Dat mijn lichtje, dat mijn lichtje - een verhaal van Daan Heerma van Voss

Dit Verhaal van de Maand is exclusief toegankelijk voor ILFU Members. 'Ze had hem meegevraagd, hij had nee gezegd, zodat het kind dat niet hoefde te doen.' Naast momenten van verbondenheid en tederheid zijn de feestdagen ook de ultieme test voor (nieuwe) gezinnen. In dit verhaal verbeeldt Daan Heerma van Voss feilloos de ongemakken van de feestdagen: nieuwe liefdes, onomwonden kinderen en hufterige exen.

Daan Heerma van Voss

28-11-25

8 min

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Dat mijn lichtje, dat mijn lichtje

Vanavond zou hij de klootzak zijn. De Scrooge die de deur weigerde open te doen. Of wel, maar tierend en vloekend, scheer je weg. Heerlijk. 11 november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje schijnen mag.

Om kwart voor zes gingen ze van huis, de vrouw en haar zoontje, dat trilde van opwinding. Zijn lampion, op school gemaakt, stelde een dinosaurus voor. Hij was zeven, alles stelde een dinosaurus voor.

'Je weet dat ik ze allemaal wegjaag, hè?’ zei hij nog tegen haar. ‘Dit gaat je al je goodwill in de buurt kosten.’ Ze drukte een kus op zijn wang en voegde zich bij haar kind, dat, een en al ongeduld, aan het ma-hammen was geslagen. Vanuit de beschutting van zijn moeders omhelzing vroeg het kind of hij nog iets wilde. ‘Donkere chocolade,’ antwoordde hij. ‘Zo donker mogelijk. Haast zwart.’

Hun contouren vervaagden. Het schemerde. De mist van vanmiddag was nog niet helemaal weggetrokken. Verderop wiegden de eerste lichtjes van de avond in het bijnaduister. Hij deed de deur niet alleen dicht, maar ook op slot, een handeling zonder enig nut.

Hij liep door de gang. Ze had dit huis zo’n tien jaar geleden gekocht, met haar ex, volgens alle denkbare metrieken een fatsoenlijke man. Alleen had deze de vreemde gewoonte zich elke keer opnieuw aan hem voor te stellen. Was het verstrooidheid, dominantiedrang, een onwil om hem te erkennen? Hij vroeg het haar meermaals, ze lagen in bed, tussen verkreukelde lakens, of ze stond in de badkamer en smeerde haar lange bleke armen in met lotion. Zij wist het ook niet. Drong hij aan, dan herhaalde ze dat ze zo blij was dat de ex en zij eindelijk een goede, vriendschappelijke band hadden. Vrij vertaald: zeur niet zo, geef die vent een hand, desnoods nog een, en desnoods nog een. Geef hem je arm als hij dat van je vraagt.

Omdat hij geen deel uitmaakte van het wervelende leven dat zich hier voltrok, deden zich veel windstille, verstopte momenten voor. Als zij haar kind in bad deed of in bed legde, liep hij rond in dit huis, dat hem des te vreemder voorkwam omdat het ’t toppunt van vanzelfsprekendheid was voor het kind, dat nooit een ander thuis had gekend.

De benedenverdieping had een hoog plafond, de stilte had een eigen klank. Hij woonde in een ander deel van de stad, een strakke verdieping, makkelijk schoon te houden, het plafond was iets te laag en de huur iets te hoog. Aan zijn muur: prenten van kunstenaars, hij hield van kubisten, zonder enig idee waarom. Aan haar muur hingen vooral familiefoto’s, vakanties in Frankrijk, weilanden en zon. Het kleine leven, dat hem altijd veel te groot had geleken. Elke dag een iets andere opvoering van hetzelfde stuk, elk jaar in reprise. Ze leefden met rituelen, zij en haar zoontje. In het najaar zwaaiden ze de zee uit. In de winter kochten ze samen twee nieuwe wollen truien. Als de blauweregen weer tot leven was gekomen, gingen ze samen uit eten. Hijzelf – 48 jaar oud – had geen kinderen. Nooit gewild, of niet graag genoeg, zei hij tegen vrienden. Misschien te graag, zei hij tegen haar. Het was allebei waar geweest, op verschillende momenten in zijn leven. Hij hield van rituelen. Maar rituelen die je in je eentje eerbiedigt, heten gewoontes. Ze had snoep gekocht en een mand klaargezet op de keukentafel. Een vriendelijk, licht infantiliserend gebaar. Het enige wat hij hoefde te doen, was de deur openen.

Omdat hij geen deel uitmaakte van het wervelende leven dat zich hier voltrok, deden zich veel windstille, verstopte momenten voor. Als zij haar kind in bad deed of in bed legde, liep hij rond in dit huis, dat hem des te vreemder voorkwam omdat het ’t toppunt van vanzelfsprekendheid was voor het kind, dat nooit een ander thuis had gekend. Als een kunstliefhebber in een galerie, zo liep hij rond. Soms betrapte ze hem en voorzag ze de objecten van context, een volleerd galerist: op die foto waren we in Normandië, dit was zijn eerste tekening, die zomer leerde hij praten. Dan knikte hij. Goh, interessant, wat bijzonder.

Op elke steen van hun jenga-spel had het zoontje de namen geschreven van iedereen die het kende. Je telde pas mee als het kind je had gedoopt. Onlangs had het kind zijn naam opgeschreven, zomaar ineens, met fladderige hanenpoten. Zij was volgeschoten. Hij ook, maar later pas, in stilte, toen zij het kind naar bed bracht. Als nieuwe geliefde had hij enkele voorrechten maar weinig plichten, en nu juist die plichten, daarin school de toegang tot het geluk, meende hij, meende hij sinds hij haar kende.

De kerkklokken sloegen zes uur. Hij had nooit gedacht dat hij een relatie met een moeder zou beginnen. Nee, het ging verder dan dat; hij had zeker geweten dat hij nooit een relatie met een moeder zou beginnen. Zo groot was zijn angst dat hij het niet zou kunnen, de buitenstaander zijn. Wat vreesde hij die verdwaalde, desolate momenten, aan de ontbijttafel of onder het bereiden van een kerstdiner, waarop je ineens werd getroffen door dat vervreemdende, schokkende besef: je maakte deel uit van andermans thuis, maar daarmee was het nog niet het jouwe. Maar hij was voor haar gevallen. Ondanks haar moederschap, dankzij haar moederschap, het deed niet ter zake. Ze was het. Ze had het al gepresteerd. Een kind scheppen, oproepen, en uitduwen, in haar armen nemen. Een kind troosten en terechtwijzen. Slaapliedjes zingen. Ze had zichzelf genoeg vertrouwd om te denken: een kind is veilig bij mij. Ze had het die ene keer gewild en gedaan, met alles wat ze te geven had. Een tweede kind wilde ze niet. Echt niet? probeerde hij soms. Dan glimlachte ze zacht. Die zachtheid zei alles. Er viel niks te bespreken, niks te onderhandelen.

Hij inspecteerde het snoep dat ze had gekocht. Winegums, pepernoten, chocolademunten. Vakwerk. Zou hij worden ontvoerd en in zijn kinderbuurt worden gedropt, dan zou hij nog precies de deur kunnen aanwijzen waar die ouwe, kromgetrokken weduwe woonde, die je met haar takvingers een taaitaaipop aanreikte, of een verschrompelde mandarijn waar de Hugenoten nog om hadden gevochten. Het was een van zijn favoriete avonden van het jaar. Terwijl ze met hun lampionnen door de buurt stommelden, in die warme stoet van vriendjes, leek alles overvloedig, de zak met snoep werd steeds zwaarder. Doodop en schatrijk kwam hij thuis.

In een uur tijd kwamen ruim twintig kinderen langs. Allemaal zagen ze hem als iemand die hier nu eenmaal woonde, in dit familiehuis. Misschien kon hij dat zijn, als hij het echt wilde.


Hij ging zitten aan de eettafel. De woonkamer was verduisterd. Als de stoet geen lichtje zag, zou er misschien niet worden aangebeld.

Hij speelde met een elastiekje. Misschien was hij toch liever met ze meegegaan, eigenlijk. Ze had hem meegevraagd, hij had nee gezegd, zodat het kind dat niet hoefde te doen.

Een auto kwam voorbij. Witte koplampen. Hij werd scherp uitgelicht, een reflectie in een fotolijst, hij werd geëlektrocuteerd. Hij kon het nog allemaal anders doen. Opnieuw beginnen. Een jonge vrouw zoeken, kinderloos. Iemand die ook nog niet wist wat familie betekende. Samen zoeken. Het moment ging voorbij, het was weer donker.

Er werd aan de ouderwetse bel geklingeld. Hij besloot het te negeren. Nogmaals geklingel. Gestommel rondom de voordeur. Moeizaam kwam hij overeind. Haalde de deur van het slot. De kille buitenlucht. Polyfone, onvaste kinderstemmen, 11 november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje. Tussen hen: een jochie van misschien vijf jaar oud, zwart haar, anemisch gezicht. De jongen bewoog zijn lippen maar bracht nauwelijks geluid voort, hopend dat het niemand opviel dat zijn oudere broers het werk deden.

Hij bood ze de mand aan, ze grabbelden met hun kindervuist.

Half zeven. Weer die klingel. 11 november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje.

Vijf minuten later opnieuw. 11 november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje. Hij deed iets onhandigs, met de mand tikte hij de jenga-doos omver, de stenen schoven over de vloer. Nee, hij ruimde het niet op. Straks kwam hij zijn eigen naam nog tegen.

Hij deed het licht in de woonkamer aan. Ja, dit was toch beter. Hij wachtte tot de volgende klingel.

In een uur tijd kwamen ruim twintig kinderen langs. Allemaal zagen ze hem als iemand die hier nu eenmaal woonde, in dit familiehuis. Misschien kon hij dat zijn, als hij het echt wilde.

Hij keek naar de mand en begon zich zorgen te maken; als dit tempo aanbleef, zou het snoep binnenkort op zijn. Wat dan? Straks kwam er een kind langs dat hij zou moeten teleurstellen. Hij zou het proberen te waarschuwen, tevergeefs, het zong al, uit volle borst. 11 november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje. Angstig bleef hij zitten, aan de eettafel, in die stille woonkamer.

Om half acht werd er weer geklingeld. De mand was bijna leeg.

Traag opende hij de deur. Zeker acht kinderen, omringd door hun ouders. Zij stond erbij. Haar zoontje, vooraan, zong het luidst. Voor wie zongen ze? Voor hem, voor elkaar, voor het snoep? Het zoontje pakte de laatste twee chocolademunten, uit de voorraad van zijn eigen thuis. De roedel trok verder. Ze kwam naar hem toe en kuste hem opnieuw op zijn wang. ‘Tot zo.’

Een halfuur later legde het kind de buit op tafel. Veel repen. Pepernoten. Twee chocolademunten, speciaal voor hem, mierzoete melkchocolade. ‘Zoals je wilde,’ zei het kind enthousiast.

‘Inderdaad,’ antwoordde hij. ‘Perfect.’

Ze ruimde de jengastenen op, het kind kraaide dat hij niks had gedaan.

Hij schonk een bodempje wodka voor zichzelf in. Vanaf de trap luisterde hij hoe zij het kind naar bed bracht. Het slaapliedje, de laatste gedachten over de dag, er vloeiden nog wat tranen, niet van verdriet.

Even later lagen ze samen in bed. Hij verdween onder de dekens. Het was een lange dag geweest. Ze rook een beetje naar zweet, ze proefde zout.

Nadien legde ze haar hoofd op zijn borst. Zo sliep ze het best, zonder pilletjes, zonder wat dan ook.

De volgende ochtend, aan de ontbijttafel, vertelde hij een anekdote die hij ergens had gelezen en had genoteerd in zijn telefoon, dat dinosauruspoppetjes uit hetzelfde materiaal bestonden als dinosaurussen zelf. De dinosaurussen waren gestorven, hun huid en botten waren ingeklonken tot olie, en van die olie was plastic gemaakt. Het kind keek hem verbouwereerd aan, dit besef kon hij nauwelijks aan, het was te groot, alles schudde. Van zijn moeder mocht hij een mueslireep mee naar school, onttrokken aan de buit.

‘Zeg je nog even gedag?’ Ze keek haar kind aan en knikte zijn richting op.

Hij weet nog altijd niet of het kind, was het nergens toe aangemoedigd, uit zichzelf gedag zou hebben gezegd.