De gecorrigeerde biografie van Alfred R. Dessinger – een verhaal van Bertram Koeleman

Bestaan er hogere machten die achter de schermen aan de touwtjes trekken op het politieke wereldtoneel? Deze vraag beheerst het leven van Alfred R. Dessinger. De gecorrigeerde biografie van Alfred R. Dessinger schetst een angstaanjagend geloofwaardige dystopie over het vlindereffect: hoe ogenschijnlijk onbeduidende keuzes reusachtige gevolgen kunnen hebben. In november verschijnt Bertram Koelemans nieuwste roman, getiteld Een luisterend oog. Als voorproefje publiceren we hier zijn korte verhaal.

Thema

Actuele Fictie

Tags

Actuele fictie Kort verhaal Verhaal van de maand
foto: Frann de Bruin

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

De gecorrigeerde biografie van Alfred R. Dessinger

Alfred Ronald Dessinger werd geboren en 2996 mensen stierven. Zijn vader maakte er een grap van die Alfred zijn hele jeugd moest aanhoren: ‘Er moesten drieduizend mensen dood om jou geboren te laten worden.’ Tijdens een receptie op het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar zijn vader net de hoogste functie was gaan bekleden, bedacht Alfred hoe eigenaardig het was dat iemand die zulke smakeloze grappen kon maken, in diplomatieke kringen zo hoog was gestegen.

Het was de eerste keer dat hij alcohol dronk en de bijbehorende euforie verwarde hij met plots gevonden zelfvertrouwen. Vanavond was hij voorbereid. Als zijn vader het in zijn hoofd haalde om zijn oude mop van stal te halen, had Alfred zijn antwoord klaar. Hij had bedacht dat hij zou zeggen dat hij met liefde op 10 of 12 september 2001 ter wereld was gekomen, als dat mensenlevens had gered.

Alfred zwierf door de zaal. Overal stonden mensen in avondkleding op luide toon te converseren. Op de bar stond een pyramide champagneglazen. Hij nam nog een slok van zijn drankje en keek omhoog naar drie enorme kroonluchters die als buitenaardse mogendheden boven zijn hoofd zweefden. Uiteindelijk liet hij zich zakken op een lage poef, vlak naast de ingang naar de zaal. Het leek er sterk op dat zijn vader het vanavond te druk had voor flauwe grappen. Alfred voelde zich vaag teleurgesteld dat hij zijn snedige opmerking niet zou kunnen plaatsen.

Een ober passeerde en verruilde zonder een vraag Alfreds lege glas voor een volle, en toen de man uit zijn blikveld verdween, exit rechts, kwam in schijnbaar dezelfde beweging, enter links, een vrouw de ruimte binnen.

Ze was lang en dun, ze droeg een lange, zwarte avondjurk die met spaghettibandjes van haar schouders tot over haar voeten viel, en de blote armen waren zo uitgemergeld dat hij direct dacht dat de vrouw ziek was. Dat idee werd nog versterkt doordat ze haar zwarte haar zeer kort droeg, in rattenkopachtige piekjes. Ze nam enkele stappen de zaal in en de stof van de jurk plooide om een been dat insectoïde aandeed. Hij volgde de vorm van het been omhoog naar haar achterwerk, dit werd vergemakkelijkt doordat ze was blijven staan, maar op het moment dat hij de vorm van haar billen wilde bestuderen, draaide ze haar lichaam opeens zijn kant op. Het bloed haastte naar zijn gezicht toen hij zich realiseerde dat ze naar hem keek.

Ze zat voorovergebogen met de barkeeper te praten, haar rug naakt en kwetsbaar, de wervels duwden de huid omhoog als het begin van een prehistorische opgraving.

Het gezicht was lang en smal en koninklijk in zijn geamuseerde kalmte. Ze hield haar ogen half gesloten, het was in dit licht onmogelijk te bepalen welke kleur ze hadden, en de volle roze lippen glansden. Was dat een glimlachje of was dat slechts de natuurlijke curve van de mond? Hij nam een slok en wendde zijn blik af, het gloeien van zijn gezicht werd nog heviger toen hij voelde dat het vermoeden van de glimlach hem het begin van een erectie had bezorgd. Toen hij na een eeuw weer haar kant op durfde te kijken, was ze verdwenen. Abrupt stond hij op van de poef, viel bijna achterover en kon zich slechts overeind houden door in het wilde weg de openstaande deur te grijpen. Champagne klotste over de rand van zijn glas, tintelde koel over zijn hand. Het kon niet anders of omstanders bekeken hem meewarig, maar hij hield zijn ogen op de grond om dat niet te hoeven zien. Zijn ego had al een deuk opgelopen toen de vrouw hem had betrapt op het bestuderen van haar lijf. Dat was genoeg voor één avond.

Hij liep nog een ronde door de zaal en stond op het punt te besluiten dat ze rechtsomkeert had gemaakt na hun korte oogcontact, toen hij haar aan de bar zag zitten. Ze zat voorovergebogen met de barkeeper te praten, haar rug naakt en kwetsbaar, de wervels duwden de huid omhoog als het begin van een prehistorische opgraving. Alfred deed of hij de glazenpyramide bestudeerde. Het kabaal van de conversaties maakte het onmogelijk om te horen wat ze tegen de barkeeper zei, zij tegen hem, het was een eenzijdig gesprek. De barkeeper stond eerst nog met een ongeïnteresseerde blik een wijnglas te poleren, maar gaandeweg ontstond er een diepe frons tussen zijn ogen en na verloop van minuten had hij glas en doek naast zich neergelegd en leunde over de bar naar haar toe. Haar mond, die roze glanzende lippen, naderde heel dicht het linkeroor van de barman en Alfred zag hoe haar koele glimlach zich langzaam verbreedde.

Iemand raakte zijn arm aan en toen hij zich omdraaide, werd hij aangesproken door iemand die zich voorstelde als de staatssecretaris. Er volgde een gesprek dat haast net zo eenzijdig was als dat tussen de mysterieuze vrouw en de barkeeper. Na een paar minuten had de man door dat hij nauwelijks deelnam aan de conversatie en droop af, maar niet voordat hij Alfred een afschuwelijk medelijdend klopje op de schouder had gegeven. Toen hij zich omdraaide was de dame alweer verdwenen.

Hij zou haar die avond nog eenmaal terugzien. Ze stond bij zijn vader en legde een lange, smalle hand op zijn onderrug in een gebaar dat vreemd prikkelend was in zijn intimiteit. Zijn vader maakte zich los uit de groep waarin hij stond te praten en de vrouw boog haar hoofd naar het zijne en even was Alfred ervan overtuigd dat ze hem ging kussen. Dat gebeurde niet. Ze fluisterde hem iets toe, de gesprekspartners van zijn vader hadden discreet de hoofden afgewend, alsof ze wisten dat haar woorden hen niet aangingen. De hand verliet zijn vaders onderrug en het gezicht van de kersverse minister werd weer zichtbaar, maar zijn uitdrukking verried niets. Hij knikte, zij knikte, toen liep ze bij hem weg. Zijn vader sloot zich weer aan bij het groepje.

Alfred dronk nog twee cocktails en rond halftwaalf realiseerde hij zich dat hij dronken was. Hij was al zeker twee uur dronken, maar de sensatie was hem zo wezensvreemd dat hij pas snapte hoever heen hij was toen hij misselijk de zaal uit stommelde en tegen een muur aan viel. Toen hij weer rechtop kwam en begreep dat hij het toilet niet snel genoeg zou kunnen vinden, zocht hij de uitgang op.

De nachtelijke winterkou benam hem kortstondig de adem. Links was de parkeerplaats van het ministerie, rechtuit de straat, rechts boog een halve cirkel populieren om het gebouw heen. Discreet kotsen zou daar moeten gebeuren, in de schaduw van de struiken. Zijn lichaam voelde los en ongecoördineerd, alsof de drank zijn spieren en pezen had uitgerekt. Hij vertraagde zijn pas, haalde diep adem, witte ademnevel loste voor zijn ogen op in de lucht. Hij sloot zijn ogen, maande zijn maag tot kalmte, hij zette twee passen richting de struiken en kotste in het gras. De zurige lucht van het braaksel dreigde hem opnieuw te doen kokhalzen. Hij wendde zijn hoofd af en richtte zich op. Hij was niet alleen.

Tegen de achtergevel van het gebouw stond een man geleund. Licht viel door de openstaande deur over zijn gezicht en handen. Het was de barkeeper. Het was Alfred niet duidelijk of de man hem had opgemerkt. Hij dronk uit een fles, lange teugen. Alfred wilde net een stap in zijn richting zetten, toen de man de fles naast zich neerzette en uit zijn broekzak iets tevoorschijn haalde. Licht viel op een gekarteld lemmet. In een snelle beweging bracht hij het mes naar zijn hals, trok het terug en stak nogmaals. Een kruipende schaduw maakte zich los uit zijn hals en bedekte zijn borst en benen. De barman stak nog een derde keer en verloor de kracht in zijn armen en benen, het mes viel hoorbaar op de grond, stuiterde tegen de fles. Alfred draaide zich om en liep om het gebouw heen, de gang weer in, naar de toiletten. Als hij nu maar snel genoeg aansluiting vond bij het feest, zou de herinnering geen post kunnen vatten in zijn hoofd, en al snel zou het net zijn alsof het incident niet had plaatsgevonden.


De zelfmoord van de barman was op zichzelf beschouwd al nieuwswaardig, maar het verhaal kreeg een opmerkelijk staartje. Bij doorzoeking van zijn huis was een grote hoeveelheid wapens, munitie en explosieven gevonden, en daarnaast boeken, pamfletten en e-mails, die erop wezen dat de man in zeer korte tijd was bekeerd tot een radicale versie van de islam. Aanslagen waren gepland op het ministerie en op het Binnenhof. Het was voor het eerst in zeker twintig jaar dat er in Nederland sprake was geweest van een concrete terroristische dreiging en enige tijd beheersten de barman en de ontdekkingen in zijn huis de nieuwsmedia. Maar al snel werd dit nieuws verdrongen door ergere, nog acutere dreigingen.

Iets meer dan een jaar na de afgewende aanslag in Nederland, op 12 november 2026, stuurde de Amerikaanse president Trump troepen naar de Pools-Oekraïense grens. Alfred woonde inmiddels op kamers in Den Haag, dat was een van de voordelen van een vader met invloed, en hij bekeek de beelden op CNN met een mengeling van doffe angst en afgrijzen. De woordvoerder van het Witte Huis hield haar katheder met witte handen omklemd. Haar gezicht probeerde kalmte en overtuiging uit te stralen, maar ze kwam niet verder dan nauwelijks beheerste hysterie.

Alfreds telefoon pingde. Zijn vader. ‘Ik heb vliegtickets voor jou en je moeder naar Rio,’ schreef hij. Paniek vlamde door zijn lijf en hij belde. ‘Jij hoeft je nergens zorgen over te maken,’ zei hij. ‘Maar de Unie kan dit niet over zijn kant laten gaan. Dit is het moment, jongen. Het spijt me.’ Zonder dat hij iets had kunnen zeggen, verbrak zijn vader de verbinding. Ondertussen beantwoordde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken vragen van de pers. ‘Het enige wat wij willen is vrede. President Zelensky heeft te kennen gegeven dat hij onze voorwaarden niet accepteert. De Verenigde Staten en Rusland willen er alles aan doen om de oorlog te beëindigen en als dat betekent dat we meneer Zelensky tot vrede moeten dwingen, dan zullen we niet aarzelen.’ Achter de minister stond een groep hoogwaardigheidsbekleders. Een van hen was een opvallend lange, magere vrouw van een jaar of dertig, met kort zwart haar en een serene, haast koninklijke glimlach om de lippen.

In de weken daarna volgden de gebeurtenissen elkaar in hoog tempo op. Bij een inspectie van zijn troepen in het zuiden van Wit-Rusland – dat zonder noemenswaardig protest doorgang had verleend aan de Russische legermacht – werd Poetin onder vuur genomen door een van zijn eigen mannen. Hij werd geraakt in de hals en de linkerlong, maar overleefde de aanslag als door een wonder. De soldaat werd onmiddellijk geëxecuteerd, de beelden werden live gestreamd en werden wereldwijd door miljoenen bekeken. Poetin werd drie weken in een kunstmatig coma gehouden.

In die drie weken stuurden vijf Europese lidstaten legereenheden naar Polen. Aan beide zijden vielen slachtoffers die door hun vaderland als martelaren werden vereerd. Trump dreigde met nucleaire actie en nu zijn Russische bondgenoot tijdelijk buiten dienst was en daarom geen tegengeluid kon laten horen, werd de Amerikaanse president nerveus. Zijn middernachtelijke tirades op X begonnen steeds meer te klinken als Russische propaganda: Finland, Estland, Letland en Litouwen hadden historisch gezien geen recht op soevereiniteit. Ook zij maakten, net als Oekraïne, deel uit van het Grote Russische Rijk, en dienden zo snel mogelijk het landsbestuur over te dragen aan Vladimir Poetin om de wereldvrede te garanderen.

‘Dan láát je de regering toch vallen, jij boze kleuter,’ zou de premier hebben geschreeuwd.

Op de dag dat in Nederland de opkomstplicht opnieuw werd ingevoerd, op 22 januari 2027, landden Alfred R. Dessinger en zijn moeder op Rio de Janeiro Galeão Airport. Ze verlieten het toestel, liepen achter de meute aan naar de bagageclaim, wachtten op hun koffers en stapten de drukkende hitte van Rio in om een taxi aan te houden, zonder een woord te wisselen. Tijdens de vlucht had Alfred meerdere keren geprobeerd een praatje aan te knopen, maar zijn moeder zat elf uur en drie kwartier bleek voor zich uit te kijken, de handen permanent in de schoot gevouwen. Toen hij voorzichtig haar hand pakte keek ze hem zo fel aan dat hij zijn hand geschrokken terugtrok. Pas toen ze hun hotelkamer binnenliepen en Alfred hun koffers op de bedden gooiden, zei ze één woord. Zijn naam. En in zijn omhelzing begon ze zo gewelddadig te huilen dat hij even bang was dat er in dat kleine lijf iets zou knappen.

Die avond aten ze met het bord op schoot op bed, terwijl CNN berichtte dat Poolse troepen zich hadden overgegeven en de gecombineerde legers van Amerika en Rusland richting Warschau trokken. Trump meldde op Truth Social dat het de intentie van de VS en Israël was dat de oorspronkelijke bevolking van Gaza zou worden ondergebracht in Oekraïne. Poetin was ontwaakt uit zijn coma. De soldatenkogel had zijn stembanden verwoest en een deel van zijn wervelkolom beschadigd. Hij zou niet meer kunnen spreken en de rest van zijn leven in een rolstoel moeten doorbrengen. Ondertussen gingen geruchten dat Amerika al bezig was met het inzetten van klein nucleair arsenaal. Foto’s en filmpjes werden gedeeld op Snapchat en Telegram van dorpen in de grensgebieden met Tsjechië en Duitsland waar complete huizenblokken tot zandkorrels waren gereduceerd. ‘Fake news,’ zei Trump. ‘Schandalige manipulatie van de werkelijkheid,’ zei J.D. Vance. Een migratiestroom kwam op gang naar het westen en zuidwesten van Europa. Op 24 december 2027 riep Nederland vanwege de vluchtelingenstroom de noodtoestand uit, maar pas na een hoogoplopende ruzie in het Catshuis. ‘Dan láát je de regering toch vallen, jij boze kleuter,’ zou de premier hebben geschreeuwd.

De minister van Buitenlandse Zaken had tijdens dat overleg kalm zitten luisteren. Af en toe had hij een vraag beantwoord, maar zelden had hij uit zichzelf gesproken. Zijn telefoon pingde en toen hij zijn nieuwsapp opende, zag hij hoe Vladimir Poetin, afgrijselijk mager en zo grauw dat hij van as leek gemaakt, in een rolstoel het ziekenhuis in Moskou verliet. De camera volgde de Russische president naar de openstaande deuren van een geblindeerd busje. Net voor de deuren werden dichtgesmeten door twee enorme mannen in pakken en zonnebrillen was het interieur van de bus kort zichtbaar. Een lange, graatmagere vrouw in een wit mantelpakje zat op een met wit leer beklede stoel, reikte naar de schouder van de president en boog haar glanzende mond naar zijn oor.


Alfred Dessinger leerde Portugees. De zon had zijn huid permanent gebruind, zijn haar permanent gebleekt. Hij nam een baan bij een non-profitorganisatie die vluchtelingen uit Europa bijstond. De grote steden in de regio waren op dat moment al overbevolkt, en bleken nauwelijks in staat om de duizenden getraumatiseerde mensen op te nemen. Doorreizen naar de VS was uitgesloten. De Mexicaans-Amerikaanse grens was afgesloten door een tien meter hoge muur, van de Golf van Amerika tot de Chinese Oceaan. Om de tien meter stond een scherpschutter met duidelijke instructies: iedereen die de grens tot op vijfhonderd meter naderde werd gezien als een illegale immigrant en mocht worden neergeschoten. Het was een logische uitvergroting van een oud Amerikaans adagium: iemand die zonder jouw toestemming jouw grondgebied betreedt, is fair game om te worden gedood.

Contact met zijn vader was nog steeds mogelijk. Alfred en zijn moeder appten hem iedere avond, korte gesprekken waarin hij de gebeurtenissen van die dag samenvatte en zij hem, iedere dag opnieuw, smeekten om naar Rio te komen. Daar wilde hij niets van weten. De Nederlandse regering stond sinds maart 2028 weliswaar onder Russo-Amerikaanse controle, zoals vrijwel alle Europese regeringen (Turkije en Hongarije uitgezonderd), maar het was de bezetter er alles aan gelegen om revolte zoveel mogelijk te vermijden. Het dagelijks leven diende zijn normale gang te gaan.

Alfred schamperde dat hij de beelden op het journaal nauwelijks ‘normaal’ kon noemen. Lange rijen bij voedselbanken, hele volksstammen die op straat leefden, snelrecht werd meedogenloos toegepast op die enkeling die zich durfde te roeren. Er gingen geruchten rond over executies, en over detentiecentra waar andersdenkenden zonder vorm van proces werden opgesloten. Zijn vader zei dat hij die geruchten ook had gehoord, maar dat hij vooralsnog geen enkel bewijs had gezien dat ze waar waren. Het gebruik van het woord ‘vooralsnog’ joeg een rilling over Alfreds rug.

Een relatief stabiele periode brak aan. De vluchtelingenstromen vanuit Europa richting Zuid-Amerika, Afrika en Australië droogden op. De geruchten stopten, hetzij doordat de executies en detentiecentra tot het verleden behoorden, hetzij omdat men de geruchten had gesmoord. Niemand die het wist. Op 12 november 2028, exact één jaar voor de Amerikaanse verkiezingen, stierf Donald J. Trump in zijn slaap aan een hartaanval. De avond daarvoor had hij gedineerd met de First Lady, zijn vicepresident, enkele ministers en een aantal hoge ambtenaren. 

Zijn dood werd weliswaar breed uitgemeten in de pers (FOX News kondigde een periode van nationale rouw aan; niet dat ze daartoe bevoegd waren), maar het was opmerkelijk hoe lichtzinnig er met zijn overlijden werd omgesprongen. Leden van zijn kabinet, senatoren, Congresleden, niemand durfde zich uit te spreken over hun gestorven leider, niemand zei hem te zullen missen, dat het een donkere dag was voor de VS, niets. Er was zelfs niemand die suggereerde dat Trump door de Democraten was vermoord. Hij kreeg een staatsbegrafenis. J.D. Vance, de nieuwe president, haastte zich om de internationale gemeenschap te verzekeren dat de dood van Trump de uitstekende relatie met Rusland op geen enkele manier zou beïnvloeden en dat beide grootmachten bleven streven naar een Verenigd Amerikaans-Russisch Europa.


De schijn van de beschaving was sterk. Diplomatieke betrekkingen tussen bevriende staten werden nadrukkelijk aangehaald, hoewel iedereen wist dat dit voortkwam uit een paniekerig verlangen om te doen alsof er niets aan de hand was. Daardoor kwam het dat Ronald Dessinger werd uitgenodigd voor een receptie op de Braziliaanse ambassade in Rio, ter gelegenheid van 400 jaar Braziliaans-Nederlandse betrekkingen.

Alfred en zijn moeder hadden hem bijna twee jaar niet gezien. De gebeurtenissen van de afgelopen tijd leken hem tien jaar ouder te hebben gemaakt. Ze omhelsden elkaar. Alfred schrok van de gekrompen, benige gestalte en de geur van ouderdom die zijn vader uitwasemde. Maar zijn stem was onveranderd, kalm en krachtig.

Toen hij eenmaal over de schok van de hereniging heen was, kon hij zich concentreren op de vraag die hij zijn vader wilde stellen. De avond ervoor had hij op het nieuws beelden gezien van het presidentiële diner, het laatste avondmaal zo bleek. Een van de aanwezigen was een rijzige, extreem dunne vrouw van een jaar of dertig met piekerig kort zwart haar. Alfred zocht een screenshot op de site van CNN, nam zijn vader terzijde en liet hem het scherm zien.

‘Wie is die vrouw, pap?’

‘Welke bedoel je?’

‘Deze. Ze was ook op jouw receptie. Je hebt met haar gesproken.’ Zijn vader duwde zijn onderlip naar voren en schudde het hoofd. ‘Ik heb haar de afgelopen tijd een aantal keren gezien, pap. Met Trump, met Poetin.’

‘Dat is min of meer hetzelfde tegenwoordig.’

‘Pap, kijk nou naar die foto.’

Toen hij sprak klonk het gemaakt nonchalant. ‘O ja, nu weet ik het weer. Interessant ogende vrouw inderdaad.’ Voor Alfred op luide toon kon eisen dat hij hem een eerlijk antwoord gaf, greep zijn vader hem bij de schouder en zei:

‘Je bent nu misschien nog te jong om dit te begrijpen. Maar de meeste dingen die in de wereld gebeuren, gebeuren zonder dat wij daar invloed op hebben. Het lijkt vaak alsof mensen beslissingen nemen, maar het is eerder andersom, snap je? Een beslissing is een bestaand iets, een concreet verschijnsel en dat verschijnsel hecht zich als het ware aan een persoon. Het is moeilijk om over te praten.’

Nu was het Alfreds moment om een stilte te laten vallen. ‘Ik begrijp niet wat je tegen me zegt. Bedoel je dat niemand verantwoordelijk is voor alles wat er nu gebeurt?’

‘Nee, dat zeg ik niet. Natuurlijk niet. Dat zou immoreel zijn.’

‘Zeg je dan dat die vrouw verantwoordelijk is?’

Na een pauze die een paar tellen langer duurde dan nodig leek, sprak zijn vader opnieuw, maar dit keer heel langzaam, streng haast, alsof hij met zijn woorden twee zaken tegelijk probeerde te zeggen. ‘Ik zeg alleen maar dat het een moeilijk onderwerp is om over te praten. Snap je wat ik zeg, Alfred?’

Zijn vader verontschuldigde zich en Alfred zwierf alleen door de ruimte, drankje in de hand, gesprekken mijdend, interesse veinzend in de kunst aan de muren. Af en toe hief hij zijn glas naar zijn ouders. Als hij er niet van overtuigd was geweest dat hij de vrouw vanavond zou zien was hij al uren eerder weggegaan. Hij was erop gebrand haar te spreken, helemaal nu zijn vader zo raar, zo ontwijkend had geantwoord. Maar rond middernacht stond hij buiten en begreep hij niet waarom hij zo zeker van zijn zaak was. Misschien omdat de avond haast een kopie was van die eerdere receptie, vele mensenlevens geleden.

De portier liet hem door het hek naar buiten. Alfred groette hem, stak zijn handen in zijn zakken en begon te lopen. Verkeer stroomde langs hem, ongehinderd door het tijdstip. Een oranjegouden gloed hing in de stad, straatlicht en neon getemperd door nacht en schaduwen. Bij een straathoek bleef hij staan en wachtte op een opening tussen de auto’s.

‘Mooie avond,’ zei een stem naast hem.

Ze droeg schijnbaar dezelfde jurk als op de avond dat hij haar voor het eerst zag. Het leek hem geen verstandige outfit voor een vrouw alleen ’s nachts in de straten van Rio. De gedachte dat de gestalte wellicht geen vrouw was, eerder een wezen dat die vorm verkoos, verraste hem eerst, leek hem daarna volslagen logisch.

‘Mooie avond om te wandelen,’ zei ze.

‘Zeker,’ zei hij. Zijn stem leek alle kanten op te willen. Hij bloosde.

‘Ik wil me nergens mee bemoeien. Maar als ik jou was, zou ik hier linksaf gaan. Het is zo’n fijne avond en ik denk dat het heel erg de moeite voor je zal zijn als je deze straat neemt.’

‘Waarom denk je dat?’

De mond glimlachte zijn koninklijke lach. ‘Nou, als je goed kijkt zie je dat op dat pleintje nog allerlei winkeltjes open zijn. Er staan foodtrucks waar je eten en drinken kan bestellen. Er hangen slingers gekleurde lichten langs de gevels, zie je wel? Ik hoor muziek en volgens mij zie ik zelfs mensen dansen. Probeer het nou maar.’

‘Oké,’ zei hij en hij liep de straat in.

Na een tijdje doelloos ronddolen bestelde hij een cocktail bij een foodtruck en ging aan een tafeltje zitten. De wankele klapstoel leek hem niet te houden en hij greep met zijn vrije hand wild om zich heen naar houvast. De plotse bruuske beweging trok de aandacht van een man in een van de andere foodtrucks die hierdoor een servetje liet vallen, dat nog voor het de grond had kunnen raken door een windvlaag werd weggeblazen, tegen het been van een jongedame. Haar vriend boog lachend omlaag om het servetje van haar scheen te plukken en bood het haar aan. Iets in de manier waarop hij dat deed, het gedienstige lachje en zijn gebochelde houding en de ironische manier waarop hij haar ‘jonkvrouw’ noemde alsof hij haar een diamanten ring aanbood, bestendigde iets in haar over het karakter van deze jongen, waar ze nu al drie jaar verkering mee had, maar in wiens doen en laten altijd iets had gehuisd wat haar tegen de haren in streek, iets waar ze nooit eerder woorden voor had gevonden. Ze bekeek hem alsof ze zojuist iets op haar schoenzool had ontdekt. Ontdaan liepen ze zwijgend verder, geschrokken van het moment. Hij stapte onhandig van een stoeprand en verzwikte zijn enkel. Vijf minuten later hielp zij hem, hij kermend van de pijn, in een taxi en reden ze naar een eerste hulppost, exact vijftien minuten voordat Alfred daar zelf arriveerde, omdat zijn vader hem had geappt om te zeggen dat zijn moeder onderweg naar huis onwel was geworden.

Terugkeer betekende in feite steun aan het regime, zei hij, door vrijwillig terug te keren onderwierp je jezelf aan de repressie.

11 september 2031. Alfred vierde zijn dertigste verjaardag alleen. Bij het vallen van de avond stond hij bij het raam van zijn appartement, een halflege fles witte wijn in zijn hand, en keek hoe de zon de woontorens rood kleurde. Hij woonde in de Naalden, een complex van twintig reusachtige flatgebouwen die aan de rand van Rio de Janeiro waren gebouwd in de jaren na de Grote Migratie. Het waren architectonische hoogstandjes; twintig verdiepingen ondergronds, honderd bovengronds, dertig appartementen per verdieping.

Luciana en hij hadden zich direct ingeschreven toen de bouw werd aangekondigd (ook hier hielp de diplomatieke status van zijn vader een handje), maar niet lang voor het project werd opgeleverd had zij de relatie verbroken.

Zijn moeder, die na haar beroerte besefte dat de tijd die ze met haar echtgenoot kon doorbrengen ernstig was ingekort, was naar Nederland teruggekeerd. Alfred haatte zichzelf erom dat hij ruzie met haar had gemaakt. Terugkeer betekende in feite steun aan het regime, zei hij, door vrijwillig terug te keren onderwierp je jezelf aan de repressie. Of ging ze soms terug om zich bij het verzet aan te sluiten? Hij had op zijn kiezen gebeten, kwaad omdat hij zijn mond niet had kunnen houden. Ze had kalm geantwoord dat ze hoopte dat hij begreep dat politiek niets te maken had met haar besluit. Begreep hij wellicht dat ze de laatste jaren bij haar man wilde doorbrengen, ongeacht de omstandigheden?

Alfred nam een teug wijn. Hij liet zich door zijn knieën zakken tot hij in kleermakerszit zat, zijn voorhoofd rustend tegen het koele glas van de vierenzestigste verdieping. De afgronden tussen de Naalden strekten zich onder hem uit. Bij iedere windvlaag voelde hij het gebouw licht heen en weer wiegen. Hij mocht van geluk spreken, dat wist hij ook wel. Ondanks de Naalden, en vele gelijksoortige projecten verspreid door Zuid-Amerika, was de woningnood nog steeds ongekend hoog. Duizenden mensen leefden op straat, mensen die in eigen land een goed salaris verdienden, een huis en een auto hadden, waren de oorlog ontvlucht en in het niets terechtgekomen. Ze hadden vrede, maar dat was alles.

Hoeveel mensen moesten er zijn gestorven om hem dertig te laten worden?

Onvast stond hij op. Zijn telefoon had een uur geleden een geluidje gemaakt, maar hij wist dat het felicitaties van zijn ouders waren, dus hij had geen zin gehad om te kijken. De wijn maakte hem echter melancholiek en daardoor bestond opeens de mogelijkheid dat Luciana hem, ter gelegenheid van zijn dertigste, toch weer een berichtje had gestuurd. Een berichtje waarin ze hem niet alleen feliciteerde, maar ook toegaf dat ze hem miste, dat het niet goed voelde zonder hem, dat er iets niet klopte nu ze niet meer samen waren, voelde hij dat ook zo?

Hij opende zijn telefoon en het was inderdaad een gezamenlijk berichtje van zijn ouders. Bitter toetste hij een antwoord en gooide de telefoon in de richting van de bank. Hij nam nog een slok en ging weer bij het raam staan. Het uitzicht gaf geen antwoorden. Jazeker, het was de moeite waard geweest om linksaf te slaan die avond. Vanaf het moment dat ze elkaar in de wachtkamer hadden ontmoet, was het heerlijk geweest. Die eerste ontmoeting, die onverklaarbare herkenning die verlegen glimlachjes en lange blikken opwekte, de toenadering, de uitwisseling van nummers. De passie die ontstond verwonderde hem, meer nog dat hij die blijkbaar ook in haar losmaakte. En al zei Lucy dat het haar niet uitmaakte dat zijn vader in feite voor de vijand werkte (hoewel haar woordkeuze wellicht al een veeg teken was), geleidelijk sloop er toch een onmiskenbare koelte in de relatie.

‘Ik denk dat we toch niet zijn voorbestemd,’ had ze gezegd met haar gebruikelijke lieve tact.

Jawel, had hij willen zeggen. Dat zijn we wel. Het besluit is buiten ons om genomen. Hij had een grapje kunnen maken: ik ben die avond speciaal voor jou linksaf geslagen, alsof het een groot offer was wat hij voor haar had gemaakt. Hij stond zelfs op het punt om haar over de vrouw te vertellen, wat ze tegen hem had gezegd, maar hij begreep dat het absurd, zelfs pathetisch op haar zou overkomen. Voor hij het wist, zouden zijn verdriet en zijn wanhoop hem laten zeggen dat alles wat er de afgelopen jaren in de wereld was gebeurd, van de Amerikaanse troepen in Polen tot de verstuikte enkel van haar ex, wel had moeten gebeuren: de omstandigheden werden geschapen zodat zij elkaar konden vinden. Hij kon het niet bewijzen natuurlijk. Daarvoor waren de processen te subtiel, de mechanieken te soepel. Een fluisterend woord hier, een magere hand op een onderarm daar.

Bijna had hij haar zelfs verteld over de droom die hij de laatste tijd steeds vaker had. In de droom staat hij bij het raam van hun appartement, zíjn appartement, wanneer opeens het glas uit de sponning verdwijnt. Een windvlaag trekt hem het luchtledige in en hij stort tientallen verdiepingen naar beneden. De Naalden lijken om hem heen te groeien en zijn dromende verbeelding ziet de torens in Manhattan herrijzen. Net voor hij de grond raakt verschijnen twee gigantische zwarte vleugels die hem in een glanzende cocon van veren wikkelen. Ze tillen hem langzaam en plechtig terug naar het appartement. Voorzichtig zetten ze hem neer, in zijn oorspronkelijke positie, de ruit op vanzelfsprekende wijze hersteld. En dan gebeurt hetzelfde nog een keer, en nog een keer, en nog een keer en iedere keer weet hij zeker dat hij dit keer te pletter zal vallen.