werd doodgeneukt. Daar moesten we toen allemaal erg om lachen. Ik ben opgegroeid in de tijd van Jackass, waarin mensen elkaar martelden als vermaak. Als Wolkers zoiets gruwelijks kon verzinnen, dan moest hij het ook zelf uitvoeren, vond ik. Hij mocht geen personage gebruiken om zich achter te verschuilen. 

Gerard Reve, W.F. Hermans en Jan Wolkers komen allemaal op een bepaalde manier voor in het boek. Alleen Harry Mulisch ontbreekt. Ik weet niet zeker of ik dat bewust heb gedaan of dat het toevalligerwijze zo is gelopen. Maar het is wel frappant dat ik, die in een huis opgroeide waar Mulisch’ gehele oeuvre, inclusief zijn toneelstukken, aanwezig was, hem niet één keer noem. Mijn moeder kende zijn werk van voren tot achteren, ze had meerdere boeken over zijn romans geschreven. We vierden soms zelfs kerst bij hem thuis, aan de grote eikenhouten tafel met andere gewichtige mannen die het hele diner lang niet van hun stoel kwamen. Ook ik las zijn werk, en raakte in het geheim verslingerd aan de korte verhalen in Het mirakel. Puberen deed ik amper, dat hield ik voor mezelf, maar het ontbreken van Mulisch in Binnen spelen is misschien mijn enige rebelse daad richting mijn moeder.

Uit de blender die mijn referentiekader vormde kwamen ook de gebroeders Grimm en Hans Christian Andersen. Als kind luisterde ik iedere avond naar sprookjes terwijl ik langzaam in slaap viel. Mijn dromen werden overgenomen door vlechten die oneindig lang groeiden, door heksen met huizen van koek en door erwten onder talloze matrassen. Ik was verslaafd aan luisteren, ik had twee grote plastic mappen vol bandjes. Ik viel ermee in slaap, maar werd meteen wakker wanneer ze afsloegen. De playknop schoot omhoog en de trage stem vulde mijn slaapkamer niet langer. Dan kroop ik onder mijn deken vandaan en zette de cassetterecorder weer aan.

Ik hield van verhalen, maar lezen ging als kind lastig. Op de basisschool zat ik in de laagste leesgroepjes, ik vreesde dat ik dom was. Pas op mijn twaalfde, in de eerste klas van de middelbare school, werd er dyslexie bij me vastgesteld. Toen werd alles logischer. Ineens begreep ik waarom het voor mij onmogelijk leek om het Griekse alfabet uit mijn hoofd te leren. Iets wat me na talloze ochtenden eerder opstaan voor school om te stampen nog altijd niet lukte, ook al hing de wc vol met letters voor het geval dat ik ze visueel zou opslaan. 

Woorden dansen nog steeds wel eens op de pagina. Een roman lezen doe ik nog altijd veel trager dan mijn leeftijdsgenoten. Ook al ben ik inmiddels 41 jaar oud. Als iets me niet zint dan kan ik het onmogelijk uit lezen. Het is alsof mijn lichaam fysiek protesteert. Ik kan mijn ogen niet verder de pagina over duwen. Dan start het bal van de letters en zweven ze vrolijk over de hele bladzijde zodat ik er geen touw meer aan kan vastknopen.

Toch kost het lezen ook moeite bij romans die me wel begeesteren. En die moeite doe ik graag, omdat er geen andere kunstvorm bestaat die me vrijer en menselijker doet voelen dan literatuur. Ik ben al sinds mijn jeugd gewend dat ik mijn best moet doen voor een verhaal. Dat krijg je niet zomaar. Behalve de verhalen van Grimm en Andersen. Die zijn gekerfd in mijn hersens. Door ze zo vaak te luisteren, juist tussen waken en slaap in, is die vertelstructuur deel van me geworden. Met deze fucked up sprookjes als uitkomst. 

Natuurlijk zijn er dingen in dit boek die ik nu anders had gedaan. Ik gebruik het woord ‘wijverig’ wel erg vaak. Karin Bloemen had ik met iets meer liefde voor haar vak willen omschrijven en met iets minder nadruk op haar fysiek. Inmiddels heeft Hans Teeuwen een aparte afslag genomen, maar op mijn middelbare school was hij een god die we aanbaden. Als hij Beatrix op het podium mocht bezoedelen, dan mocht ik dat ook. En dan vond ik dat hij daarna zelf ook aan de beurt was. 

In het verhaal Johannes laat ik mijn vader uit de dood herrijzen. Ik kan me niet meer herinneren waarom ik ervoor koos om hem op te voeren als Herodes, een figuur uit de Bijbel die opdracht geeft tot het onthoofden van Johannes de Doper. Ik geloof dat ik hield van Salomé, die het hoofd in ontvangst nam. Sowieso herinner ik me het schilderij van Gustave Moreau waarin ze wijst naar het afgehakte hoofd van Johannes dat boven haar zweeft. Zij was de femme fatale die ik wilde zijn. Meedogenloos voor iedereen die haar afwees. Over mijn vader, die dood is sinds mijn negende, rep ik verder niet in Binnen spelen. Ik laat hem uitsluitend een hoofd afhakken van de jongen die me verwerpt. Mijn dode vader als held in een wereld die niet bestaat. 

Het ging me om het hervinden van mijn geestelijke en lichamelijke vrijheid. En dat alles met plezier.

Alle figuren uit Binnen spelen zette ik naar mijn eigen hand, ook al verdronken ze kittens, lieten ze me pas vrij als ik me onderwierp, randden ze kippen aan: ik liet ze doen wat ik wilde. Het meest van alles zocht ik mijn eigen vertier en seksualiteit op. Ik dacht geen seconde aan de lezer. Deze verhalen brachten mij op plekken die ik nooit eerder had gezien. Ik denk niet dat ik met enig ander boek dat ik ooit heb geschreven zoveel heb gelachen achter mijn laptop. Het ging mij erom een wereld terug te winnen die van mij was afgepakt. Het ging me om het hervinden van mijn geestelijke en lichamelijke vrijheid. En dat alles met plezier. Daarmee is dit boek een enorme middelvinger naar de jongen die op mijn zestiende over me heen kroop. Al zag ik het toen nog niet in.