Stel je een jongen voor op een middelbare school in Sneek. Hij heeft niet de kleren aan die hij aan zou willen, want hoewel hij kleedgeld van zijn ouders krijgt, is de enige kledingwinkel waar je als puberjongen in Zuid-West-Friesland uit mag en kunt kiezen de in het voormalig pand van de V&D verrezen flagshipstore van de Sting. Hij heeft niet het haar dat hij zou willen, want zijn moeder belt altijd vooruit naar de kapper wanneer hij onderweg is daarnaartoe. Hij heeft jeugdpuistjes, waar hij een middeltje voor heeft, voorgeschreven door een dermatoloog die een studievriend is van zijn vader. Hij is niet per se ongelukkig, hij heeft genoeg vrienden en het is best een leuke school. Maar misschien juist door die vrienden, door de aanmoedigende houding van de school, groeit er iets groters, of in ieder geval iets anders in zijn borst dan waar er in het Sneek van 2006 plaats voor is.
Gelukkig wordt het lente en hebben de jongen en zijn vrienden net het roken ontdekt. Dat doen ze in een soort tunneltje nabij hun middelbare school, waar verder niemand komt en ze roken geen sigaretten, ze roken pijp. Terwijl ze pijp roken praten ze over jazzmuziek. Dat doet verder niemand op hun middelbare school. Het is ook, net als dat pijproken, peilloos aanstellerig, maar de ene vriend van de jongen is de beste drummer van de school en de andere vriend van de jongen is de beste contrabassist van de school, dus die hebben wel het een en ander over jazz te melden. De jongen zelf is de op één na beste drummer van de school, en de op één na beste drummer van een middelbare school in Sneek zijn is nou niet iets waar je je enorm op voor kunt laten staan. Dat weet de jongen ook, dus moet hij op zoek naar iets anders. Iets anders waarmee hij uitdrukking kan geven aan die ballon in zijn borst die groeit en zwelt en zwelt.
Voordat die ballon knapt, is het goed om te stoppen met het verstoppertje spelen in de derde persoonsenkelvoud en toe te geven dat ikzelf die jongen ben. Maar daardoor laad ik wel direct de verdenking op dit verhaal dat het nu verder zal gaan over hoe ik dan dichter ben geworden, hoe ik mijn heil vond in het opkopen van alle bundels van Remco Campert en Lucebert en Gerrit Kouwenaar en Simon Vinkenoog in het lokale antiquariaat van Sneek. Allemaal dichters die tot de beroemdste van Nederland behoren en allemaal dichters die nooit, voor zover ik na kan gaan, in Sneek zijn geweest. Hoe ik schoorvoetend zelf ook gedichten ging schrijven, die ik voordroeg op jazzjamsessies in Sneek en Leeuwarden (op erbarmelijk niveau) en hoe ik mij via die gedichten langzaamaan wist los te weken uit de ijzeren greep van Sneek, de Sting en mijn moeder. Dat deed ik echter niet, of in ieder geval niet meteen, ik zocht mijn heil in de eerste plaats heel ergens anders.
Aangezien ik drummer was, maar zoals gezegd niet de beste drummer, besloot ik een set conga’s (van die grote houten met zo’n bolle buik), een set bongo’s (van die kleine houten die je tussen je benen klemt) en een set timbales (van die stalen met die koebellen eraan, die pang doen) te kopen van mijn bijbaantjesgeld en te proberen de beste percussionist van mijn middelbare school te worden. Dat was niet moeilijk, want er was überhaupt geen percussionist in heel Sneek. Ik ga nu toch weer terug naar het derde persoonsenkelvoud omdat het toch te belachelijk voelt.
Stel je die pukkelige tiener voor, nu op een zolder, de scheve wanden zijn behangen met van die foammatjes met eierdoos-reliëf om het geluid te dempen. Het ruikt er licht naar pijptabak. Het is een vrij ruime zolder, genoeg ruimte voor al dat slagwerk, en de jongen heeft een koptelefoon op die met een lange draad verbonden is met de cd-speler. In de cd-speler zit één van de vijf cd’s uit de salsa-box die hij via de Volkskrant heeft besteld (er stond een advertentie in het cultuursupplement). Hij kijkt er heel geconcentreerd bij, zijn smalle gezicht strakgetrokken, maar dat moet ook want jongens die opgroeien in Zuid-West-Friesland spelen niet bij geboorterecht de 2/3 sonclave mee. Als je uit het dakraampje kijkt, kun je koeien zien grazen.
En in het cd-boekje studeert hij op de namen van de grote salsa-sterren van begin jaren zeventig in New York. Let wel, dit is ver voor de salsa romantica, de tijd dat salsa nog rauw was, versmolten met illegale hanengevechten en straatbendes. Gemaakt door immigranten uit Puerto Rico, Cuba en Midden-Amerika, de tijd dat grootgrondbezitters hele huizenblokken in El Barrio (de latinowijk in de Bronx) regelmatig expres in brand stoken, omdat de verzekering beter uitbetaalde dan hun huurders ooit zouden kunnen doen. In die wijk, in die blokken, zong de tragische Hector Lavoe als voorprogramma van boksgevechten, beet de manische La Lupe zichzelf in de borsten als onderdeel van haar optredens, zette bandleider Willie Colon zichzelf op zijn albumhoes naast een in een tapijt gerold lijk, zo’n twintig jaar voordat de eerste gangstarapper ten tonele verscheen. Eddie Palmieri maakte zijn mooiste plaat in de gevangenis en Ruben Bladès zong bevlogen linkse liederen, een Spaanse bewerking van Mackie Messer van Brecht, maar dan wel met een loeistrakke blazerssectie en een sample van een New Yorkse politiesirene erdoorheen. Die linkse liederen zette de Sneker jongen weer op het spoor van Che Guevara, waardoor hij een week later op budget-Allstars van de Scapino op school verscheen, die hij zelf had bespoten met een grote, gele hamer en sikkel.
Tot groot verdriet van zijn moeder.
In Sneek is vooral plek voor sport en Apfelkorn. Dat was toen zo, dat is ben ik bang nu ook nog zo. En veel van de mensen waarmee ik op de middelbare school zat, hadden geen enkel probleem met dat loeistrakke keurslijf. Die hebben hun Apfelkorn (en Boswandeling en Coebergh Bessen) gedronken, zijn toen misschien snel iets wezen studeren in Leeuwarden, maar bleven in Sneek wonen, kregen kinderen, kochten een huis en gingen dat verbouwen, doen nu iets voor een vereniging, zijn gelukkig. Ze hebben vrienden die op hen lijken, ouders die op hen leken en in de coulissen staat alweer een nieuwe generatie klaar die precies hetzelfde zal gaan doen. Ze bedoelen het niet zo, ze zeggen het ook niet letterlijk, maar in hun massaliteit dwingen ze toch echt een zekere navolging af. Doe je het niet als hun, dan ben je raar, en raar zijn mag wel, maar als je raar wilt zijn, moet je tegen het gevoel kunnen dat je raar bent. Dat is niet alleen in Sneek het geval, maar ook in Medemblik, Sittard, Veghel, Doetinchem, Delfzijl.
Het is niet fijn om je raar te voelen, dus hoe draag je dat? Daar helpt een droom bij. En personages, idolen, die in die droom kunnen spelen. Mensen waar je huizenhoog tegenop kijkt, waar je naar kunt reiken. Je bent misschien raar, maar je bent ook een New Yorkse salsamuzikant uit de jaren zeventig, ook al zit je nu nog vast op je middelbare school. En tijdens dat reiken til je jezelf ergens uit of ergens overheen.
Op de radio hoor ik een wethouder bazelen over representatie, over jonge kunstenaars die de achtergrond waaruit ze zijn voortgekomen representeren. Zij lokken hun wijk, hun dorp, hun gemeenschap naar het theater, de bibliotheek, de galerie. Dat is onzin. Kunstenaars zijn juist de pubers die niet in hun eigen achtergrond passen. Rare mensen die niet bij de status quo aansluiten, vinden anderen en vinden zijzelf. Dus dromers die weg willen. Hun belachelijke, niet-passende, pretentieus en volslagen absurd aandoende dromen zijn de dunne touwbrug waarover ze wegsluipen, hup de wijde wereld in. En dat soort touwbruggen lopen door alle generaties heen.