Mag literatuur ook gewoon heel raar zijn?

Op donderdag 23 april ontvangen we tweevoudig Libris-winnaar Rob van Essen in onze Book Club, waar we met elkaar én met de auteur in gesprek gaan over zijn nieuwste roman De grote schoonmaak (2026, Das Mag). Het verhaal volgt Thomas, die op zijn zeventiende iets onverklaarbaars meemaakt dat zijn leven voorgoed tekent. Hoe houd je vast aan je eigen waarheid als niemand je gelooft? Redacteur Yosha Voesenek helpt je de houvast te vinden in dit eigenzinnige verhaal.

Thema

ILFU Book Club

Tags

ILFU Book Club

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Mag literatuur ook gewoon raar zijn?

De grote schoonmaak begint als een klassieke bildungsroman. Thomas is zeventien en ziet het niet meer zitten op school. Hij laat zijn VWO-diploma varen en gaat in een lokale supermarkt aan de slag, waar hij na sluitingstijd lauwe biertjes achterover tikt met de winkeleigenaar, een wat eigenaardige man. Na een tijdje vertrekt hij naar Amsterdam waar hij – het is tenslotte de jaren tachtig – in de kraakbeweging terechtkomt. Hij ontplooit zich tot kunstschilder, wordt verliefd, en schrijft zich in voor een studie filosofie. Gedurende de rest van het verhaal zweeft hij rond, tussen plekken en mensen. Hij is zoekende, maar naar wat precies? 

Oke, nu laat ik één element achterwege. Het element dat de gehele roman in beweging brengt, en waarvan ik niet precies weet hoe ik het moet introduceren. Het is namelijk nogal bizar. We spoelen even terug naar Thomas’ tijd in de buurtsuper. Op een ochtend loopt er een levensgrote fles schoonmaakmiddel de winkel binnen. Thomas kijkt hier niet raar van op; de winkel doet wel vaker mee aan promotieacties. Waar hij wél raar van opkijkt is dat het pak schoonmaakmiddel aan het eind van de dag aan een rek blijft haken, openscheurt, volledig leegloopt en er helemaal niemand in het pak blijkt te zitten. 

De afgelopen weken beleefde ik groot plezier aan het onthullen van de plot van De grote schoonmaak aan de mensen om mij heen. Het boek haalde iets theatraals in me naar boven; ik wilde de ontmaskering van de levende fles schoonmaakmiddel zo dramatisch mogelijk opvoeren. ‘Nee, wat?’, ‘Hoe verzín je zoiets?' en ‘Belachelijk!’ waren de meest voorkomende reacties. Dat zorgde er tegelijkertijd voor dat het verhaal, in mijn hervertelling, ook iets plats kreeg. Mijn genot berustte puur op het spektakel, zoals het in scène gezette drama in een realityshow. Maar is dat een probleem? Moet ‘goede’ literatuur per definitie meer zijn dan spektakel? De vraag die iedereen vervolgens stelde, was dan ook: ‘Waarom zou je zoiets schrijven?’ Is het, zoals Van Essen zelf zegt, vooral ‘kijken waar ik mee weg kan komen’, een plot verzinnen dat simpelweg heel raar is, of tracht het toch iets diepers over onze samenleving bloot te leggen? 

De grote schoonmaak, Uitgeverij Das Mag, 2026

Van Essen thematiseert die betekenisvraag ook in de roman. Na zijn tijd in de supermarkt gaat Thomas schilderen om de absurde ervaring te verwerken: enorm grote doeken waarop schoonmaakflessen met armpjes en beentjes zijn afgebeeld. Kunstcritici vinden zijn werk fantastisch. Ze beschouwen het als kritiek op de kapitalistische consumptiemaatschappij, zonder dat Thomas daar zelf ooit een woord over rept. Als hij zijn ervaring in de supermarkt eindelijk met zijn vriendin Jasmijn deelt is ze woest: ‘Weet je wat ik nog het ergste vind? Als dit het verhaal is dat je ervan wilt maken, depolitiseer je met terugwerkende kracht je hele oeuvre. Het ging toch om kritiek op de consumptiemaatschappij? En dan dit ongeloofwaardige gezeik.’ Zonder die boodschap verliest zijn kunst al haar waarde. Jasmijn verwoordt hier iets wat lezers wellicht ook zullen voelen: de behoefte om kunst van een kritische laag te voorzien om het als waardevol te kunnen beschouwen. Maar misschien zegt die behoefte zelf meer over ons dan over het boek. 

Is dit alleen een uit de hand gelopen schrijfoefening, of onthult Van Essen daadwerkelijk een filosofische laag via het absurde?

Het boek roept veel vragen op. Is dit alleen een uit de hand gelopen schrijfoefening, of onthult Van Essen daadwerkelijk een filosofische laag via het absurde? En is onze behoefte aan een filosofische laag niet een elitaire opvatting dat kunst maatschappijkritisch moet zijn? Mag kunst ook gewoon heel raar zijn, zonder daar vervolgens iets mee te moeten zeggen? In ieder geval genoeg stof tot nadenken tijdens de ILFU Book Club op 23 april.