Wij, onder taal
over de kloof tussen de mensen die hier komen en de mensen die hier al zijn
In 1984, ik weet er niets meer van, kreeg ik een broer erbij. Hij was veertien jaar, biologisch gezien mijn neef en inmiddels oud genoeg voor dienstplicht in Iran. Intussen woedde daar nog steeds de oorlog, die was begonnen toen Irak het land in 1980, kort na de Iraanse revolutie, binnenviel.
Mijn moeder vertelde me verschillende verhalen over zijn aankomst: de eerste dag zag ze hoe hij met een katapult de mussen uit de Japanse sierkers voor ons raam kogelde. Mijn Iraanse vader vond het niet erg. Mijn Nederlandse moeder wel. Ze vertelde me dat er op de tweede dag kinderen voor de deur stonden om te vragen of mijn neef kwam buitenspelen.
De derde dag begon hij met Nederlandse les. Drie maanden later sprak hij het vloeiend.
Drie jaar later vertrok hij terug naar Iran. Ik tekende een vliegtuig voor hem en huilde hard en ontroostbaar. Nooit meer zou ik ‘Beat it’ of ‘Material girl’ uit zijn kamer horen komen. Nooit meer zou ik zo liefdevol geplaagd worden. Nooit meer zou ik twee broers hebben.
Als ik tegenwoordig met mijn familie uit Iran app, doe ik dat meestal met mijn tante, maar nu heb ik ook mijn neef een bericht gestuurd. In de vreemde taal waarin we spreken of schrijven: half Nederlands, half Farsi. Fonetisch. En in officieel schrift. Alles door elkaar. Soms nog met een zinnetje Engels. Het bericht kwam niet aan.
Het is op het moment van het schrijven van dit stuk, begin 2026, niet te missen: Mijn Iraanse deel. Niet voor mezelf, maar ook niet voor mijn collega’s, mijn vrienden, mijn Nederlandse familie. Mensen vragen: heb je je familie nog gesproken? Ligt het internet er echt uit? En de telefoonlijnen? Ja. Ik weet niets van hoe het nu in Iran is.
Het verhaal van mijn neef die drie jaar bij ons woont voelt als een vage droom. Ik was nog geen jaar oud toen hij aankwam, bijna vier jaar toen hij vertrok. Het zijn flarden; gevoelens en herinneringen die bestaan uit associaties en sepiafoto’s. Het is een verhaal waar ik geen aanspraak op durf te maken. Het is zijn verhaal. En dat van zijn ouders, en mijn ouders. Het is het verhaal van Iran en kindsoldaten.
Lang dacht ik dat alleen mijn naam me met Iran verbond. Yasmin met de Y en zonder e op het eind. Namavar moet ik altijd even spellen. Mijn huid te wit. Mijn lichaam te lang. Mijn oogopslag te vrijpostig. Mijn principes over vlees eten en vliegvakanties te Nederlands.
Op het inschrijfformulier van de middelbare school moest ik aankruisen of ik autochtoon was of allochtoon. ‘Allochtoon,’ zei mijn moeder. Waarop ik antwoordde: ‘Dat kan niet kloppen.’
Tegenwoordig zie ik op het nieuws hoe in Nederlandse gemeenten – ook in het dorp waar mijn neef, mijn vader en ik ooit woonden – mensen met mijn huidskleur en in mijn moedertaal, met eieren, vuurwerk en stenen, protesteren tegen de komst van een azc. Tegen mensen afkomstig uit mijn vaderland.
Wat is die kloof tussen de mensen die hier komen en de mensen die hier al zijn? En wie staat aan weerzijden ervan? Hoe kan ik die kloof ooit begrijpen, als mijn vader van daar is, en mijn moeder van hier?
Als ik het over de kloof en ‘de ander’ wil hebben dan kan ik niet om de stem van Sinan Çankaya in Mijn ontelbare identiteiten heen. Hij beschrijft hoe moeilijk het is om in een land, met een taal en een dwingende blik, die continu categoriseert, je eigen identiteit te vinden. Juist als die taal je verarmt tot Turk, tot arbeidsmigrant. Tot allochtoon.
Op mijn werk, in het ziekenhuis, was ik lange tijd een echte Nederlander. ‘Voor mij ben je gewoon Nederlands,’ zei een collega. Maar toen ik naast dokter, ook dichter werd, debuteerde ik ook als Iraniër. Op mijn bundel stond dat ik in Amstelveen was geboren en verder niets over mijn vaders afkomst of over Iran. En toch schreven recensenten over mijn migratiegeschiedenis. Over dat allebei mijn ouders uit Iran zouden komen.
Het voelde een beetje ongemakkelijk. Had ik vals gespeeld? Bijvoorbeeld door sommige poëzie in Iran te situeren, te flirten met geopolitiek en revoluties, en af en toe een woordje Farsi te gebruiken in mijn gedichten.
In dit gedicht reis ik naar Shiraz, de stad waar mijn vader opgroeide.
Ik vroeg me opnieuw af: is dit wel mijn verhaal? Maak ik aanspraak op het woord Iraniër als ik hier geboren en getogen ben. Als mijn moeder Nederlandse is, en mijn vader ‘geïntegreerd volgens het boekje’. Mag ik me dit wel toe-eigenen als ik gebrekkig Farsi spreek?
Hoe zou het zijn als mijn vader minder succesvol geïntegreerd was? Wat als hij me meer had geleerd over Iran, zoals ik op school over Nederland leerde. Hoe zou het voelen om met mijn Iraanse achtergrond ergens een stempel op te drukken? Wat zou ik Nederland laten zien? Misschien wel hoe het vroeger bij ons thuis was: dat iedereen altijd welkom was, kon blijven eten en slapen, zolang als ze wilden. Hoeveel en hoe lekker eten er op tafel stond. En dat dat eten geen bijzaak was, maar noodzaak. Omdat eten via de buik gaat in plaats van via het hoofd.
Waarom is het überhaupt nodig dat ik het zo uitsplits in woorden en landen, in identiteiten en eigendommen? Want elke categorie trekt een grens in mijn lichaam, deelt me op in stukjes, in grensgebieden.
Op zoek naar een taal voor de verlammende fixatie die identiteiten kunnen geven, herinnerde ik me het gedicht ‘Succesvolle Iraniërs’ van Asha Karami. (…) ‘laatst stuurde mijn stiefvader me een artikel/over succesvolle iraniërs in nederland ik stuurde hem/een gapende emoticon terug’.
Hoe weten al die tegen-een-azc-protesterende Nederlanders zo duidelijk wat echt Nederlands is? ‘Er huist geen waar, authentiek ‘ik’ in ons binnenste’, vertelt Çankaya mij. Wat is echt, en wat wordt juist sterker door de beteugeling van de ander?
Het is de stem van Sjaka (Shaka Zoeloe) opgetekend door Alfred Schaffer in Mens Dier Ding. Identificatie met je eigen groep wordt groter als deze onder druk staat. Ook in mijn lichaam is er een opzwellende en slinkende beweging gaande. Ik word meer en minder Nederlands, meer en minder Iraans. Steeds maar weer als reactie op de ander, als reactie op mijn eigen fixerende gedachten.
Toch heb ik wel degelijk Iran in dit lichaam, stukjes die via mijn vader zijn gekomen. Stukjes die nu tijdens alle onrust en geweld in Iran extra worden geactiveerd. Elektrisch geladen delen die veelal verlopen via mijn sensorische zenuwstelsel, daar waar mijn zintuigen aan mijn brein gekoppeld worden. Geurstromingen, smaak-, kleur- en klankstromingen. En ja, natuurlijk draag ik ook, via mijn moeder, Nederland in mij. Grote, vlakke rivieren; traag door oneindig laagland. Stromingen die gaan over rechtvaardigheid, logistiek en organisatie. Over fietsen, schaatsen en zwemmen. Maar er zijn ook delen die niet zo gemakkelijk te rubriceren zijn. Stukken die ik niet deel met mijn ouders. Nieuwe stukken. Zijn het Iraans-Nederlandse stukken? Ik vraag het me soms af: hoe het zou zijn om twee ouders uit hetzelfde land te hebben? Zou ik duidelijker weten wie ik zou zijn, bij wie ik zou horen? Of heeft iedereen dit?
In Jaguarman van Raoul de Jong vertrekt hij, zoon van een Nederlandse moeder en Surinaamse vader, naar Suriname om op zoek te gaan naar zijn voorouder; een medicijnman die zichzelf kan transformeren in een jaguar. Een zoektocht naar zijn voorvader in de jungle en naar de geschiedenis van Suriname. Maar De Jong vindt ook zichzelf.
Wanneer hij aankomt in Suriname, voelt hij zich zelfbewust: ‘Ik deed mijn best om niet door de mand te vallen, om te doen alsof ik hetzelfde was als zij. Maar telkens wanneer ik wat zei, klonk mijn Nederlands zo hard en bekakt dat ik na een paar pogingen mijn mond maar hield.'
Te Nederlands voor Suriname. Te Surinaams voor Nederland. Dit herken ik. Veel en veel te Nederlands voor het woord Iraniër. En subtieler maar onmiskenbaar: te veel een Iraanse voor de term Nederlander. Naast al die gastvrijheid, zat de kloof namelijk ook vaak bij ons aan tafel. Soms als het subject van een ruzie, ook heel vaak als onderwerp van verwarring, humor of verwondering.
En toch is het opnieuw de taal die me op het verkeerde been zet; die probeert in woorden te vangen wat ik zoek; bij wie ik het meeste hoor.
De bundel Oeverloos van Nisrine Mbarki Ben Ayad is een van die boeken waar ik steeds naar terugkeer. Het zijn de grootmoeders uit haar bundel, en ook uit dit gedicht ‘Tong’, die ik nodig heb. Gewortelde grootmoeders die zorgen en voeden. Grootmoeders die ons erbij laten horen.
Ook de voorouder die De Jong zoekt staat voor iets anders dan een cognitief ‘hier kom ik vandaan’. Jaguarman is meer dan één voorouder. Hij is een intuïtief, wetende voorouder. Een mythische natuurkracht. Een dansend lichaam. En hij is De Jong zelf. ‘‘Ik’ ben slechts een hoofdstukje in een verhaal dat lang voor mijn eigen leven begon en dat nog lang na mijn eigen leven door zal gaan.’
Jaguarman en de grootmoeders uit het gedicht van Mbarki Ben Ayad, deden me denken aan een (ongepubliceerde) brief die ik bijna tien jaar geleden aan de Perzische dichter Hafez schreef. Een brief waarin ik worstelde met mijn vaders recente dood: hoe ik mijn Iraanse deel levend kon houden. Over mijn eigen grootmoeder schreef ik:
Ik verlang naar voorouders die ouder zijn dan taal en categorie. Ik verlang naar een voedend gevoel. Naar een bewegende ervaring. Iets dat in het ritme van schaatsen valt. Een glijdende slag; links en rechts. En opnieuw, links en rechts. Iets dat stroomt. Ik verlang naar de ervaring ergens bij te horen zonder me meteen van een ander af te splitsen. Zonder mezelf of die ander te definiëren. Zonder taal. Maar dat gaat niet vanzelf. Ik zal mijn bestaansrecht moeten durven opeisen zonder woorden of context. Zonder groep: in onzekerheid en onzichtbaarheid. Onder de taal.
Ik denk aan mijn ex-dorpsgenoten die tegen het azc protesteren. Ik lees hun woorden op spandoeken. Maar wat gaat er door hun buik? Welk woordloos verlangen stroomt door hun vaten? Waar zijn hun voorouders?
Ik ben bang dat elke keer dat ik het woord migrant, asielzoeker of Nederlander gebruik, de relatie tot de ander verdwijnt. En daarmee verdwijnen ook mijn (onze) ouders, grootmoeders en voorouders. Het taalloze, zintuigelijke krijgt dan geen ruimte. Het voedende en schaatsende evenmin.
Drie jaar heb ik samengewoond met mijn neef en ik heb geen enkele herinnering die langer duurt dan een paar seconden. Drie jaren opgeslagen in mijn lichaam: in mijn preverbale geheugen, mijn buik, mijn zenuwen. De ervaring hoort bij me, ze zit in mijn lichaam. Ze heeft bestaansrecht door wat ik over haar voel. Niet door wat ik over haar zeg.