En, Edgar, ik vertelde mijn tantes over het keerpunt. Hoe op de avond van de uitverkochte première, na veertig dagen vlekkeloze repetitie, de projectie van jouw godenhoofd op het doek verstoord werd door een zandlopertje. Hoe mijn zilveren sieraden stuk voor stuk op de meest onlogische manieren braken in de dagen voor mijn boektour in Suriname. Hoe de wifi uitviel op het moment dat ik je naam noemde tijdens de podcastopname over jouw literaire legacy. Hoe ik de volgende dag werd gebeld met het nieuws dat de audio van mijn open brief aan jou bestond uit witte ruis. Ik vertel mijn tantes hoe ik dit allemaal grappend a series of peculiar incidents noemde, totdat de lijst van incidenten te lang en specifiek werd om nog op toeval te berusten.
Edgar, je moet begrijpen: mijn tantes zijn mijn moeder vermenigvuldigd. Al haar meest eigenaardige eigenschappen, uitvergroot en verdeeld over een zestal hoofden. Dat gaat niet altijd lekker samen, ze botsen en ze schuren, maar hier waren ze het allemaal roerend over eens: ‘Je mag dan wel met je voorstelling over land en zee toeren, maar je moet met Edgar praten, je moet hem toestemming vragen, dat is hoe wij dingen doen, dat weet je. Hij probeert je duidelijk iets te zeggen, en als je niet luistert, zal je moeten ondervinden.’
Gelijk hadden ze, Edgar. Ik heb je nooit gevraagd of je mijn vader wilde zijn, ik doopte je gewoon tot Vader Shapeshifter alsof het mijn recht was, en nu staat er een portaal open naar een godenrijk waarvan ik zou willen dat het niet bestond.
Mijn tantes gaven mij een boodschappenlijstje: floridawater, pompeïa, blauwsel en een stonbatrafles jenever. In de achtertuin van mijn moeders blauwe huis waste ik mij met het blauwe mengsel, ik schonk het over het gras en de schelpen en de naakte grond van ons geboorteland en dronk volgens instructie van de pure jenever terwijl ik mij tot jou richtte. Op het moment dat ik voelde dat mijn woorden op waren, klom de zon vanachter het huis van de buren. Ik verwelkomde het als een teken van jou, Edgar, dat ik genoeg had gedaan. Maar mijn tantes adviseerden mij om uit te zoeken waar je hebt gewoond, zodat ik, zoals ik heb verzonnen in mijn voorstelling, bij jou op bezoek kon gaan, een soort bedevaart. Dat is hoe ik eerder deze avond belandde aan de Vrolikstraat te Amsterdam, een knus smal straatje met een speeltuintje in het midden en een paar bankjes voor de deur. Onder de sluier van de avond haalde ik de rituele ingrediënten uit mijn totebag, waste mijn handen en mijn nek blauw, en dronk van de jenever terwijl ik mij opnieuw tot jou richtte. Ik wachtte op een teken en moet er een uur of twee hebben gezeten, toen een fronsende vrouw vanachter het gordijn riep: ‘Ik heb al gebeld hoor, ze komen eraan!’ Denkende dat ze het tegen een ander had, keek ik over mijn schouder en zag mijn reflectie in de spiegelfolie van de woningen aan de overkant: zwarte man, begin dertig, op een draaitoestel met een fles jenever in de hand. Ik bleef kalm en zwaaide vriendelijk, maar toen ik eenmaal het hoekje om was, begon ik toch te rennen. God weet hoe ik dit verhaal zou verkopen aan de politie.