Hij ging zitten aan de eettafel. De woonkamer was verduisterd. Als de stoet geen lichtje zag, zou er misschien niet worden aangebeld.
Hij speelde met een elastiekje. Misschien was hij toch liever met ze meegegaan, eigenlijk. Ze had hem meegevraagd, hij had nee gezegd, zodat het kind dat niet hoefde te doen.
Een auto kwam voorbij. Witte koplampen. Hij werd scherp uitgelicht, een reflectie in een fotolijst, hij werd geëlektrocuteerd. Hij kon het nog allemaal anders doen. Opnieuw beginnen. Een jonge vrouw zoeken, kinderloos. Iemand die ook nog niet wist wat familie betekende. Samen zoeken. Het moment ging voorbij, het was weer donker.
Er werd aan de ouderwetse bel geklingeld. Hij besloot het te negeren. Nogmaals geklingel. Gestommel rondom de voordeur. Moeizaam kwam hij overeind. Haalde de deur van het slot. De kille buitenlucht. Polyfone, onvaste kinderstemmen, 11 november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje. Tussen hen: een jochie van misschien vijf jaar oud, zwart haar, anemisch gezicht. De jongen bewoog zijn lippen maar bracht nauwelijks geluid voort, hopend dat het niemand opviel dat zijn oudere broers het werk deden.
Hij bood ze de mand aan, ze grabbelden met hun kindervuist.
Half zeven. Weer die klingel. 11 november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje.
Vijf minuten later opnieuw. 11 november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje. Hij deed iets onhandigs, met de mand tikte hij de jenga-doos omver, de stenen schoven over de vloer. Nee, hij ruimde het niet op. Straks kwam hij zijn eigen naam nog tegen.
Hij deed het licht in de woonkamer aan. Ja, dit was toch beter. Hij wachtte tot de volgende klingel.
In een uur tijd kwamen ruim twintig kinderen langs. Allemaal zagen ze hem als iemand die hier nu eenmaal woonde, in dit familiehuis. Misschien kon hij dat zijn, als hij het echt wilde.
Hij keek naar de mand en begon zich zorgen te maken; als dit tempo aanbleef, zou het snoep binnenkort op zijn. Wat dan? Straks kwam er een kind langs dat hij zou moeten teleurstellen. Hij zou het proberen te waarschuwen, tevergeefs, het zong al, uit volle borst. 11 november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje. Angstig bleef hij zitten, aan de eettafel, in die stille woonkamer.
Om half acht werd er weer geklingeld. De mand was bijna leeg.
Traag opende hij de deur. Zeker acht kinderen, omringd door hun ouders. Zij stond erbij. Haar zoontje, vooraan, zong het luidst. Voor wie zongen ze? Voor hem, voor elkaar, voor het snoep? Het zoontje pakte de laatste twee chocolademunten, uit de voorraad van zijn eigen thuis. De roedel trok verder. Ze kwam naar hem toe en kuste hem opnieuw op zijn wang. ‘Tot zo.’
Een halfuur later legde het kind de buit op tafel. Veel repen. Pepernoten. Twee chocolademunten, speciaal voor hem, mierzoete melkchocolade. ‘Zoals je wilde,’ zei het kind enthousiast.
‘Inderdaad,’ antwoordde hij. ‘Perfect.’
Ze ruimde de jengastenen op, het kind kraaide dat hij niks had gedaan.
Hij schonk een bodempje wodka voor zichzelf in. Vanaf de trap luisterde hij hoe zij het kind naar bed bracht. Het slaapliedje, de laatste gedachten over de dag, er vloeiden nog wat tranen, niet van verdriet.
Even later lagen ze samen in bed. Hij verdween onder de dekens. Het was een lange dag geweest. Ze rook een beetje naar zweet, ze proefde zout.
Nadien legde ze haar hoofd op zijn borst. Zo sliep ze het best, zonder pilletjes, zonder wat dan ook.
De volgende ochtend, aan de ontbijttafel, vertelde hij een anekdote die hij ergens had gelezen en had genoteerd in zijn telefoon, dat dinosauruspoppetjes uit hetzelfde materiaal bestonden als dinosaurussen zelf. De dinosaurussen waren gestorven, hun huid en botten waren ingeklonken tot olie, en van die olie was plastic gemaakt. Het kind keek hem verbouwereerd aan, dit besef kon hij nauwelijks aan, het was te groot, alles schudde. Van zijn moeder mocht hij een mueslireep mee naar school, onttrokken aan de buit.
‘Zeg je nog even gedag?’ Ze keek haar kind aan en knikte zijn richting op.
Hij weet nog altijd niet of het kind, was het nergens toe aangemoedigd, uit zichzelf gedag zou hebben gezegd.