Wreed – het verhaal van de maand maart

Vanuit zijn keukenraam op de eerste verdieping kan het hoofdpersonage van dit verhaal het verkeer voor zijn huis goed in de gaten houden. Elke dag ziet hij ouders die hun kinderen naar school brengen, gehaaste mensen onderweg naar een afspraak en toevallige voorbijgangers. Als hij niet gebonden was aan huis zou hij misschien wel een van hen zijn. Op een dag gebeurt er iets onverklaarbaars op die T-splitsing, dat ook zijn rol als toeschouwer verandert.

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Hij woont al zijn hele volwassen leven in hetzelfde appartement. Het zit op de eerste verdieping en kijkt uit op de straat beneden waar mensen de hele dag naar allerlei plekken onderweg zijn. Hij staat graag bij het keukenraam naar ze te kijken, naar de ernstige, doelmatige gezichten, die hij in alle rust kan observeren terwijl zij zich van hem niet bewust zijn. Naar de fietsers die kordaat hun arm uitsteken wanneer ze de zijstraat naar rechts in willen slaan, naar de voetgangers die tijdens het lopen alvast hun portemonnee uit hun zak opvissen omdat ze die spoedig ergens voor nodig zullen hebben. Het kalmeert hem, alsof het observeren van die doelgerichtheid op de één of andere manier aan hem afgeeft. Soms komt er een pathetische jaloezie bij hem op, maar meestal heeft hij vrede met zijn situatie: hij kan er niets aan doen dat hij chronisch ziek is, afgekeurd, aan huis gebonden. Hij heeft dat een keer zo terloops mogelijk tegen de bezorger van zijn boodschappen laten vallen, maar daar had hij meteen spijt van: sindsdien doet de jongen overdreven opgewekt, als om iets te compenseren.    

Hij weet vrijwel zeker dat de eerste keer dat hij het ziet, ook de eerste keer is dat het voorvalt.

Omdat hij iedere dag meerdere keren een poos naar de bedrijvigheid daar beneden staat te kijken, weet hij vrijwel zeker dat de eerste keer dat hij het ziet, ook de eerste keer is dat het voorvalt. Zelfs als hij toevallig niet bij het raam had gestaan, zou hij waarschijnlijk aan de keukentafel hebben gezeten. Dan zou hij het door het enkele glas alsnog gehoord hebben, en zou hij zijn opgestaan om te gaan kijken. Hij zou het daadwerkelijke vallen niet gezien hebben, maar wel de nasleep. Hij is dus getuige van het ontstaan van het fenomeen, en hij voelt dat dit significant is. Dat hij misschien zelfs op raadselachtige wijze een essentieel onderdeel van de gebeurtenis is.

Die eerste keer lijkt er niets bijzonders aan de hand: een fietser wil bij de T-splitsing de zijstraat naar rechts in sturen, maar draait op een onhandige manier haar voorwiel, waardoor haar fiets vrij abrupt stil komt te staan. Dat is tenminste wat hij dacht toen het gebeurde, dat het zoiets geweest moet zijn. Want eigenlijk ging het te snel om zoiets daadwerkelijk te registreren. Ze duikelt over haar stuur en valt best wel hard, met haar hoofd en schouder die het eerst de stenen raken, op de grond. Haar fiets ligt overrompeld achter haar, het voorwiel draait nog. Terwijl er mensen om haar heen stoppen en afstappen, zit de vrouw al op haar billen op de stoep en kijkt ontrafeld naar haar knieën terwijl ze haar trillende handen in elkaar wrijft. Ze heeft een schaafwond rechts op haar voorhoofd. Hij weet nog dat hij ‘oei,’ zei.

Een man raapt haar fiets op, terwijl iemand anders zich over haar heen buigt om te vragen of het gaat. Ja hoor, het gaat, zegt de vrouw, die de handen die haar rechtop willen helpen wegwuift en op eigen kracht overeind krabbelt. Weet u zeker dat het gaat? Ja, het gaat. Ze pakt haar fiets aan van de man en kijkt vertwijfeld om zich heen naar de weg alsof ze probeert te reconstrueren wat er is gebeurd, alsof het cruciaal is dat ze in haar hoofd de gebeurtenis van seconde tot seconde aan elkaar kan puzzelen. Haar pogingen lijken haar alleen maar meer in verwarring te brengen, maar omdat ze meerdere bezorgde, misschien hier en daar licht geamuseerde, ogen op zich gericht voelt, schudt ze kordaat het hoofd, zegt nog een laatste keer dat het heus gaat, en fietst wiebelig weg.

Omdat het de tweede keer weer een fietser is, en weer op dezelfde plek, denkt hij dat er daar toch echt iets aan de weg moet mankeren. Hij staat steeds vaker en langer bij het raam en houdt alle fietsers die over dat stuk rijden goed in de gaten. Het merendeel van de fietsers rijdt er zonder problemen langs, of ze nu afslaan of niet. Hij concentreert zich op de voorwielen van de fietsen, omdat ook de tweede gevallene een soort van over zijn stuur heen viel, en op zijn hoofd terechtkwam. Maar hij kan niets ontdekken.

De derde keer dat het gebeurt is het een voetganger. Omdat er tegelijkertijd ook een fietser langsreed waar hij zich op concentreerde, schieten zijn ogen een moment te laat naar de man die plat op zijn gezicht ligt. Al even ontredderd als zijn twee voorgangers slaat hij helpende handen af. Het gaat, ja het gaat. Nee, niks aan de hand. Hij staat alweer en deinst een stukje achteruit als een jonge knul zijn jas afklopt. Hij kijkt onthutst om zich heen, naar zijn voeten, naar de stoep, maar ook hij lijkt niet te kunnen bevatten waarom of hoe hij in zo’n gecompromitteerde positie terecht kon komen.

Er vallen die week nog twee voetgangers, een fietser, en een jongen op een elektrische step. Hij spendeert nu zowat de hele dag voor het raam, waar hij zich ‘s ochtends installeert, koffie drinkt en zonder te kijken naar een pak crackers achter hem op tafel grijpt. Hij weet niet waarom hij zich zo aangetrokken voelt tot de vreemde valpartijen. Misschien heeft het iets te maken met het feit dat als hij zelf zo’n smakker zou maken, hij dat waarschijnlijk niet zou overleven. Hij loopt al het risico op een botbreuk als hij ergens per ongeluk tegenaan stoot. Als hij zo met zijn hoofd op de stenen zou klappen, zou zijn schedel verbrijzelen.

Stiekem hoopt hij op voetgangers, omdat die tuimelingen het meest wonderlijk zijn.

Soms gebeurt er dagenlang niets en staat hij voor niets te staren, maar hij heeft alle tijd en zijn geduld wordt altijd beloond. Stiekem hoopt hij op voetgangers, omdat die tuimelingen het meest wonderlijk zijn. Telkens wanneer er weer iemand onderuitgaat maakt zijn maag een opgewonden sprongetje en heeft hij steeds sterker het gevoel getuige te zijn van iets wezenlijks. Nog steeds lijkt er geen enkele oorzaak voor het vallen te zijn. Het ene moment wandelt iemand onbekommerd over de stoep, het volgende moment zijn ze gevallen. Het lijkt wel alsof ze door een reusachtige, onzichtbare hand worden opgetild, ondersteboven gedraaid, en losgelaten. Maar dan wel zo snel dat het voor het blote oog onzichtbaar is. Steeds weer krabbelen de mensen zelfstandig overeind. Ja, ja, het gaat. zeggen ze terwijl ze hun bloedneuzen dichtknijpen. De omstanders vragen het nooit meer dan twee keer. Dan wendden ze zich af van de onfortuinlijken, die zo overduidelijk geen ogen op zich gericht willen hebben.

Hij leest op hun gezichten die eigenaardige combinatie van schaamte en irritatie, nee, kwaadheid zelfs, emoties die vaak worden opgewekt door het onverklaarbare. Terwijl ze om zich heen kijken in een poging om grip op de situatie te krijgen, beseffen ze al snel met een pijnlijke steek dat ze de controle niet zullen herwinnen. Ze weten niet of ze zichzelf de schuld moeten geven, of dat er iemand of iets is wat ze op deze onverkropbare manier uit evenwicht heeft gebracht. De meesten van hen zullen er niemand over vertellen. Want ze kunnen zich al voorstellen hoe die gesprekken zullen gaan: ik liep daar en toen, ja toen viel ik gewoon. Maar waarom dan? Ik heb geen idee.

Het zou een anticlimactische anekdote worden, die zou worden beantwoord met een schampere, halve glimlach. Een toegeeflijk schouderklopje. Sufferd. Gekkie. Voorzichtig doen hoor. Het zou allemaal niet zoveel voor lijken te stellen, voor de toehoorder. En dat zou pijn doen, dat zou vervreemden. Want het stelde wel degelijk iets voor. Dat voelen de mensen die zijn gevallen in hun kern, terwijl ze koppig hun weg vervolgen, en hun onverwacht opkomende tranen proberen weg te slikken. Hoezeer ze het voorval ook proberen te vergeten, ze zullen het onthouden. Ze zullen er stuk voor stuk op hun sterfbed nog aan denken, en zich dan dwaas voelen, omdat ze in die laatste momenten aan zoiets triviaals terugdenken, omdat ze er nog steeds overstuur van raken.

Op een middag gaat er een man met een driepoot wandelstok onderuit. Hij ziet de oude heer op de stoep klappen en betrapt zichzelf op de gedachte: wreed. Meteen daarna vraagt hij zich af wie of wat er dan wreed is. Onbewust is hij zich bij het fenomeen toch een entiteit voor gaan stellen, een iets dat iets doet, dat bepaalde individuen ergens voor uitkiest.

Omdat hij met een stok loopt, moet de man meer moeite doen om de tergend goedbedoelde hulp van omstanders af te weren. Het gaat best, zegt hij met klem terwijl hij zijn arm losrukt uit de greep van de vrouw die hem overeind heeft getrokken, wat hem zo aan het wankelen brengt dat hij weer op zijn kont valt. Vanaf de grond zwaait hij dreigend met zijn stok naar de mensen die zich over hem heen buigen. Laat me met rust! Zijn stem slaat over. De mensen deinzen achteruit en vervolgen snel, afkeurend, beschaamd, hun weg. De man blijft in zijn eentje achter. Zijn kin bloedt. Hij probeert overeind te komen, hij trekt een verkrampt gezicht terwijl hij zich eerst half op zijn zij draait, zich uit alle macht vastklampend aan zijn driepoot. Zijn oude handen zijn paars van de inspanning. Hij krijgt het voor elkaar om een van zijn voeten op de grond te zetten, dan lijkt hij uit te moeten rusten. Met zijn andere been nog geknield ziet hij eruit alsof hij iemand ten huwelijk zal vragen. Hij kijkt naar de grond, een geruïneerde blik in zijn ogen. Dan richt de man zijn blik opeens naar boven, op hem, achter het raam. Hij schrikt. Zijn gezicht wordt heet onder dit plotselinge gezien worden. De man op straat kijkt hem recht in de ogen met een blik zo vol haat dat hij weg moet kijken. Maar het is te laat, hij is gezien. Zijn hart bonkt in zijn keel terwijl de man op straat naar hem begint te wijzen en schreeuwen. Hij struikelt achteruit in zijn keuken, probeert zijn koffiekopje op tafel te zetten, maar het valt om en een restje koude koffie verspreidt zich willoos over de tafel. Hij trekt zich als een spook terug in zijn donkere slaapkamer aan de achterkant van het appartement, maar hij hoort de man nog steeds schreeuwen. Het sterft pas na lange tijd weg, ook dan komt hij zijn slaapkamer niet uit. Hij doet de lichten niet aan wanneer het donker wordt.

De volgende ochtend gaat hij niet de keuken in, hij vermijdt zelfs om een blik op de openstaande deur te werpen. Hij trekt zijn schoenen aan in het halletje, zijn voeten voelen er niet in thuis, daar draagt hij ze te weinig voor. Hij staat een moment met de helm in zijn handen, die draagt hij altijd als hij de deur uit gaat, meestal voor een ziekenhuisbezoek. Dan staat er altijd een taxi voor de deur te wachten. Hij legt de helm terug op de hoedenplank, en ook zijn dik gewatteerde jas laat hij hangen.

De ochtendlucht voelt koud en klam op zijn huid. Er hangt mist in de straat. De mensen in de ochtendspits hebben hun fietslichten nog aan: gele, zachte stralen in de mist. Hij staat nog op de drempel van zijn huis, zijn rug tegen de dichte deur. Er staat geen taxi. Hij kijkt naar links, naar de T-splitsing. Vanaf hier, op de grond, ziet het er allemaal veel groter uit dan van boven, en voelt hij zich klein. Hij stapt de stoep op, een vrouw met een hondje loopt voor hem langs. Hij kijkt goed naar links en rechts en wacht lang tot hij de straat oversteekt, met zijn kleine voeten op het asfalt. Hij is bang dat hij zal flauwvallen. Eenmaal overgestoken gaat hij links, naar de T-splitsing. Het gebeurt niet iedereen, houdt hij zichzelf voor. Hij durft niet naar zijn voeten te kijken terwijl hij loopt, hij wordt gepasseerd door iemand met haast, hij voelt de lucht die er snel voor moet wijken. De passant valt niet, hij loopt ongehinderd door en vervaagt in de mist. Nu loopt hij zelf langs de afslag naar rechts, er gebeurt niets. Hij loopt nog een eindje verder, dan draait hij zich om en loopt, zijn vuisten onwillekeurig gebald, terug. Weer richting de afslag, links nu.

Eenmaal overgestoken gaat hij links, naar de T-splitsing. Het gebeurt niet iedereen, houdt hij zichzelf voor.

Hij weet dat als hij nu rechts omhoog kijkt, hij zijn keukenraam zal kunnen zien, zijn lege, donkere keuken. Hij durft het niet, en dan gebeurt het toch, zijn ogen trekken als vanzelf naar het in mist gehulde raam. Hij denkt even dat hij een silhouet ziet staan maar voor hij er goed naar kan kijken wordt hij afschuwelijk snel opgetild, omgedraaid. Hij hangt ondersteboven, twee meter boven de grond. Omstanders wijzen en roepen naar hem, naar hoe hij daar hangt, bevroren in de tijd. Hoe lang? Hij kan niet gillen. Tranen stromen uit zijn ooghoeken, over zijn voorhoofd zijn haargrens in. Hij kan zich niet bewegen, hij kan alleen maar kijken naar de mensen, van gezicht naar gezicht. Dan begint hij te vallen. Niet omlaag, maar de lucht in. Naar boven. Hij valt geluidloos en al snel is de straat klein als speelgoed. De mensen zwarte, kleine torren. Zijn gezichtsuitdrukking bevriest in de kou. Voor wie hem zag vallen is hij al opgeslokt door de mist.

Over de illustrator Tonke Koppelaar

Tonke Koppelaar is een illustrator en animator uit Utrecht en studeerde in 2020 af aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Ze maakt animaties voor o.a. VPRO en HUMAN, zoals de kinder-docuserie ‘Zo Dood als een Pier’. Als illustrator won ze de Lemniscaat Picture This wedstrijd, en werkte ze voor o.a. uitgeverij Loopvis, NRC, Nationaal comité 4&5 mei, Natuurmonumenten, Rijkswaterstaat, Nederlands Dagblad, ILFU, Marnix academie, Blendleren en Hard//Hoofd. In 2024 kwam ‘Lekker eigenwijs in mijn creatieve stad' uit, een volledig door Tonke geillustreerd doe-en-denkboek voor alle kinderen in Utrecht.

lees meer over Tonke