Deze Noorse schrijfster las Reve en vond een antwoord op de vraag: waarom doet fictie ertoe?

De Noorse schrijver Ida Lødemel Tvedt worstelde met de vraag waarom fictie ertoe doet, ILFU's festivalthema van dit jaar. We vroegen haar voor het festival een antwoord te schrijven, maar ze kwam er -voor de deadline- niet uit. Totdat ze Gerard Reves De Avonden begon te lezen: "het was gewoon waanzinnig goed. Zoveel neurose en zoveel humor in één en dezelfde vervreemdende stem! Ik werd bijna verliefd op hem." Reve zette het vliegwiel in beweging om toch een antwoord te formuleren. Ruim na de deadline en zoekend en tastend langs de randen van de taal, maar het kwam er. En wat een schitterend antwoord. ILFU vroeg tien schrijvers een verhaal te schrijven rond het festivalthema #WhyFictionMatters. Vandaag aflevering 9: Ida Lødemel Tvedt

Ida Lødemel Tvedt

Essay #WhyFictionMatters

Support ILFU en word lid voor €4,50 per maand

Maak een account

Omdat herfst

Vertaald uit het Noors door Geri de Boer



Hovdebygda, Noorwegen, september 2021



Why does fiction matter? vroeg het Nederlandse literatuurfestival dat me de opdracht gaf deze tekst te schrijven.

It doesn’t. That’s why. 


Meer had ik wekenlang niet op papier staan. Hoe moet je reageren op een vraag die al zo oneindig vaak is gesteld en al zo oneindig vaak is beantwoord, maar nooit op een voor jouw gevoel bevredigende manier?

Ik maakte een lijstje van standaardantwoorden.

  1. De evolutiepsychologie leert ons dat we hardwired, voorgeprogrammeerd, zijn om verhalen te maken, en dat de roman dus de ultieme dopaminemachine is, een krachtige hormonengenerator die gedijt op de evolutionistische bodem binnen in ons, die ons derhalve kan leren een maximaal effectieve communicator te zijn. 

  2. Zoals Joan Didion zei in haar meest geciteerde zin: ‘We tell ourselves stories in order to live’. Dat is een mooi citaat, maar eigenlijk meer een precisering van de vraag dan een antwoord.

  3. Onderzoek heeft aangetoond dat mensen die veel romans lezen meer sociaal begrip, een meer verfijnde ‘theory of mind’, hebben dan mensen die dat niet doen, en dat ze daardoor meer geneigd zijn altruïstisch te handelen. 

  4. Omdat de roman ons empathischer maakt, zou hij centraal moeten staan in de opvoeding van jonge burgers. Omdat de roman ons, op een manier die superieur is aan alle andere media, inzicht geeft in het innerlijk leven van iemand die we niet kennen, maar ons daarbij wel dwingt tot uitstel van onze behoefte tot oordelen of twijfelen, is hij het beste instrument dat we hebben in ons streven naar een meer rechtvaardige, solidaire en inclusieve wereld. 

Al deze antwoorden leken me ontoereikende holle frasen – en bovendien waren ze geen van alle van mijzelf. Het is geen automatisme dat inlevingsvermogen tot beter gedrag leidt, voerde ik ertegen aan. Empathie is net als liefde: een machtige machinerie die evenveel kil egoïsme als warme medemenselijkheid kan genereren. Het instrument op zich is moreel neutraal. Kijk maar naar de psychopaat die zijn overontwikkelde vermogen om dingen uit het perspectief van anderen te zien gebruikt om hen te manipuleren. 

De diverse antwoorden die op deze oneindige vraag naar het belang van fictie worden gegeven brengen altijd ideologische bagage mee, nietwaar? Fictie wordt als middel ingezet voor alles, uiteenlopend van een moraliserend, elitair kosmopolitisme tot spindoctor-strategieën om mensen succesvol van iets te overtuigen. 


Why does fiction matter?


Fictie is belangrijk omdat ze niet belangrijk-belangrijk is, wilde ik zeggen, maar ook dat was te eenvoudig.


Omdat het me niet lukte de vraag te beantwoorden op een manier die me niet blasfemisch leek, verdrong ik de opdracht. Ik vergat hem – totdat er iets gebeurde. Te laat – altijd onvergeeflijk te laat – kreeg ik een Nederlandse roman in handen. Iemand gaf hem me tijdens een evenement en ik dacht er niet meer aan, maar toen, een paar dagen later, viel hij opeens uit mijn tas. Het was een verhaal uit het Nederland van vlak na de oorlog. The Evenings van Gerard Reve. Waarschijnlijk een heel bekend boek voor jullie, de Nederlanders die dit misschien lezen, maar voor mij was het nieuw. Weer verdrong ik mijn opdracht; ik ging buiten op het gras zitten om Reve te lezen. Die sardonische toon, dat demonstratief trage tempo, Frits’ licht autistische en dissociatieve relatie met het verleden en zijn vrienden, om nog maar te zwijgen van de koude afschuw waarmee hij zijn ouders bekijkt – het was gewoon waanzinnig goed. Zoveel neurose en zoveel humor in één en dezelfde vervreemdende stem! Ik werd bijna verliefd op hem. En daardoor ging er iets in mij open, naar jullie, een kier in de vorm van Nederland. En jullie, de Nederlanders die ik nooit heb ontmoet maar die deze tekst lezen, kwamen me meteen nader. Dat klinkt natuurlijk een beetje absurd voor jullie, alsof jullie tegen mij zouden zeggen dat jullie dichter bij Noorwegen zijn gekomen omdat jullie Ibsens Een poppenhuis of Hamsuns Honger of Knausgårds Mijn Strijd hebben gelezen. Toch is het zo. 

Nederland? Misschien wel het West-Europese land waarvan ik het minst weet. Tegen wie heb ik het nu? Ik denk aan de twee mooie Nederlanders met wie ik als tiener ooit in een keuken werkte. Ze hadden van die mooie koppen. Sindsdien heb ik vaak gezegd dat ik een zwak heb voor Nederlandse mannen omdat ze van die mooie koppen hebben. Van die knokige voorhoofden, met een neanderthalerrichel boven de wenkbrauwen. Fictie staat dat soort weidse generalisaties toe: erotiek met een vleugje eugenetica. Ik draai De avonden om en bekijk de foto van Reve op de achterkant: hij ziet er precies zo uit als mijn verzonnen, objectiverende stereotypering. 

Meer dan aan wie ook, dacht ik, doet Reve me denken aan Joshua Cohen, in elk geval als ik me beperk tot nu levende schrijvers en er geen duidelijke geestverwanten bij haal als Kafka, Pynchon en Beckett. Ik had net het nieuwste boek van Cohen gelezen, The Netanyahus, en nu komen beide romans me voor als twee kanten van dezelfde zaak, ook al gaan ze over totaal verschillende dingen en spelen ze zich af in volkomen verschillende tijden en op verschillende continenten. The Netanyahus is een soort slapstick over het zionisme, losjes gebaseerd op het bezoek dat Harold Bloom ooit kreeg van Benzion Netanyahu, de vader van Benjamin, toen ze geen van beiden nog erg bekend waren, op een kleine universiteit in Upstate New York. In beide boeken hoor ik een stem die meer als mijn eigen stem klinkt dan de stem van mensen die op het eerste gezicht meer op mij lijken – qua geslacht, qua manier van leven en qua identiteit. De roman biedt een vorm van identificatie die niets te maken heeft met representatie of politiek-maatschappelijke verwantschap. In de roman vinden we onszelf doordat we onszelf vergeten.

Waarom is fictie belangrijk? Dat is ze niet. Daarom. Fictie lost geen crises op. Fictie garandeert geen resultaten. Fictie maakt je niet per se tot een beter mens. Maar toch – toch! – is het een revolutionaire kracht, sterker dan welke andere ook, de meest geavanceerde en avancerende technologie uit de geschiedenis. Van een reis met Ursula Le Guin leren we oneindig veel meer over hoe een mensenleven in het heelal eruit zou kunnen zien dan van zo’n flutruimtereisje met Jeff Bezos. De roman versnelt kennisprocessen met een snelheid die de snelste 5G ver overtreft. Hoe is dat mogelijk? Hoe kan het lezen van een roman tegelijkertijd volkomen onbelangrijk zijn en een totale, onherstelbare, seismische bewustzijnsverschuiving zijn?


Een ander antwoord – misschien het antwoord dat me het meest bevalt – is dat fictie ons troost biedt. Geen zieligmakende troost, geen troost die gesnotter verheerlijkt, maar diepe, kalme troost. Een existentiële troost die niet pampert, maar zegt: kijk eens wat de wereld allemaal te bieden heeft. Bij het lezen hoeven we niet vreselijk goed te zijn of vreselijk slecht; we kunnen gewoon een zin lezen en dan nog een, een andere. Een zin lezen, een ander zijn. Een boek tegenkomen dat, misschien in tegenstelling tot alle mensen die we kennen, wél precies begrijpt hoe het met ons gaat. 

Romans lezen is aan de ene kant het eenzaamste en aan de andere kant het sociaalste wat je kunt doen. Je moet alleen zijn als je leest – je bent per definitie altijd alleen met de tekst – maar tegelijkertijd ben je, als je in een tekst bent, ook in een ander mens, ben je in het hoofd van iemand anders, in een ander denkritme, een andere denktoon, een andere denkstijl. Het is telepathie. Het is radicale intimiteit, een toestand waarbij je dichter bij het centrum van iemand anders geraakt dan je ooit bij iemand van vlees en bloed zou kunnen komen. Het is beter dan seks, zou ik haast zeggen, en als dat overdreven is, kunnen we het er toch in elk geval over eens zijn dat de roman dieper penetreert.


De levertermijn was al lang verstreken toen ik gisteren aankwam in het lege huis in Hovdebygda aan de Noorse westkust waar ik op gezette tijden kom om er te leven als een grommelende kluizenaar die maar af en toe in het dorp verzeild raakt. Gisteren, op weg naar het vliegveld in Oslo, kocht ik When we cease to understand the world, een soort roman van Benjamin Labatut. Ik begon erin te lezen in het propellervliegtuig dat me naar dit dorp bracht, naar het vliegveldje op vijf minuten lopen van dit huis. De roman – als het dat al is – gaat over geniale wetenschappers en wiskundigen die enorme ontdekkingen doen, die geweldige, verschrikkelijke gevolgen hebben. Het boek is een soort moderne geschiedenis van de mens, verzonnen en verteld in minder dan tweehonderd pagina’s, met leugens over echte levens, samengesteld tot een fictie die waarder is dan de feiten waarop ze gebaseerd is. Verhalen zijn het enige wat waarder is dan feiten.

Toen ik landde was de wereld één en al pracht en praal. Blauwe hemel, besneeuwde bergen, zo’n glaszuivere lucht die altijd volgt op het tweegevecht waarin de nazomer wijkt voor de herfst. Het chlorofyl heeft zich van de bladeren teruggetrokken. Ze zijn nu dof donkergroen, heel rustig, nog niet rood of oranje, nog niet vlammend. Vergeten zijn de zinderende groentinten van mei, die duizelingwekkende maand mei waarin waarschijnlijk niemand in Noorwegen goed kan nadenken. Pollen en verwarrend licht, veel te veel lust in het gebladerte, te veel elixer in het bloed, vocht in de bast. De lente is één groot pamflet, een pijnlijk rijmpje in een op een barricade gezongen leus. De winter is een essay. De zomer een reportage. De herfst is een roman.

In romans is het altijd herfst, ongeacht waar ze over gaan. Droge, zwarte aftekeningen tegen een helder, zacht licht. Letters op kurkdroog papier. De geur van open vuur. De tijd rekt zich uit, de tijd en de geografie krijgen duidelijkere contouren. We zien grote lijnen, zetten de behoefte aan oordelen op pauze, zijn bereid ons door het nieuwe te laten veranderen. We worden in de enige toestand gebracht die met recht luisteren kan worden genoemd: een bereidheid om ons wezenlijk te laten veranderen door dat wat we horen. Hier is geen crisis. Hier is geen nieuw conflict. Hier is geen handeling vereist. 

De herfst is fatsoenlijk, zelfs wanneer we onfatsoenlijke dingen doen, het is de minst destructieve van alle taaltoestanden. De herfst is vriendelijk zonder zich met zijn vriendelijkheid op te dringen. Schone lucht, dorre bladeren, scherpe lijnen naar het licht. De verwelkte bloemen van de sering voor het raam waar ik nu bij zit, zijn niet meer paars, het zijn verkoolde krulletjes aan het uiteinde van de takken.

Nu het herfst is, denk ik dat de lente sadistisch, wijsneuzig en ad rem maar onverstandig is, dat de winter zwelgt in zelfbeklag en dat de zomer dom is. De herfst daarentegen is zacht en eerlijk en melancholiek.

In romans is het altijd herfst. Voor mij zijn alle bibliotheken – van Alexandrië in Egypte tot Bjørvika in Oslo – Hovdebygda in september. Een plek waar je thuis bent, een zacht vibrerende rust, een plaats waar je je geëngageerd kunt terugtrekken. Tijden en plaatsen plooien zich weer op elkaar terug, zonder respect voor chronologie, landsgrenzen en ‘relatability’.


Fiction matters because fiction is not a matter of mattering.


Nu ga ik op de veranda zitten om Reve uit te lezen. Ik heb het idee dat dat boek zo meteen een wending naar absurditeit zal nemen – en dat het me, zoals alle goede romans, het gevoel zal geven dat ik door iemand anders tot uitdrukking ben gebracht. Is het niet wonderbaarlijk hoe romans je altijd net te hulp schieten wanneer je ze nodig hebt?

Foto: Helge Skodvin/Gyldendal

OVER IDA LØDEMEL TVEDT

Ida Lødemel Tvedt (1987) schrijft essays, reportages en recensies voor diverse Noorse kranten. Ze verdeelt haar tijd tussen Bergen en New York, waar ze lesgeeft in literaire essayistiek aan Colombia University en The New School. Haar debuut 'Een sleepnet in de Marianentrog' is door Noorse critici geprezen om zijn vitaliteit en scherpzinnigheid. De Nederlandse editie is eerder dit jaar in vertaling van Geri de Boer verschenen bij uitgeverij Atlas Contact.