Ik betrap mezelf erop dat ik zorgarbeid niet beschouw als ‘echt werk’

Waar het maatschappelijke debat soms muurvast lijkt te zitten en twee kampen elkaar maar niet lijken te verstaan, zijn er frisse perspectieven nodig op de ‘kloven’ die Nederland de laatste jaren verdelen. Want bestaan die kloven wel echt, of maken we ze groter dan ze zijn? En als ze er dan wel blijken te zijn, hoe kunnen we ze overbruggen? In Kloofdichters vragen we dichters om hun licht te laten schijnen op deze thema's, aan de hand van hun eigen en andermans werk. Schrijver en docent Iduna Paalman wordt haar leven lang al achtervolgd door de vraag welke rol zorg in haar leven speelt, als vrouw, als maker, en sinds een aantal jaar ook als moeder.

Thema

Kloofdichters

Tags

Kloofdichters Internationale vrouwendag Essay

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Het echte werk

over zorgarbeid en de kloof tussen betaald en onbetaald werk

Een heldere herinnering: ik zit op de wc en kijk naar mijn blote voeten die boven het nepmarmer van de badkamervloer bungelen. Ik ben zes jaar, misschien jonger, mijn broertje gilt in de douchecabine omdat mijn moeder zijn haren wast. Ik hoor het nauwelijks want ik denk na over een vraag die me al een tijdje bezighoudt. Wil ik later vader of moeder worden? Ik vind het een netelige kwestie, aan beide opties zitten voor- en nadelen. Als ik moeder word, ben ik thuis, naai ik nieuwe kleren van oude lappen en was ik de haren van mijn kinderen, precies zoals mijn eigen moeder doet. Gezellig maar je wordt er ook heel moe van? Word ik vader, ga ik naar een kantoor in een grijs, gestreken pak, zoals mijn eigen vader, en neem ik briefpapier mee van ‘de zaak’ voor mijn kinderen om op te tekenen. Ook leuk maar dan ben ik elke dag voor het ontbijt al weg, wil ik dat? En ik moet verliefd zien te worden op iemand die de rol wil die ik niet wil, daar denk ik ook over na. Want dat de twee rollen elkaar nodig hebben lijkt me duidelijk. Dat je op een gegeven moment kinderen krijgt met zo iemand lijkt me ook een gegeven. Mijn ene voet is de moederoptie, mijn andere voet de vader, ik laat ze bungelen en met de enkels tegen elkaar tikken terwijl mijn broertje gilt en gilt.

Twintig jaar later lees ik het boek Cruel Optimism waarin schrijver Lauren Berlant stelt dat de mensheid langzaam wordt uitgeput door sociale en economische structuren. Kapitalistische levensvormen, schrijft ze, zetten ons vast in idealen die het leven de moeite waard maken (stabiliteit, liefde, werk, maatschappelijke zekerheid) terwijl het economische systeem dat dit ideaal produceert juist lichamelijke slijtage en emotionele afpeigering veroorzaakt. Natuurlijk weet ik inmiddels dat genderrollen niet meer zo vastliggen als in de vorige eeuw en dat ik met een beetje moeite ook ‘vader’ zou kunnen worden. Of in ieder geval de zorgtaken van een eventueel gezin met een partner zou kunnen delen. Toch laat ik mijn gedachten over ouderschap vooral leiden door de angst te worden verzwolgen onder het gewicht van zoveel zorg dragen. En zo weinig echt werk kunnen doen. Berlant schrijft: ‘Hoe lang denken mensen al na over het heden als iets dat zwaar weegt, als een ding dat losstaat van andere dingen, als iets dat een obstakel is voor het leven?’ Ik wil mijn heden niet ervaren als een gewicht dat het leven belemmert, maar ja, ik ben net afgestudeerd, ik moet werk vinden dat de rekeningen betaalt. Ik besluit les te gaan geven, wat een prachtige maar zeer uitputtende vorm van zorg dragen is. Ik vraag me af of zo’n beroep te combineren is met schrijverschap, met vrienden en familie onderhouden, met kinderen krijgen, het lijkt me dubbelop, ik word paniekerig als ik eraan denk.

Lauren Berlant - Cruel Optimism (2011)
Daniela Seel - Nach eden (2024)
Lynn Berger - Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald) (2023)
Silvia Federici - Wages against Housework (1975)

Weer acht jaar later lees ik een gedicht van de Duitse dichter Daniela Seel uit haar bundel Na Eden, vertaald door Ton Naaijkens, waarin ze een postparadijselijke wereld schept en Eva de wereld in stuurt, ‘om/te kiezen voor sterfelijkheid, eropuit te gaan,’/de verte in, huisloos, op zichzelf te bouwen.’ De gedichten zoeken naar hoe toereikend te zijn, en hoe dat als zorgdrager afhangt van iedereen behalve jezelf. ‘Wat was er in de crèche?’ schrijft Seel. ‘Soms wil ik een gebaar maken,/gericht tegen mijn eigen grofheid./ Of ik toereik weet ik niet./ Het is niet aan mij dat te bepalen.’ Inmiddels heb ik kinderen gekregen en is het zorg dragen een constante factor in mijn leven. Ik betrap mezelf erop dat ik dat niet beschouw als ‘echt werk’.

In 1975 schreef de Italiaans-Amerikaanse Silvia Federici het essaypamflet Wages against housework en stelde daarin dat huishoudelijk werk (praktische taken net zo goed als emotionele zorg) geen natuurlijke uitdrukking van vrouwelijkheid is, maar essentiële arbeid voor het kapitalisme. Het onderhoudt dagelijks de arbeidskracht (de arbeider zelf, diens energie, diens kinderen), en is daarmee een fundamentele voorwaarde voor loonarbeid. Federici’s punt was provocerend: het probleem is niet alleen dat vrouwen geen loon krijgen (waar haar feministische actiegroep Wages for housework al voor pleitte), maar dat hun werk überhaupt niet als werk wordt erkend. ‘Ze zeggen dat het liefde is,’ schrijft Federici, ‘wij zeggen dat het onbetaald werk is.’ En ze bedoelt niet zomaar onbetaald werk, maar ‘een van de meest wijdverbreide manipulaties, de meest subtiele en mystificerende vormen van geweld die het kapitalisme heeft gepleegd tegen elk deel van de arbeidersklasse.’

Eenenvijftig jaar na het pamflet van Federici, in februari 2026, lees ik op de NOS twee nieuwsberichten over de toenemende druk op mantelzorgers. Er zijn in Nederland zo’n vijf miljoen mensen die een vorm van onbetaalde zorg verlenen aan een naaste, vaak langdurig. Bijna de helft van hen heeft ook betaald werk. Op dit moment kunnen die voor hun mantelzorg twee weken betaald verlof opnemen en zes weken onbetaald. De spanning die hierdoor ontstaat zorgt voor burn-outs en uitval. Dat moet allemaal anders en beter vinden veel mensen, maar in het nieuwe coalitieakkoord is zorg vooral een bezuinigingspost. Tegelijkertijd staat in datzelfde akkoord potsierlijk dat ‘een zorgzame samenleving niet kan zonder de onbetaalbare inzet van vrijwilligers en mantelzorgers.’

Onbetaalbare inzet? Eenenvijftig jaar na Federici’s pamflet is nog steeds niet doorgedrongen wat ze bedoelde. Niet tot de beschouwing van werk in de politieke besluitvorming, en (dus ook) niet tot mijn eigen beschouwing. Waarom worden traditionele genderrollen steeds vaker ontmanteld maar blijft zorgarbeid in de laagste versnelling hangen? In 2023 schreef Lynn Berger voor De Correspondent een boek dat Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald) heet – waarom werd het ontvangen alsof Berger iets nieuws aan de kaak stelde?

De spanningen op het gebied van zorg hebben diepe wortels in de structuur van onze sociale orde, zegt ook filosoof en kritische theoretica Nancy Fraser. Ze onderzoekt de ‘crisisneiging’ van elke vorm van een kapitalistische samenleving: wat het systeem nodig heeft om te blijven functioneren, wordt erdoor uitgeput. Deze economie, schrijft Fraser, ‘lift mee’ op activiteiten van voorzieningen, zorgverlening en onderlinge omgang die sociale verbanden voortbrengen en in stand houden, hoewel ze daaraan geen geldwaarde toekent en ze behandelt alsof ze gratis zijn. De druk op en het tekort aan zorg dat we vandaag ervaren – de zogenoemde ‘zorgcrisis’ – is volgens haar dan ook geen bijverschijnsel, maar een symptoom: ‘het is de vorm die deze tegenstrijdigheid aanneemt.’ Er is een zorgtekort omdat zorgdragers uitgeput worden door het systeem. Klinkt troostrijk, alsof mijn paniek dus terecht was. Maar hoewel ik Federici’s en Frasers opvattingen deel, vraag ik me nog steeds af waarom ik na een dag zorgen, schoonmaken, (op)voeden en troosten alsnog niet het gevoel heb dat ik echt gewerkt heb. Komt dat door mijn opvoeding, met een moeder die ‘thuismoeder’ was en niet ‘uit werken’ ging? Of heeft het te maken met de zelfbeschikking en keuzevrijheid in dit verhaal? Ik heb zelf gekozen voor deze levensvorm met kinderen, dan moet ik dus ook niet zo jammeren om erkenning voor het werk dat ze opleveren? Of moet ik het breder zien dan alleen mijn eigen wasrek, mijn eigen peuter aan mijn eigen been?

Dat zorg in de meeste gevallen inderdaad uit liefde voortkomt, maakt al deze processen natuurlijk zo vleugellam, zo gevoelig voor sabotage en ondermijning. Liefde, dat toegewijde, zichzelf in de uitverkoop gooiende mechanisme. Daniela Seel vraagt zich af of Eva’s bevrijding niet juist een wreedheid heeft ontketend, en zoekt naar manieren om te relativeren en zich te plooien:

‘Denk dat jullie er zijn, jullie vormen
van inschikkelijkheid. Op de binnenplaats grijpt
mijn hand een steen, weegt zijn wisselwarme gewicht.
Hoeveel ouder dan ik is hij, hoeveel menselijker
in zijn onmenselijkheid. Betekent leven
wreed zijn? Wie bestemt me?
Soms wil ik zeggen: mijn sterven.
Mijn sterven vanaf Eva.’

Ik denk aan het zesjarige meisje in de badkamer, vraag me af of haar keuzestress niet toch terecht was, of noodzakelijk. Zorgarbeid is een structurele economische functie. Het neoliberale arbeidsideaal veronderstelt een autonome, beschikbare werker. Wat als die werker al werk heeft, welke rol neemt die dan aan? Ik ben schrijver, docent, moeder, ik zorg voor mijn vrienden en familie, er wordt voor mij gezorgd. Het lijkt in evenwicht, maar dat is het vaak niet. Het schipperen, is dat het probleem van de werker? Ik herinner me een gesprek met de rector van een school waar ik lang lesgaf. We zaten te schuiven met mijn uren, ik durfde iets te zeggen over werkdruk, schrijfambities, vage gedachten over een gezin, misschien ooit. De rector zei: ‘Ik hou niet zo van deeltijdprinsessen.’ Ik trok mijn wenkbrauwen op alsof ze een grap maakte, wilde haar al zeggen dat deeltijdprinsessen vaak gewoon voltijdssoldaten zijn, en waar ze het lef vandaan haalde, besefte toen dat het zorgtekort natuurlijk ook doordringt tot in haar personeelstabel, keek naar haar gestreste gezicht, en hield mijn mond.