Soms gebeurt er dagenlang niets en staat hij voor niets te staren, maar hij heeft alle tijd en zijn geduld wordt altijd beloond. Stiekem hoopt hij op voetgangers, omdat die tuimelingen het meest wonderlijk zijn. Telkens wanneer er weer iemand onderuitgaat maakt zijn maag een opgewonden sprongetje en heeft hij steeds sterker het gevoel getuige te zijn van iets wezenlijks. Nog steeds lijkt er geen enkele oorzaak voor het vallen te zijn. Het ene moment wandelt iemand onbekommerd over de stoep, het volgende moment zijn ze gevallen. Het lijkt wel alsof ze door een reusachtige, onzichtbare hand worden opgetild, ondersteboven gedraaid, en losgelaten. Maar dan wel zo snel dat het voor het blote oog onzichtbaar is. Steeds weer krabbelen de mensen zelfstandig overeind. Ja, ja, het gaat. zeggen ze terwijl ze hun bloedneuzen dichtknijpen. De omstanders vragen het nooit meer dan twee keer. Dan wendden ze zich af van de onfortuinlijken, die zo overduidelijk geen ogen op zich gericht willen hebben.
Hij leest op hun gezichten die eigenaardige combinatie van schaamte en irritatie, nee, kwaadheid zelfs, emoties die vaak worden opgewekt door het onverklaarbare. Terwijl ze om zich heen kijken in een poging om grip op de situatie te krijgen, beseffen ze al snel met een pijnlijke steek dat ze de controle niet zullen herwinnen. Ze weten niet of ze zichzelf de schuld moeten geven, of dat er iemand of iets is wat ze op deze onverkropbare manier uit evenwicht heeft gebracht. De meesten van hen zullen er niemand over vertellen. Want ze kunnen zich al voorstellen hoe die gesprekken zullen gaan: ik liep daar en toen, ja toen viel ik gewoon. Maar waarom dan? Ik heb geen idee.
Het zou een anticlimactische anekdote worden, die zou worden beantwoord met een schampere, halve glimlach. Een toegeeflijk schouderklopje. Sufferd. Gekkie. Voorzichtig doen hoor. Het zou allemaal niet zoveel voor lijken te stellen, voor de toehoorder. En dat zou pijn doen, dat zou vervreemden. Want het stelde wel degelijk iets voor. Dat voelen de mensen die zijn gevallen in hun kern, terwijl ze koppig hun weg vervolgen, en hun onverwacht opkomende tranen proberen weg te slikken. Hoezeer ze het voorval ook proberen te vergeten, ze zullen het onthouden. Ze zullen er stuk voor stuk op hun sterfbed nog aan denken, en zich dan dwaas voelen, omdat ze in die laatste momenten aan zoiets triviaals terugdenken, omdat ze er nog steeds overstuur van raken.
Op een middag gaat er een man met een driepoot wandelstok onderuit. Hij ziet de oude heer op de stoep klappen en betrapt zichzelf op de gedachte: wreed. Meteen daarna vraagt hij zich af wie of wat er dan wreed is. Onbewust is hij zich bij het fenomeen toch een entiteit voor gaan stellen, een iets dat iets doet, dat bepaalde individuen ergens voor uitkiest.
Omdat hij met een stok loopt, moet de man meer moeite doen om de tergend goedbedoelde hulp van omstanders af te weren. Het gaat best, zegt hij met klem terwijl hij zijn arm losrukt uit de greep van de vrouw die hem overeind heeft getrokken, wat hem zo aan het wankelen brengt dat hij weer op zijn kont valt. Vanaf de grond zwaait hij dreigend met zijn stok naar de mensen die zich over hem heen buigen. Laat me met rust! Zijn stem slaat over. De mensen deinzen achteruit en vervolgen snel, afkeurend, beschaamd, hun weg. De man blijft in zijn eentje achter. Zijn kin bloedt. Hij probeert overeind te komen, hij trekt een verkrampt gezicht terwijl hij zich eerst half op zijn zij draait, zich uit alle macht vastklampend aan zijn driepoot. Zijn oude handen zijn paars van de inspanning. Hij krijgt het voor elkaar om een van zijn voeten op de grond te zetten, dan lijkt hij uit te moeten rusten. Met zijn andere been nog geknield ziet hij eruit alsof hij iemand ten huwelijk zal vragen. Hij kijkt naar de grond, een geruïneerde blik in zijn ogen. Dan richt de man zijn blik opeens naar boven, op hem, achter het raam. Hij schrikt. Zijn gezicht wordt heet onder dit plotselinge gezien worden. De man op straat kijkt hem recht in de ogen met een blik zo vol haat dat hij weg moet kijken. Maar het is te laat, hij is gezien. Zijn hart bonkt in zijn keel terwijl de man op straat naar hem begint te wijzen en schreeuwen. Hij struikelt achteruit in zijn keuken, probeert zijn koffiekopje op tafel te zetten, maar het valt om en een restje koude koffie verspreidt zich willoos over de tafel. Hij trekt zich als een spook terug in zijn donkere slaapkamer aan de achterkant van het appartement, maar hij hoort de man nog steeds schreeuwen. Het sterft pas na lange tijd weg, ook dan komt hij zijn slaapkamer niet uit. Hij doet de lichten niet aan wanneer het donker wordt.
De volgende ochtend gaat hij niet de keuken in, hij vermijdt zelfs om een blik op de openstaande deur te werpen. Hij trekt zijn schoenen aan in het halletje, zijn voeten voelen er niet in thuis, daar draagt hij ze te weinig voor. Hij staat een moment met de helm in zijn handen, die draagt hij altijd als hij de deur uit gaat, meestal voor een ziekenhuisbezoek. Dan staat er altijd een taxi voor de deur te wachten. Hij legt de helm terug op de hoedenplank, en ook zijn dik gewatteerde jas laat hij hangen.
De ochtendlucht voelt koud en klam op zijn huid. Er hangt mist in de straat. De mensen in de ochtendspits hebben hun fietslichten nog aan: gele, zachte stralen in de mist. Hij staat nog op de drempel van zijn huis, zijn rug tegen de dichte deur. Er staat geen taxi. Hij kijkt naar links, naar de T-splitsing. Vanaf hier, op de grond, ziet het er allemaal veel groter uit dan van boven, en voelt hij zich klein. Hij stapt de stoep op, een vrouw met een hondje loopt voor hem langs. Hij kijkt goed naar links en rechts en wacht lang tot hij de straat oversteekt, met zijn kleine voeten op het asfalt. Hij is bang dat hij zal flauwvallen. Eenmaal overgestoken gaat hij links, naar de T-splitsing. Het gebeurt niet iedereen, houdt hij zichzelf voor. Hij durft niet naar zijn voeten te kijken terwijl hij loopt, hij wordt gepasseerd door iemand met haast, hij voelt de lucht die er snel voor moet wijken. De passant valt niet, hij loopt ongehinderd door en vervaagt in de mist. Nu loopt hij zelf langs de afslag naar rechts, er gebeurt niets. Hij loopt nog een eindje verder, dan draait hij zich om en loopt, zijn vuisten onwillekeurig gebald, terug. Weer richting de afslag, links nu.