Onlangs bezocht ik, samen met mijn dochter, de Tilda Swinton-tentoonstelling in filmmuseum Eye. Ongoing (november 2025–februari 2026) beloofde zich te richten op Swinton als acteur, kunstenaar, schrijver en stijlicoon, met nadruk op haar creatieve samenwerkingen en ‘uitzonderlijke’ bijdrage daaraan. In tal van filmfragmenten zou zich voor onze ogen een leven ontvouwen gevuld van artistieke vriendschappen, inspiratie en politieke urgentie.
We werden geleid langs persoonlijke objecten en werken: A Biographical Wardrobe toonde kledingstukken die Swinton zelf heeft gedragen, en geërfde stukken, zoals de uniformen van haar grootvader en haar vader, die in de Tweede Wereldoorlog op negentienjarige leeftijd zijn been verloor. Diens houten prothese, nog met geruite pantoffel eraan, lag in een vitrine. We zagen de jonge, roodharige Swinton, vegerig en schokkerig in beeld, in de tuin bij Derek Jarmans Prospect Cottage, het zwartgeteerde huis aan de kust van Dungeness, tussen een weelde van paarse bloemen. In Phantoms, van Apichatpong Weerasethakul, bezocht zij haar familiehuis in Schotland; droomachtig verdubbeld verscheen ze in beeld, de deuren van de smaakvol ingerichte villa kraakten, haar stem bleef beheerst: The house feels warmer than I expected.
Lag het aan wat werd getoond, of aan de museale ordening zelf: een esthetische rangschikking waarin breuk, frictie of tegenspraak nauwelijks plaats kregen? Gaandeweg tekende zich een zekere leegte af. We zagen androgyne glamour, dunheid, witheid. Alles zorgvuldig geënsceneerd, maar zonder dat we dichter kwamen bij een overtuiging, een verlangen of een conflict. Wat was de inzet? Waarom deze expositie, juist nu?
Zaal na zaal bleef het bij een fraai spel met Tilda als enigmatische muze, ongrijpbaar, ogenschijnlijk zonder krassen of innerlijke wonden, binnen een wereld van privilege die niet werd bevraagd, maar stilzwijgend bevestigd; een prachtige, afgesloten tuin. Bij het houten been in de vitrine lazen we dat ook haar grootvader een been had verloren, in de Eerste Wereldoorlog, en dat daar thuis nooit over was gesproken. Misschien zou zich hier iets openen, dachten we. Misschien zouden we hier een doorgang krijgen.
Maar nee.
Natuurlijk: iedere kunst schept een wereld, zet een kader neer, kiest een voor- en achtergrond. Maar wanneer ze zich comfortabel terugtrekt in een decor dat de vanzelfsprekendheid van vaste posities representeert, verliest ze haar vermogen tot betekenis. Niet omdat ze onvrij zou zijn, maar doordat ze niets meer op het spel zet.
Hoe anders was het effect van het optreden van Benito, Bad Bunny, tijdens de Super Bowl. Zo anders dat ik, en miljoenen met mij, deze performance sindsdien talloze malen opnieuw heb bekeken en beluisterd. In een arena die zo vaak zelf decor is voor spektakel, bracht Bad Bunny een levendige menigte binnen van dansende, zingende mensen, die zwaaiden met vlaggen uit heel het gedeelde continent: ‘God bless America,’ riep hij, en noemde alle landen op: Chili, Argentinië, Uruguay, Paraguay, Bolivia, Perú, Ecuador, Brazilië Colombia, Venezuela, Guyana, Panama, Costa Rica, Nicaragua, Honduras, Guatemala, Mexico, Cuba, El Salvador, de Dominicaanse Republiek, Jamaica, Haïti, de VS, Canada, en het eigen Puerto Rico.
Wat Bad Bunny liet zien verschilt fundamenteel van het gebruikelijke: wat doorgaans als marge verschijnt, onzichtbaar blijft of tot achtergrond wordt gemaakt, bewoog nu naar voren en nam ruimte in. Er was geen centraal ik dat de omgeving fixeerde tot decor, maar een wij dat voortdurend stroomde en zich herschikte. Niemand bleef op zijn plaats; zelfs het podium verschoof mee.
Bad Bunny viel door een setelement, stond op, klopte het stof van zich af, en liep de menigte in. Niet terug naar een centrum, maar opgaand in een gemeenschap die zich niet langer ordende rond één punt. Kort daarop zagen we hem terzijde van Lady Gaga, klein en onopvallend dansend, daarna weer vol in het zicht op het platform van een van de elektriciteitspalen, waarmee hij refereerde aan de kwetsbaarheid van Puerto Rico’s elektriciteitsnet.
Sommige mensen vonden het vreselijk, wat zich voor hun ogen afspeelde. Misschien lag precies daar de wrijving. Waar Swintons wereld zich sloot, maakte Bad Bunny er een open: hij ontregelde de conventionele ordening van zichtbaarheid en zo ontstond een fascinerende dynamiek: de wereld in de schaduw bleek niet verdwenen. Wat buiten het kader was gedrukt, bestond nog steeds, en liet zich niet langer wegdenken.
I just want to catch my fish, drive my truck, drink my beer, and not wake up to all this stuff I don't want to hear… I just want to cut my grass, feed my dogs, wear my boots, not turn the TV on, sit and watch the evening news, be told if I tell my own daughter that little boys ain’t little girls, I’d be up the creek in hot water in this cancel your ass world, klonk het elders, star en ongemakkelijk van een podium.
Maar toen waren wij al daar waar een onstuimig wij het decor openbrak en de zichtbaarheid, de beweeglijkheid en de verplaatsbaarheid vierde.