Troostkloof
Er is weer slecht nieuws.
Daar kom ik al achter zonder het nieuws eens te hoeven lezen. Achtereenvolgend gebeld worden, door bekende en onbekende nummers, betekent dat er weer iets gaande is in mijn geboorteland, iets dat groot in het nieuws komt.
Vaak neem ik niet op. De laatste tijd vooral. Het gaat meer over wat ik denk en wat mijn mening is dan over hoe het met mij gaat, denk ik.
Op moeilijke dagen, als verdriet, angst en onzekerheid te veel worden, veranderen we onbewust in een kind. We gaan terug naar het bekende, het vertrouwde, het simpele.
Wat ons kan troosten, is iets wat wij als kind kenden. Oude tradities, rituelen, de simpele momenten met opa en oma, de vertrouwde manier van emoties tonen, de observaties die we als kind hadden over hoe volwassenen om ons heen met elkaar omgingen, hoe zij elkaar en ons troost gaven.
Aan een huilend, onrustig kind vraag je ook niet hoe het gaat. ‘Kom dan kijken, geef me een knuffel, leid me af, haal iets lekkers voor me, kom spelen!’ wil ik zeggen als de vraag komt: ‘Hoe gaat het met je?’
Voor de een is troost praten, discussiëren, informatie verzamelen, begrijpen. Voor de ander is troost juist niet direct over het onderwerp praten maar afleiding zoeken, maaltijden voorbereiden, knuffelen, een vuurtje stoken, kaarsen branden, poëzie lezen, zwijgen. Vandaar dat wij in een samenleving gevuld met uiteenlopende culturen, talen en vormen van communicatie, zo in de war raken in moeilijke tijden.
Omdat we vaak geen idee hebben van elkaars oude tradities, rituelen en gewoontes, omdat we elkaar zo zelden als kind hebben zien opgroeien in elkaars gezinnen, omdat we nauwelijks aanwezig zijn geweest bij elkaars meest alledaagse, pure momenten, blijven we steken in onze eigen comfortzone. En dat is doen alsof er niets aan de hand is, omdat we toch niets kunnen of niet weten wat te doen. Of alles op onze eigen manier willen oplossen, wat soms de ander juist meer pijn veroorzaakt.
Zolang alles goed gaat, lijkt het overbruggen van onze verschillen simpel. We eten elkaars gerechten, leren een paar woorden in een andere taal, vieren af en toe een feest dat niet het onze is, worden zelfs vrienden met elkaar. We noemen dat integratie, diversiteit.
Maar hoe vaak komen we iemand uit een totaal andere cultuur tegen op het moment dat die persoon geen krachtige volwassene is, maar een kind dat buitenshuis goed weer moet blijven meespelen, ondanks de stormen?
Hoe vaak vragen we iemand waar diegene blij van werd als kind? Wat er gebeurde als die huilde? Werden er vragen gesteld, of juist geknuffeld en gezwegen? Werd er op de schouders geklopt en gezegd: ‘Vergeet het maar, het komt goed’, of werden er theorieën en meningen gedeeld over wat er mis was gegaan en waarom, en werden er oplossingen bedacht? Werd er gegeten, gedanst, gehuild, gegild, gezongen, gesprongen, gedronken? Wat was het vaste troostgerecht? Werd er op de deur geklopt of bleven de ramen en deuren gesloten? Werden er plannen gemaakt, of werden alle plannen juist losgelaten om alleen nog bij elkaar te blijven? Wat was het vaste troostgedrag?
Ik begin een gedicht: