Recht op terugkeer
Het is een griezelig warme herfst na de laatste vrije zomer en Hestia moet een besluit nemen.
Het trappenhuis galmt terwijl ze de sleutels langs de spijlen laat ratelen. Alle buren behalve één zijn weg. Deur na deur dichtgespijkerd, naamplaatje na naamplaatje eraf geschroefd, woning na woning leeg.
De meeste buren hebben al maanden geleden gecapituleerd. Omdat ze niet durven te weigeren. Omdat ze niet kunnen rekenen. Omdat ze niet begrijpen dat ze genaaid worden.
Wij hopen dat u uw recht op terugkeer opgeeft voor onze genereuze uitkoopregeling.
Genereuze uitkoopregeling? Een fooi zal je bedoelen.
De eerste brief kwam aan het begin van de zomer, en je kunt er donder op zeggen: als ze er in de winter nog zit en hun aanbod doodleuk afwijst, dan komen ze eerst met een knokploeg en rammen ze de flat in één moeite door met hun sloopkogels tegen de grond.
Ze zou een daad moeten stellen. (Maar als ze verstandig is, probeert ze te vertragen en er nog ietsje meer uit te slepen.)
Alleen Hestia en Bento zijn er nog. Ze heeft hem die ochtend nog in zijn eeuwige badjas op de galerij zien staan. Hij is de enige bij wie ze haar tirades nog kwijt kan. Hij roept al maanden dat ze samen naar het zuiden moeten, dat hij solidair is met Hestia en net zo lang op haar wacht tot ze meegaat. Natuurlijk wil zij dat ook. Naar Spanje: zon, strand en democratie! Maar niet met Bento.
Nog geen minuut heeft ze haar voordeur achter zich dichtgetrokken, of er wordt aangeklopt.
‘Ik ben het. Bento.’ Altijd die onnodige aankondiging. ‘Mag ik binnenkomen?’
De herfst is geen goed seizoen voor beslissingen. Zeker deze herfst, waarin de nieuwe werkelijkheid zich definitief aandient. Het is benauwd. In een ander Europees land is een president veroordeeld voor hoogverraad. Bijna heel Europa heeft de doodstraf ingevoerd en sterke mannen verkozen. En het is stil geworden. Eén noodwet en het is gedaan met de hartjes en de discussies. Je kan hooguit nog een ingezonden brief sturen over rotondes of bladblazers. Verder moet je je bek houden.
Ze opent de deur en draait zich meteen weer om. Snel in de stoel voordat hij die inpikt. De Eames is haar kostbaarste bezit, een unicum te midden van dit afgepeigerde interieur. Deze schat stond zomaar in de binnenstad bij het grofvuil en ze was er net zo lang bij blijven staan totdat Bento haar kwam helpen hem naar huis te slepen. En nu denkt hij zeker dat hij er ook een beetje recht op heeft. Zo werkt het niet; het is háár Eames.
Bento komt de woning binnenlopen alsof hij thuis is. Zijn plastic ziekenhuistas onder de arm geklemd.
‘We moeten nog heel even onze poot stijf houden,’ zegt Hestia, ‘dan kunnen we er meer uitslepen.’
Bento geeft geen antwoord, legt een vinger op zijn doorrookte snor.
‘Of ben je al gezwicht?’ vraagt ze. ‘Dan kun je van die 15.000 euro in ieder geval die badjas wel een keer vervangen.’
Hij glimlacht, controleert zijn badstoffen ceintuur en gaat dan zitten op haar doorzakbank, de armen breed over de leuning.
Hestia wil niet zomaar zwichten. Als ze dan toch weg moet, dan wil ze meteen het land uit. Met een grote som geld.
Bento haalt een glimmend apparaat uit zijn ziekenhuistas.
‘Wat een bakbeest,’ zegt Hestia. ‘Waar is je oude?’
‘Dat was een plastic prul.’ Bento zet de sigarettendraaier op de salontafel en aait over het chroom. ‘Dit ding is onverwoestbaar.’
‘Het is een moordwapen.’
Bento schuift het apparaat open, trekt een pakje Samsom tevoorschijn en begint shag in de geul te dwarrelen.
‘Ik heb de ineenstorting van de Sovjet-Unie nog meegemaakt.’ Hij haalt een kartonnen doos met sigarettenhulzen uit zijn tas. ‘Op een dag zei Jeltsin: u bent nu eigenaar van het huis waarin u wakker bent geworden. En ineens was iedereen huizenbezitter.’
‘Altijd nog eerlijker dan hoe het nu gaat.’
Bento plaatst een holle sigaret in de uitsparing en schuift de vloeipapieren mal over de tabak alsof hij een geweer doorlaadt. ‘Je kan tegenstribbelen wat je wilt, maar als de rijen zich sluiten, dan kun je niets meer doen.’
‘Behalve de wapens oppakken,’ zegt Hestia.
‘Of meebewegen. Met de wil van het volk.’
‘Dat klinkt bijna alsof je het meent.’ Hestia steekt haar arm uit naar de sigarettenmaker en trekt het loodzware ding naar zich toe. Het was een idioot idee om te stoppen met roken.
Te lang kijkt hij haar aan. Beschouwt hij zichzelf nu als liefdesmateriaal? Ze heeft een gezicht dat met de jaren normaliseert en ineens zit er blijkbaar iets appetijtelijks in haar gezicht. Wil ze niks van weten.
‘Heb jij niet een verpleegdiploma?’ vraagt Bento.
‘Hoezo?’
‘Ze zoeken nog vrijwilligers voor het toedienen van dodelijke injecties.’
‘Als ik zelf de kandidaat mag uitzoeken, dan doe ik het zo,’ zegt Hestia. ‘Maar dat mag natuurlijk weer niet.’
Bento reageert niet op haar en steekt zijn zelfgedraaide sigaret op.
De atmosfeer is drukkend, en het gaat maar niet regenen. Dag op dag de warmste oktoberdag ooit. Op televisie gaat het alleen nog maar over het volk en over het weer. Wat is de luchtvochtigheid? Wat is het dauwpunt? Zou het vandaag of morgen dan eindelijk gaan regenen? De kelders mogen van ons wel weer vollopen. Als het maar gaat regenen.
Het weer heeft zich in haar keel genesteld. De straten zijn nog nooit zo leeg geweest. Stoffig schoon. Doffe prullenbakken, opgepoetste auto’s, aangelijnde robothonden. Waar zijn alle zwervers eigenlijk gebleven? Die veroordeelde president heeft het geluk dat hij weet waar zijn bed staat, tot hij ter dood wordt gebracht.
‘Je hebt nog niks ingepakt, Hestia,’ zegt Bento.
‘Pas als ik een beslissing heb gemaakt.’
‘Je moet sowieso je huis uit.’
Hestia is woedend op zichzelf. Dat ze niemand meer heeft. Dat ze het zo ver heeft laten komen met deze man.
‘Mijn aanbod blijft staan,’ zegt hij. ‘Je kunt met mij mee naar het buitenland, ik help je met alles.’
Kijk hem daar nou zitten. Met zijn grijze hoofdkrans en zijn smerige badjas en zijn kromgetrokken slippers.
‘Ik douche niet, maar ik was me iedere dag aan de wastafel.’
Waar komt dat nou ineens vandaan?
‘Oksels, kruis en voeten. Ik klop ook alles uit. Het beddengoed, de badjas, de handdoeken. Al die mensen die zich iedere dag inzepen maar niks uitkloppen en hun huis nooit luchten, die zijn pas vies.’
Bento zucht en staat op. Zijn badjas valt open, Hestia kijkt net op tijd opzij. Hij schuifelt naar het aanrecht terwijl hij zijn ceintuur aansnoert. Waarom plundert hij iedere dag haar ijskast terwijl hij meer geld heeft dan zij?
Hij dooft zijn sigaret in de gootsteen, pakt de kruimeldief die naast het aanrecht staat en houdt die naar haar op. ‘Dat jij dit nog allemaal handmatig doet.’ Hij rekt zich uit naar een hoek van het plafond en zuigt een hooiwagen op.
‘Niet doen!’ Zo achteloos als hij die spin vermoordt, ze weet het nu – nu pas! – helemaal zeker. Hij deugt niet en hij moet weg.
Bento vult een glas water, stiefelt terug naar de bank en laat zich zakken.
‘Je wilt toch nog wel naar het buitenland, Hestia?’
‘Ik wil ergens heen waar niemand me kan vinden.’
‘Ik heb mijn koffers gepakt,’ zegt hij ineens. ‘Ik vertrek als de avond valt en ik rijd de hele nacht door. 1.100 kilometer.’
Dus hij heeft die fooi aangepakt. Als ze alleen staat, heeft het geen zin meer.
Snel die pleister eraf: ze pakt haar telefoon en antwoordt de zoveelste mail van de vastgoedmoloch met één woord.
‘Je kan zo met me mee.’
Dat zelfvoldane glimlachje van die man. Onuitstaanbaar. Misschien kan ze van die 15.000 euro een camper kopen. En een nieuw paspoort en een rijbewijs en een visum. En dan zelf naar Spanje rijden.
‘We gaan niet naar Spanje maar naar Italië. Mijn moeder heeft een huis in Milaan en ze heeft verzorging nodig. Er is ook een kamer voor jou.’
‘Waar is je solidariteit gebleven?’
‘Ik ben juist uit solidariteit anders over de wereld gaan denken,’ antwoordt hij. ‘Dat zou jij ook moeten doen, Hestia. Kijk je wel eens naar Ons Volk Vandaag?’
‘Nee, ik kijk alleen nog maar naar het weer.’
‘Het volk is als een lichaam, hoorde ik iemand zeggen, en dat vond ik best een aardige vergelijking. En toen dacht ik, wacht even, en dat wil ik jou ook meegeven Hestia, als je niet meebeweegt met dat lichaam, als je het lichaam van een volk ondermijnt en aanvalt, dan ben je in feite zelf de tumor.’
‘Ik geloof mijn oren niet.’
Bento had altijd met haar ingestemd wanneer ze tekeer ging. Hij heeft haar al die tijd met getuite lippen aangehoord. Geknikt. Haar een ontsnapping voorgespiegeld.
‘Jij hebt het altijd over solidariteit,’ zegt Bento.
‘Ja?’
‘Maar als je je positioneert tegenover het volk, tegenover de wil van de overgrote meerderheid, hoe solidair ben je zelf dan?’
‘Doe normaal!’ roept Hestia. ‘Wat is er met jou gebeurd?’
‘Niks raars,’ antwoordt hij. ‘Ik heb nooit gezegd dat mijn mening in beton gegoten was. Ik heb alleen maar rustig jouw tirades aangehoord. Omdat ik je graag mag en je graag wil helpen.’
Ze reageert niet. Wie is deze man? Waarom kan hij dit straffeloos flikken?
‘Ga mee!’ zegt hij. ‘Er is genoeg ruimte in de bestelbus. Spanje of Italië, wat maakt het uit, als de deuren voor ons opengaan. Je moest eens weten wat een mogelijkheden zich openbaren als je de kant van het volk kiest. En het Italiaanse eten is beter.’
Ze houdt inderdaad meer van Italiaans eten. Er was een tijd dat haar liefje de perfecte risotto voor haar maakte. Gadverdamme! Kijk wat die man bij haar losmaakt.
‘Wat ben jij eigenlijk voor iemand?’ vraagt ze.
‘Gewoon een burger, net als jij.’
‘Ik ben uitgeburgerd!’
‘Je bent emotioneel. Denk er nog maar een paar uurtjes over. Vanavond vertrekken we en ik neem je graag mee. Zelfs onze Eames kan mee.’
‘Míj́n Eames! Moet ik hem op je kop kapotslaan?’
‘Als je weer gaat dreigen, Hestia, dan kom ik later wel terug.’ Hij staat op. ‘Ciao bella! Koel maar af en dan praten we verder.’
‘Volare!’ Bento begint te zingen terwijl hij naar de deur sloft. ‘Oh-oh. Cantare…’
Ze kijkt tegen zijn halfkale schedel aan, de behuizing van zijn achteloze verraad. Een verlaten vogelnest, een lekke voetbal, een leeg ei.
Ze staat op terwijl ze de koude sigarettenmachine omklemt.
Hij steekt zijn wijsvinger boven zijn rotkop uit. ‘Het aanbod staat!’ zegt hij nog terwijl hij zijn hand op de klink legt.
‘Nee, dank je.’ Hestia nadert hem. Dan slaap ik nog liever op straat, denkt ze. Of in een dodencel.