Over hoe we elkaar troosten: aan een huilend kind vraag je ook niet hoe het gaat

De afgelopen weken en maanden krijgt Sholeh Rezazadeh, direct of indirect, steeds vaker de vraag 'wat kan ik voor je doen?'. Er komt dan ook vaak slechts nieuws uit haar geboorteland Iran. Maar bij onze pogingen elkaar te troosten in een inclusief lijkende samenleving, weten we toch vaak niet goed hoe we met elkaar moeten omgaan in ingewikkelde tijden – zeker wanneer het gaat om verschillende achtergronden en ervaringen. Een troostkloof, zo concludeert Rezazadeh, en ze schrijft erover voor onze essayreeks Kloofdichters.

Thema

Kloofdichters

Tags

Kloofdichters Essay Poëzie
Foto van auteur Sholeh Rezazadeh. Ze draagt een wollen paarse jas en glimlacht met haar armen over elkaar naar de camera.

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Troostkloof

Er is weer slecht nieuws.

Daar kom ik al achter zonder het nieuws eens te hoeven lezen. Achtereenvolgend gebeld worden, door bekende en onbekende nummers, betekent dat er weer iets gaande is in mijn geboorteland, iets dat groot in het nieuws komt. 

Vaak neem ik niet op. De laatste tijd vooral. Het gaat meer over wat ik denk en wat mijn mening is dan over hoe het met mij gaat, denk ik.

Op moeilijke dagen, als verdriet, angst en onzekerheid te veel worden, veranderen we onbewust in een kind. We gaan terug naar het bekende, het vertrouwde, het simpele.

Wat ons kan troosten, is iets wat wij als kind kenden. Oude tradities, rituelen, de simpele momenten met opa en oma, de vertrouwde manier van emoties tonen, de observaties die we als kind hadden over hoe volwassenen om ons heen met elkaar omgingen, hoe zij elkaar en ons troost gaven.

Aan een huilend, onrustig kind vraag je ook niet hoe het gaat. ‘Kom dan kijken, geef me een knuffel, leid me af, haal iets lekkers voor me, kom spelen!’ wil ik zeggen als de vraag komt: ‘Hoe gaat het met je?’

Voor de een is troost praten, discussiëren, informatie verzamelen, begrijpen. Voor de ander is troost juist niet direct over het onderwerp praten maar afleiding zoeken, maaltijden voorbereiden, knuffelen, een vuurtje stoken, kaarsen branden, poëzie lezen, zwijgen. Vandaar dat wij in een samenleving gevuld met uiteenlopende culturen, talen en vormen van communicatie, zo in de war raken in moeilijke tijden.

Omdat we vaak geen idee hebben van elkaars oude tradities, rituelen en gewoontes, omdat we elkaar zo zelden als kind hebben zien opgroeien in elkaars gezinnen, omdat we nauwelijks aanwezig zijn geweest bij elkaars meest alledaagse, pure momenten, blijven we steken in onze eigen comfortzone. En dat is doen alsof er niets aan de hand is, omdat we toch niets kunnen of niet weten wat te doen. Of alles op onze eigen manier willen oplossen, wat soms de ander juist meer pijn veroorzaakt.

Zolang alles goed gaat, lijkt het overbruggen van onze verschillen simpel. We eten elkaars gerechten, leren een paar woorden in een andere taal, vieren af en toe een feest dat niet het onze is, worden zelfs vrienden met elkaar. We noemen dat integratie, diversiteit.

Maar hoe vaak komen we iemand uit een totaal andere cultuur tegen op het moment dat die persoon geen krachtige volwassene is, maar een kind dat buitenshuis goed weer moet blijven meespelen, ondanks de stormen?

Hoe vaak vragen we iemand waar diegene blij van werd als kind? Wat er gebeurde als die huilde? Werden er vragen gesteld, of juist geknuffeld en gezwegen? Werd er op de schouders geklopt en gezegd: ‘Vergeet het maar, het komt goed’, of werden er theorieën en meningen gedeeld over wat er mis was gegaan en waarom, en werden er oplossingen bedacht? Werd er gegeten, gedanst, gehuild, gegild, gezongen, gesprongen, gedronken? Wat was het vaste troostgerecht? Werd er op de deur geklopt of bleven de ramen en deuren gesloten? Werden er plannen gemaakt, of werden alle plannen juist losgelaten om alleen nog bij elkaar te blijven? Wat was het vaste troostgedrag?

Ik begin een gedicht:

wat kon jij doen tegen mijn pijn?
een omhelzing,
een gaatje in de agenda dat je met je eigen handen groef
mijn hoofd op je schouder, op een tapijt,  het enige overblijfsel van mijn vaderland,

Het is een antwoord op een van de meest terugkerende vragen van de afgelopen tijd: ‘Kan ik iets voor je doen?’ 

Als mens hebben we vaak geen idee waar de ander onder lijdt. Maar dat iedereen lijdt, op zijn eigen manier, dat kleine pijn niet bestaat, is wel duidelijk. 

Wetende dat iedereen die deze vraag stelt zelf ook het hoofd boven water probeert te houden, schrijf ik verder:

Toen pijn werd uitgedeeld en vreugde ook,
stonden we in andere hoeken van de aarde
ik dacht aan hoop die elke dag duurder werd, verder weg, vager
jij was moe van elke seconde rennen
door nachten en dagen die niet meer van jou waren
voor iets waarvan je niet eens meer wist wat het was

Het is duidelijk dat we uiteindelijk ook maar kuddedieren zijn die in hun eentje hopeloos en machteloos kunnen zijn, en de weg kwijtraken.

En dat we, dat wetende, toch onverschillig blijven en wegkijken, of geen enkele moeite doen om iets nieuws te leren over het omgaan met emoties in andere culturen, niets anders proberen en in het beste geval alleen op de hoogte zijn van het nieuws, vooral hier en nu, is eng en moeilijk te begrijpen.

Hier, met zoveel mogelijkheden om elkaar beter te leren kennen. Op straten die vol zijn met mensen uit verschillende landen, met genoeg ruimte en kansen om met elkaar in gesprek te gaan, om elkaar te observeren. En nu, terwijl technologie ervoor zorgt dat praten in een andere taal niet eens noodzakelijk is om contact te leggen, of ergens fysiek aanwezig te zijn niet langer de enige manier is om elkaar te zien.

Met zoveel mogelijkheden om te reizen en andere mensen en landen te zien, houden we zelfs op vakantie afstand van het echt kennis maken met culturen.

We blijven in onze warme bubbel. We gaan niet tijdens het proeven van een maaltijd uit een ander land, in het restaurant even naar de keuken om met de medewerkers contact te zoeken, we voeren geen diep gesprek met de tandarts die hier niet is opgegroeid en iets goedkoper of iets gezelliger is. We gaan niet langs bij de buurvrouw die uit een land komt waar oorlog nog gaande is, maar hangen wel de vlag van haar moederland uit ons raam zonder te weten dat zij daar vandaan komt. Zonder eens te weten wat mensen uit dat land doen als ze verdrietig zijn en wat ze van hun buren verwachten op de moeilijke dagen. We maken geen tijd voor de collega die er al een tijd niet blij uitziet omdat onze agenda al vol is met golf, hockey en yogalessen; alsof verdriet in te plannen is en een gemiste les een ramp.

We blijven praten over hoe divers het hier is, hoe vrij. Hoe iedereen zichzelf mag zijn, hoe gelukkig de mensen zijn die hier zijn komen wonen. Zonder te weten hoe iemand zich hier werkelijk staande houdt. Zonder te weten wat er gebeurt op de momenten dat iemand niet meer sterk is, maar zoekt naar wat ooit troost gaf en dat niet meer kan vinden. Zonder te weten hoe groot de kloof kan zijn, juist op de momenten dat we elkaar het hardst nodig hebben om bruggen te kunnen bouwen. Alsof we niet weten dat we bij elkaar moeten blijven. Alsof we niet weten dat we maar elkaar hebben.  

Ik schrijf door. We hebben elkaar.

kijkend naar de wereld, een speeltuin van tachtigjarige kleuters,
zagen we elkaars eenzaamheid,
en ruimden we in stilte de laatste gebroken scherven op
verbonden we
de wonden
na elk feest, na elke rouw, elk spel 
Blijf nog even bij me
de hele wereld is ons huilend kind