Pennenzoon - het verhaal van de maand april

Er gaat van alles mis: projecties die haperen, sieraden die breken, audio die oplost in witte ruis. Als hij bijgeloviger was zou hij misschien eerder de tekens hebben gezien. Maar op een avond worden de tekens te veel en te specifiek om nog te negeren, en drijven ze hem het Oosterpark in, naar een brug waar iemand op hem staat te wachten die hij zelf tot leven heeft geroepen.

Thema

Actuele Fictie

Tags

Fictie van de maand Kort verhaal
beeld: Frann de Bruin

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Pennenzoon

A different kind of beast

Het Oosterpark is een onderzeese grot, haar bomen zijn een golvend zeewierbos, haar ratten kluizenaarskreeften met yoghurtpotjes op hun rug. Jenever is sterke shit. De nachtlucht prikt in mijn oren en met elke stap trap ik nieuwe kronkels in het pad, maar ik moet dieper duiken om er zeker van te zijn dat ik niet word gevolgd. In het hart van het park leun ik tegen een bronzen bok aan om op adem te komen, maar de vacht is glibberig en de jongen die er bovenop zit kijkt raar uit zijn metalen oogjes. Ik strompel verder over de kronkels en voel de flesjes in mijn totebag koud klotsen tegen mijn rug. Het zeewierbos sluit zich langzaam om me heen tot ik mijn schaduw niet meer van mijn lijf kan onderscheiden. 

De wind draagt een bittere wietlucht; het kriebelt in mijn neus. In dit park zitten er altijd mannetjes tussen de struiken, als vissen tussen het koraal, azend op sigaretten en centen. Als ze je al in het daglicht tegen de schouder stoten en voor de voeten spugen, wil ik niet weten hoe brutaal ze kunnen worden op dit uur. Ik hou mijn hoofd omlaag en loop tot ik het maanlicht zie weerkaatsen op het pad, op mijn witte veters, op het water dat het park verdeelt in noord en zuid, en op de zwarte brug, waar jij op mij staat te wachten. 

Ik weet dat je mij de afgelopen dagen hebt gevolgd. Ik voelde je blik jeuken in mijn rug, maar durfde niet achterom te kijken. 'Ik denk niet dat het een kwaadaardige man was,' zei mijn moeder toen ik haar belde, ‘hoe dan ook zou ik hem niet negeren. Je kunt je rug beter niet keren naar een roofdier.’ Ik wist niet of ze het nu beter of erger had gemaakt, maar ik besloot dat ik liever voorbereid wilde zijn op jouw mogelijke openbaring. Ik beeldde onze ontmoeting in als de worst-case scenario. Ik had gedacht dat angst als hete olie over mijn ruggengraat zou lopen en ik mijn zure maag op mijn tong zou proeven. Maar nu onze werelden zich versmelten, kan ik alleen dom lachen. Uit opluchting, dat ik niet gek ben, uit vermoeidheid, na alles wat ik moest doen om hier te komen, en ergens ook uit schaamte. Mijn roemzuchtige brein is verslaafd aan mijn toetsenbord, dus, dat je het alvast weet, onze ontmoeting zal een papieren podium krijgen, kijk, ik kan er niks aan doen, de openingszin schrijft zichzelf: ‘Een jonge Surinaamse schrijver en zijn dode geestesvader ontmoeten elkaar in het Oosterpark.’ 

Edgar. Het portaal naar het godenrijk staat open, dus ik noem je bij de naam, om er zeker van te zijn dat er geen andere dode schrijvers zorgen voor ruis op de lijn. Anil, Leo, Bea, een variatie op Club 27, maar dan een opmerkelijke orde van Surinaamse schrijvers die tot waanzin zijn gedreven door de wereld. Jij bent vast niet de enige die onaffe strofes achterliet, dus ik kan beter zorgvuldig en voorzichtig zijn. ‘Edgar,’ zeg ik, ‘Edgar Eduard Cairo.’ Je houdt je ogen op het water en knikt, dus ik loop naar je toe en leg mijn handen naast de jouwe op de zwarte brugleuning. 

Edgar. Het portaal naar het godenrijk staat open, dus ik noem je bij de naam, om er zeker van te zijn dat er geen andere dode schrijvers zorgen voor ruis op de lijn.

Ik dacht dat je jezelf zou tonen zoals je vroeger was. Een knappe zwarte man, sterke kaak, volle baard, maar je staat naast me als de bolwangige grijsaard die hier om de hoek aan de Vrolikstraat woonde, daar waar jij je laatste herfstdagen doorbracht en waar ze jouw lege lichaam in het jaar 2000 vonden. Je kijkt me zijdelings aan met waterige oogjes vol verwondering. Je spert je neusvleugels om diep in en uit te ademen. Je opent en sluit je vuisten, wiebelt met je vingers en brengt je palmen bij elkaar, als een kind dat net zijn handjes ontdekt. Je voelt dat ik iets wil zeggen en brengt je wijsvinger voorzichtig naar je getuite lippen om vervolgens zacht te sissen. Ik spiegel je terwijl je verder over de brugleuning hangt. Je kijkt met grote ogen naar de reflectie van het maanlicht op het water alsof het een spannende film is, maar ik kan mijn ogen niet van je afhouden. Jouw openbaring aan mij is een cadeau van de voorouderwereld, een kans om iets goed te maken.

‘Het is geen kwestie van geloven of niet geloven,’ zeiden mijn tantes, ‘Suriname is wat dat betreft a different kind of beast.’ Edgar, ik vertelde mijn bonusmoeders over mijn voorstelling en over de zwijgzame godenrol die ik jou daarin toekende. Ik vertelde ze hoe ik voor jou een altaar bouwde in het theater, omdat ik je geloofde toen je schreef dat je de Tweede Zwarte Zoon van God in Tweeduizend Jaar was. Ik vertelde mijn tantes hoe ik jouw teksten verhief tot het goede woord, dat ik prekend tot het publiek zou brengen. Ik vertelde mijn tantes hoe ik mezelf doopte tot de zoon die jouw pen heeft gebaard, en hoe ik mij een uitverkoren tijdreiziger waande, net als jij, belast met een tolkentaak. Ik vertelde mijn tantes hoe ik elk parallel tussen onze levens heb uitvergroot voor ultiem dramatisch effect. Ik vertelde mijn tantes hoe ik jouw verhaal heb gebruikt, als voertuig om te komen waar ik dacht dat ik moest komen, en ik vertelde ze hoe ik mezelf ook tot god kroonde.

Ik vertelde mijn tantes hoe ik mezelf doopte tot de zoon die jouw pen heeft gebaard, en hoe ik mij een uitverkoren tijdreiziger waande, net als jij, belast met een tolkentaak.

En, Edgar, ik vertelde mijn tantes over het keerpunt. Hoe op de avond van de uitverkochte première, na veertig dagen vlekkeloze repetitie, de projectie van jouw godenhoofd op het doek verstoord werd door een zandlopertje. Hoe mijn zilveren sieraden stuk voor stuk op de meest onlogische manieren braken in de dagen voor mijn boektour in Suriname. Hoe de wifi uitviel op het moment dat ik je naam noemde tijdens de podcastopname over jouw literaire legacy. Hoe ik de volgende dag werd gebeld met het nieuws dat de audio van mijn open brief aan jou bestond uit witte ruis. Ik vertel mijn tantes hoe ik dit allemaal grappend a series of peculiar incidents noemde, totdat de lijst van incidenten te lang en specifiek werd om nog op toeval te berusten.

Edgar, je moet begrijpen: mijn tantes zijn mijn moeder vermenigvuldigd. Al haar meest eigenaardige eigenschappen, uitvergroot en verdeeld over een zestal hoofden. Dat gaat niet altijd lekker samen, ze botsen en ze schuren, maar hier waren ze het allemaal roerend over eens: ‘Je mag dan wel met je voorstelling over land en zee toeren, maar je moet met Edgar praten, je moet hem toestemming vragen, dat is hoe wij dingen doen, dat weet je. Hij probeert je duidelijk iets te zeggen, en als je niet luistert, zal je moeten ondervinden.’ 

Gelijk hadden ze, Edgar. Ik heb je nooit gevraagd of je mijn vader wilde zijn, ik doopte je gewoon tot Vader Shapeshifter alsof het mijn recht was, en nu staat er een portaal open naar een godenrijk waarvan ik zou willen dat het niet bestond. 

Mijn tantes gaven mij een boodschappenlijstje: floridawater, pompeïa, blauwsel en een stonbatrafles jenever. In de achtertuin van mijn moeders blauwe huis waste ik mij met het blauwe mengsel, ik schonk het over het gras en de schelpen en de naakte grond van ons geboorteland en dronk volgens instructie van de pure jenever terwijl ik mij tot jou richtte. Op het moment dat ik voelde dat mijn woorden op waren, klom de zon vanachter het huis van de buren. Ik verwelkomde het als een teken van jou, Edgar, dat ik genoeg had gedaan. Maar mijn tantes adviseerden mij om uit te zoeken waar je hebt gewoond, zodat ik, zoals ik heb verzonnen in mijn voorstelling, bij jou op bezoek kon gaan, een soort bedevaart. Dat is hoe ik eerder deze avond belandde aan de Vrolikstraat te Amsterdam, een knus smal straatje met een speeltuintje in het midden en een paar bankjes voor de deur. Onder de sluier van de avond haalde ik de rituele ingrediënten uit mijn totebag, waste mijn handen en mijn nek blauw, en dronk van de jenever terwijl ik mij opnieuw tot jou richtte. Ik wachtte op een teken en moet er een uur of twee hebben gezeten, toen een fronsende vrouw vanachter het gordijn riep: ‘Ik heb al gebeld hoor, ze komen eraan!’ Denkende dat ze het tegen een ander had, keek ik over mijn schouder en zag mijn reflectie in de spiegelfolie van de woningen aan de overkant: zwarte man, begin dertig, op een draaitoestel met een fles jenever in de hand. Ik bleef kalm en zwaaide vriendelijk, maar toen ik eenmaal het hoekje om was, begon ik toch te rennen. God weet hoe ik dit verhaal zou verkopen aan de politie. 

Ik vraag me af of er iemand in jouw laatste dagen van je lijf en lippen heeft geproefd. Ik vraag me af of je in het godenrijk een liefje hebt en in welke vorm hij je kent.

Edgar, ik weet niet hoelang we al samen op deze brug in het Oosterpark staan, maar je staart nog steeds naar het water en ik nog steeds naar jou. Het maanlicht is blauw op je huid, en ook al is je gezicht getekend door een onstuimig leven, kan ik nog steeds de sporen van je schoonheid zien. Ik vraag me af of er iemand in jouw laatste dagen van je lijf en lippen heeft geproefd. Ik vraag me af of je in het godenrijk een liefje hebt en in welke vorm hij je kent. Ik dwaal af naar scènes van godenorgies met dode grootheden, maar dwing mezelf terug naar dit park met de gedachte dat jij niet voor niets bent gekomen. Ik weet dat ik vergiffenis moet vragen voor alle manieren waarop ik jouw naam en verhaal heb toegeëigend. Dit is het moment om toestemming te vragen om jouw werk de toekomst in te mogen dragen, zonder al de ruis vanuit het hiernamaals. 

Ik leg mijn hand voorzichtig op jouw schouder, maar je deinst achteruit en slaakt een kreet die door het park galmt. Voor het eerst op deze avond verkrampen mijn spieren en breekt het zweet me uit. Met mijn hartslag in mijn oren zie ik hoe je je beide vuisten de lucht in gooit en een dansje doet. Je ziet mijn verwarde blik en gebaart wild naar het water. Wanneer ik over de brugrand kijk zie ik het ook: twee knipperende lampjes op een kistje op de bodem van de vijver, het water bruist alsof het object zojuist de hemel uit is gevallen.  

Je wijst naar het knipperende kistje, vouwt je handen in een woordeloze smeekbede, en ik durf niet te weigeren, dus ik spring de vijver in. Het water stinkt naar oude bloemkool en mijn sokken zakken weg in de modder wanneer ik het knipperende object uit het water vis. Je kijkt haast kwispelend toe en nog voor ik op het droge sta, gris je het kistje uit mijn handen om het boven je hoofd te houden en open te breken tegen een steen. Papier overal, ik help je verzamelen, en kom naast je zitten om het allemaal op te stapelen. Dante in Motionaeii, De Jezus Passion, Hoogtezang, Het Testament van Eer, allemaal titels en teksten op verkleurde velletjes, sommigen losgescheurd, anderen klevend aan elkaar, geschreven in het hoog Cairojaans, die zelfontwikkelde alsmaarveranderende taal van je. Op een paar zinnen na kan ik het niet ontcijferen, maar jij bladert en lacht en bladert en gromt en bladert en zucht en bladert en spreekt voor het eerst sinds onze ontmoeting. ‘Luister goed, mi boi,’ zeg je moeizaam, alsof je tong en lippen het praten verleerd zijn, ‘dat je dit niet kan lezen is logisch, ik heb het ook niet voor jou geschreven.’ Je zwaait met je vinger voor mijn neus, knijpt je ogen samen en fluistert haast: ‘Sommige dingen hoef je niet te weten.’ Edgar, je pakt een velletje van de grond en propt het in je mond. Je kauwt en je slikt, je kauwt en je slikt, je kauwt en je slikt, en zo eet je je eigen woorden van de grond alsof je wil zeggen: tot hier en niet verder, pennenzoon, het is klaar.