Hoe literatuur een voorbeeld kan zijn in onze perfectiedrang
Ik stelde me haar kwijlend op haar hoofdkussen voor, speekselresten in beide hoeken van haar mond, van die doffe ogen – al was ze luttele uren wakker, nog altijd zweefde ze in mijn verbeelding in een delirium tussen slaap en waken. Een opgeblazen gezicht van alle kalmeringsmiddelen die ze tot zich nam. Grauwe huid, ze kwam immers nauwelijks buiten.
Aan haar dacht ik – het hoofdpersonage uit Ottessa Moshfeghs roman Mijn jaar van rust en kalmte – na een gesprek met schrijver en hoogleraar psychologie Liesbeth Woertman over de rol van schoonheidsidealen in de wereld van nu. Ik publiceerde afgelopen maand een essay in boekvorm over hoe ik vind dat schoonheidsnormen onze bewegingsvrijheid en autonomie inperken als een onzichtbaar korset, steeds iets harder aangetrokken door de industrieën die geld verdienen met het creëren van nieuwe probleemgebieden enerzijds, en anderzijds met de mogelijke oplossingen die ze verpakt in een kapitalistisch jasje aandragen. Het resultaat: we leiden massaal aan dezelfde uiterlijke onzekerheden en ontevredenheden, kennen dezelfde onrust van het nooit goed genoeg zijn, en ervaren vaak weinig verbinding met onszelf, onze lichamen, met elkaar en met de wereld waar we allemaal onderdeel van zijn.
Woertman zei in het gesprek: die opgelegde idealen gaan eigenlijk helemaal niet over schoonheid, maar eerder over een bredere maatschappelijke maakbaarheidscultus die samenhangt met optimalisatiedrang. Ze haalde het voorbeeld van kunst aan, en de natuur: daar zijn we toch ook helemaal niet op zoek naar rimpelloosheid en perfectie?
Dat bleef hangen. Al decennialang benaderen we ons lichaam massaal als een project dat alsmaar geperfectioneerd moet worden. Daarmee verliezen we steeds meer vormen en uitingen van menselijkheid: expressie, emotie, feilbaarheid, het zoekende en proberende wat ons, volgens mij, juist mens maakt. In kunstvormen zijn we daar niet naar op zoek – of laat ik voor mezelf spreken: kunst, zo ook literatuur, die te veel binnen de lijntjes kleurt, vind ik oninteressant en raakt me nauwelijks.
Stel je voor: alle personages van alle boeken die geschreven worden zien er hetzelfde uit, komen uit dezelfde milieus, gaan naar dezelfde kroegen en doen hetzelfde werk, bedrijven op eenzelfde manier de liefde, gaan op dezelfde manier dood. Stel je voor dat alle schrijvers en daarmee alle personages dezelfde idealen, wetten, normen volgen als elk ander wezen. Het zijn toch juist de boeken die anders zijn, waar personages anders zijn die je niet kunt wegleggen? Die verhalen zijn spannend, die personages wil je compleet doorgronden.
In Mijn jaar van rust en kalmte slaapt het hoofdpersonage bovenmatig veel. De anti-maakbaarheid zit hem al in de premisse: deze vrouw heeft alles wat een modern mens gelukkig zou moeten maken. Goedgeschoold, met een diploma van Columbia University op zak. Conventioneel aantrekkelijk – haar klaagzieke beste vriendin verzucht steevast hoe jaloers ze is op haar schoonheid. Goed toeven in een begeerlijke buurt in New York, genoeg geld op de bank door een familie-erfenis. En toch wil het hoofdpersonage in slaap worden gehouden, weggehouden worden van de grote, boze wereld. Later in het verhaal wordt duidelijk wat hier mogelijk aan ten grondslag ligt: een complex rouwproces dat ze uit de weg gaat na het overlijden van haar moeder, met wie ze een moeizame relatie had. Ik las de roman als een aanklacht tegen hyperperformativiteit, tegen het altijd aan moeten staan en de diepe wens om soms een periode gewoon níet mee te doen.
Eenzelfde aanklacht tegen een maatschappelijk benauwend systeem – maar radicaler, fysieker – las ik terug in Han Kangs De Vegetariër. Yeong-hye kan de onmenselijkheid van vlees eten niet langer aan en stopt met eten, stopt ook met zich te schikken naar alle andere normeringen in haar omgeving. Ze wil steeds meer deel worden van de natuur. Ze wil een boom zijn, of in elk geval: niet langer deel van de mensheid die zichzelf en elkaar van alles oplegt en afdwingt. De mensen om haar heen – haar man, haar familie – leggen die transformatie vol oordelen en ongenoegen bloot. In de dromen die beschreven worden, klinkt de stem van Yeong-hye:
In veel literatuur die me aanspreekt staan personages centraal die ervoor kiezen iets niet langer hoog te houden. Die zichzelf en anderen soms smekend toespreken het anders te doen. Mensen die woedend zijn, of wanhopig, of apathisch – omdat het gevoel daaronder nog te groot en te spannend is. En juist daarin zit voor mij verzet. In het eeuwige proberen, trachten dichterbij een kern te komen.
In de maakbaarheidsdrang die ons allemaal vloert – zo op de automatische piloot doorgaan in de hoop sneller, beter, gladgestrekener te raken – ontbreekt precies dat. De wrijving, de vervreemding, de wanhoop die we wél allemaal met ons meedragen maar zelden de ruimte geven. Een mensenleven is nooit rimpelloos. En ik geloof dat we onszelf veel ontzeggen door daar niet opener voor te staan.
Je verliezen in literatuur, het plezier en de herkenning beleven in personages die moeilijk in een mal te duwen zijn – die juist met hun eigenaardigheden iets wezenlijks zeggen over hoe het is om mens te zijn – is een krachtig medicijn tegen die maakbaarheidswaan. Lezen dwingt mij om te vertragen, stil te staan, complexiteit te verdragen. Dat is, zo denk ik, niet los te zien van het soort verzet waar mijn boek over gaat: de verzoening met hoe precair, ongemakkelijk en zwaar het dragen van een mensenlichaam kan zijn. Hoe eng het kan zijn om vaker los te laten – maar ook hoeveel vreugde, ontspanning, verbondenheid en levenslust het kan opleveren.
Het is als mens extreem moeilijk om stappen te zetten die buiten de menigte treden. We blijven kuddedieren, altijd op zoek naar onze roedel, naar houvast. En toch geloof ik hartgrondig dat als we die stappen naar buiten durven te zetten, dat we dan zien wat het oplevert om een pad te bewandelen dat werkelijk van ons is. Misschien iets hobbeliger en minder strak geplaveid. Maar wel het onze. Literatuur kan ons daarin een weg wijzen – niet door antwoorden te geven, maar door steeds opnieuw op zoek te gaan naar de spanning van een rimpelig bestaan.