De kloof tussen Sneek en de rest van Nederland

Waar het maatschappelijke debat soms muurvast lijkt te zitten en twee kampen elkaar maar niet lijken te verstaan, zijn er frisse perspectieven nodig op de ‘kloven’ die Nederland de laatste jaren verdelen. Want bestaan die kloven wel echt, of maken we ze groter dan ze zijn? En als ze er dan wel blijken te zijn, hoe kunnen we ze overbruggen? In deze nieuwe essayreeks Kloofdichters vragen we dichters om hun licht te laten schijnen op deze thema's. Joost Oomen begon zijn dichterschap in Sneek, waar in zijn beleving alleen plek is voor sport en Apfelkorn en waar hij zich vooral van wilde los worstelen. Een essay over het belang van idolen, kunstenaarschap en het overbruggen van de kloof tussen beginnen en gevestigd zijn.

Thema

Kloofdichters

Tags

Essay Kloofdichters Opgroeien
foto: Esther Lutgendorff

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Niet te geloven
dat ik knaap nog
een vers schreef over de
zilverwitheid van een berkestam

en om mij heen
grootse dronkenschap
van de bevrijding:
het water was whisky geworden.

Alles zoop en naaide,
heel Europa was één groot matras
en de hemel het plafond
van een derderangshotel.

En ik bedeesde jongeling
moest nodig
de reine berk bezingen
en zijn bescheiden bladerpracht.

Stel je een jongen voor op een middelbare school in Sneek. Hij heeft niet de kleren aan die hij aan zou willen, want hoewel hij kleedgeld van zijn ouders krijgt, is de enige kledingwinkel waar je als puberjongen in Zuid-West-Friesland uit mag en kunt kiezen de in het voormalig pand van de V&D verrezen flagshipstore van de Sting. Hij heeft niet het haar dat hij zou willen, want zijn moeder belt altijd vooruit naar de kapper wanneer hij onderweg is daarnaartoe. Hij heeft jeugdpuistjes, waar hij een middeltje voor heeft, voorgeschreven door een dermatoloog die een studievriend is van zijn vader. Hij is niet per se ongelukkig, hij heeft genoeg vrienden en het is best een leuke school. Maar misschien juist door die vrienden, door de aanmoedigende houding van de school, groeit er iets groters, of in ieder geval iets anders in zijn borst dan waar er in het Sneek van 2006 plaats voor is.

Gelukkig wordt het lente en hebben de jongen en zijn vrienden net het roken ontdekt. Dat doen ze in een soort tunneltje nabij hun middelbare school, waar verder niemand komt en ze roken geen sigaretten, ze roken pijp. Terwijl ze pijp roken praten ze over jazzmuziek. Dat doet verder niemand op hun middelbare school. Het is ook, net als dat pijproken, peilloos aanstellerig, maar de ene vriend van de jongen is de beste drummer van de school en de andere vriend van de jongen is de beste contrabassist van de school, dus die hebben wel het een en ander over jazz te melden. De jongen zelf is de op één na beste drummer van de school, en de op één na beste drummer van een middelbare school in Sneek zijn is nou niet iets waar je je enorm op voor kunt laten staan. Dat weet de jongen ook, dus moet hij op zoek naar iets anders. Iets anders waarmee hij uitdrukking kan geven aan die ballon in zijn borst die groeit en zwelt en zwelt. 

Voordat die ballon knapt, is het goed om te stoppen met het verstoppertje spelen in de derde persoonsenkelvoud en toe te geven dat ikzelf die jongen ben. Maar daardoor laad ik wel direct de verdenking op dit verhaal dat het nu verder zal gaan over hoe ik dan dichter ben geworden, hoe ik mijn heil vond in het opkopen van alle bundels van Remco Campert en Lucebert en Gerrit Kouwenaar en Simon Vinkenoog in het lokale antiquariaat van Sneek. Allemaal dichters die tot de beroemdste van Nederland behoren en allemaal dichters die nooit, voor zover ik na kan gaan, in Sneek zijn geweest. Hoe ik schoorvoetend zelf ook gedichten ging schrijven, die ik voordroeg op jazzjamsessies in Sneek en Leeuwarden (op erbarmelijk niveau) en hoe ik mij via die gedichten langzaamaan wist los te weken uit de ijzeren greep van Sneek, de Sting en mijn moeder. Dat deed ik echter niet, of in ieder geval niet meteen, ik zocht mijn heil in de eerste plaats heel ergens anders.

Aangezien ik drummer was, maar zoals gezegd niet de beste drummer, besloot ik een set conga’s (van die grote houten met zo’n bolle buik), een set bongo’s (van die kleine houten die je tussen je benen klemt) en een set timbales (van die stalen met die koebellen eraan, die pang doen) te kopen van mijn bijbaantjesgeld en te proberen de beste percussionist van mijn middelbare school te worden. Dat was niet moeilijk, want er was überhaupt geen percussionist in heel Sneek. Ik ga nu toch weer terug naar het derde persoonsenkelvoud omdat het toch te belachelijk voelt.

Stel je die pukkelige tiener voor, nu op een zolder, de scheve wanden zijn behangen met van die foammatjes met eierdoos-reliëf om het geluid te dempen. Het ruikt er licht naar pijptabak. Het is een vrij ruime zolder, genoeg ruimte voor al dat slagwerk, en de jongen heeft een koptelefoon op die met een lange draad verbonden is met de cd-speler. In de cd-speler zit één van de vijf cd’s uit de salsa-box die hij via de Volkskrant heeft besteld (er stond een advertentie in het cultuursupplement). Hij kijkt er heel geconcentreerd bij, zijn smalle gezicht strakgetrokken, maar dat moet ook want jongens die opgroeien in Zuid-West-Friesland spelen niet bij geboorterecht de 2/3 sonclave mee. Als je uit het dakraampje kijkt, kun je koeien zien grazen.

En in het cd-boekje studeert hij op de namen van de grote salsa-sterren van begin jaren zeventig in New York. Let wel, dit is ver voor de salsa romantica, de tijd dat salsa nog rauw was, versmolten met illegale hanengevechten en straatbendes. Gemaakt door immigranten uit Puerto Rico, Cuba en Midden-Amerika, de tijd dat grootgrondbezitters hele huizenblokken in El Barrio (de latinowijk in de Bronx) regelmatig expres in brand stoken, omdat de verzekering beter uitbetaalde dan hun huurders ooit zouden kunnen doen. In die wijk, in die blokken, zong de tragische Hector Lavoe als voorprogramma van boksgevechten, beet de manische La Lupe zichzelf in de borsten als onderdeel van haar optredens, zette bandleider Willie Colon zichzelf op zijn albumhoes naast een in een tapijt gerold lijk, zo’n twintig jaar voordat de eerste gangstarapper ten tonele verscheen. Eddie Palmieri maakte zijn mooiste plaat in de gevangenis en Ruben Bladès zong bevlogen linkse liederen, een Spaanse bewerking van Mackie Messer van Brecht, maar dan wel met een loeistrakke blazerssectie en een sample van een New Yorkse politiesirene erdoorheen. Die linkse liederen zette de Sneker jongen weer op het spoor van Che Guevara, waardoor hij een week later op budget-Allstars van de Scapino op school verscheen, die hij zelf had bespoten met een grote, gele hamer en sikkel.

Tot groot verdriet van zijn moeder.

In Sneek is vooral plek voor sport en Apfelkorn. Dat was toen zo, dat is ben ik bang nu ook nog zo. En veel van de mensen waarmee ik op de middelbare school zat, hadden geen enkel probleem met dat loeistrakke keurslijf. Die hebben hun Apfelkorn (en Boswandeling en Coebergh Bessen) gedronken, zijn toen misschien snel iets wezen studeren in Leeuwarden, maar bleven in Sneek wonen, kregen kinderen, kochten een huis en gingen dat verbouwen, doen nu iets voor een vereniging, zijn gelukkig. Ze hebben vrienden die op hen lijken, ouders die op hen leken en in de coulissen staat alweer een nieuwe generatie klaar die precies hetzelfde zal gaan doen. Ze bedoelen het niet zo, ze zeggen het ook niet letterlijk, maar in hun massaliteit dwingen ze toch echt een zekere navolging af. Doe je het niet als hun, dan ben je raar, en raar zijn mag wel, maar als je raar wilt zijn, moet je tegen het gevoel kunnen dat je raar bent. Dat is niet alleen in Sneek het geval, maar ook in Medemblik, Sittard, Veghel, Doetinchem, Delfzijl.

Het is niet fijn om je raar te voelen, dus hoe draag je dat? Daar helpt een droom bij. En personages, idolen, die in die droom kunnen spelen. Mensen waar je huizenhoog tegenop kijkt, waar je naar kunt reiken. Je bent misschien raar, maar je bent ook een New Yorkse salsamuzikant uit de jaren zeventig, ook al zit je nu nog vast op je middelbare school. En tijdens dat reiken til je jezelf ergens uit of ergens overheen.

Op de radio hoor ik een wethouder bazelen over representatie, over jonge kunstenaars die de achtergrond waaruit ze zijn voortgekomen representeren. Zij lokken hun wijk, hun dorp, hun gemeenschap naar het theater, de bibliotheek, de galerie. Dat is onzin. Kunstenaars zijn juist de pubers die niet in hun eigen achtergrond passen. Rare mensen die niet bij de status quo aansluiten, vinden anderen en vinden zijzelf. Dus dromers die weg willen. Hun belachelijke, niet-passende, pretentieus en volslagen absurd aandoende dromen zijn de dunne touwbrug waarover ze wegsluipen, hup de wijde wereld in. En dat soort touwbruggen lopen door alle generaties heen.

Wie bouwt aan zijn kunst
vernietigt zijn huis,
vindt geen slaapplaats meer,
geen veiligheid, geen wekker,
geen lamp om bij te lezen.
Zijn schoenen raken afgetrapt,
zijn ogen vuil,
zijn lichaam luchtig van ontucht -
onder het moordenaarslicht van de te kleine stad
verraden zich al zijn gebaren.

 

Ik geloof dat iedereen eenzaam is
gevangen in deze kou
die uit de grond komt.
De stad een ziek nachtcafé
waar souteneurs pochen op hun vuil vak
tegen schilders en matrozen.
Ik zit in de tram
en hoor iemand praten over tien gulden opslag
en merk dat ik huil.

Toch nog per ongeluk geen percussionist, maar dichter geworden. Hindert niks, ook tegen dichters keek ik op, ook met het dichterschap lukte het om me los te worstelen van de plek waar ik vandaan kom. Zelfs een beetje faam mee op te bouwen, die ik weer om kon zetten in geld, dat ik weer om kon zetten in een huis om in te wonen, om een kind in te krijgen. Ik ben nog niet actief in een vereniging en ik drink geen Apfelkorn, maar daar is dan ook alles mee gezegd.

De dichters waar ik huizenhoog tegenop keek, zijn mijn collega’s geworden. Niet helemaal, want veel van hen waren al morsdood toen ik mijn eerste stappen als dichter zette, maar toch wel een beetje, omdat de dingen waarmee ik geconfronteerd word ook in hun carrières herken. Gerrit Kouwenaar zal zich ook weleens hebben moeten buigen over de scheeflopende begroting van een literair tijdschrift met zestig abonnees. Lucebert zal ook pissig zijn geweest over het maar niet uitbetalen van een factuur. Simon Vinkenoog zal ook weleens geen zin hebben gehad om op een voorstel voor een omslag te reageren. Remco Campert vind ik nog steeds een geweldige dichter, maar ik ben het ook een beetje een zak gaan vinden, omdat hij voor dat dichterschap zijn jonge gezin verliet. Er is een kloof gedicht tussen deze mannen en die pukkelige tiener, maar ik houd er een wrang gevoel aan over.

Ik weet niet wanneer ik precies van die touwbrug ben afgestapt om weer vaste grond onder mijn voeten te krijgen. Ik weet niet of het essentieel is voor het kunstenaarschap om altijd maar te blijven zoeken of die touwbrug nog verder gaat. Ik weet niet wanneer dat zoeken pathetisch wordt, een dertiger die niet rustig heeft leren zitten. Ik weet niet wanneer ik mij voor dat pathetische ben gaan schamen, want een jongen uit Sneek die dichter of salsapercussionist wil worden is ook pathetisch. Ik weet niet wanneer het hierover in het openbaar prakkeseren pathetisch wordt (vrij snel ben ik bang). Ik heb een nieuwe bank gekocht, die lekker zit, toch voelt het als een doodzonde.

Er bestaat een Fries spreekwoord, de tiid hâldt gjin skoft wat zoveel als ‘de tijd doet niet aan pauze’ betekent. De zanger Meindert Talma heeft er een leuke draai aangegeven met zijn nummer De tijd is een schoft. Erg waar en erg vervelend allemaal.

geen veiligheid, geen wekker,
geen lamp om bij te lezen.
Zijn schoenen raken afgetrapt,
zijn ogen vuil,

Ik hoor de babyfoon, het is half zeven, mijn kind wil ontbijten. Waar zijn mijn slippers godverdomme? Waar zijn mijn hamer-en-sikkelschoenen gebleven?

-

De gedichten van Remco Campert in dit stuk zijn beide afkomstig uit 'Dit gebeurde overal', De Bezige Bij 1962.