Dit is een enorm druk jaar voor jou. Naast een debuutroman maakte je ook een theatervoorstelling en ben je bezig met een album. Hoe is het idee voor dit drieluik debuut tot stand gekomen en hoe hangen de drie delen voor jou met elkaar samen?
Ik heb heel lang naar dit jaar toegewerkt. Ik ben naar Nederland verhuisd om muziek te studeren aan het conservatorium van Amsterdam. Muziek is waar het allemaal begon eigenlijk. Maar ik heb ook altijd gezegd dat ik niet zou zingen als ik niet zou schrijven. Op een gegeven moment ben ik iets langer gaan zitten met die vraag. Zelfs als kind bewoog ik al heel makkelijk tussen verschillende werelden en kunstvormen; als ik een tekening maakte had ik er ook altijd een heel verhaal bij bedacht. Het bewegen tussen verschillende kunstvormen voelt nog steeds heel natuurlijk. De passie zit voor mij in het vertellen van het verhaal maar de vorm kan vervolgens van alles zijn. Door mezelf voor dit drieluik de rol toe te kennen van verhalenverteller kon ik de vormen die voor mij het meest als thuis voelen verkennen. Zo hoefde ik niet te kiezen.
Vertel je met alle drie de delen dan ook hetzelfde verhaal?
De queer legacy van Suriname loopt als een rode draad door alle werken heen maar wel op verschillende manieren. Mensen als zonnen en mensen als manen is mijn puzzelstukje in die queer legacy en het verhaal dat ik zelf heb gemist omdat ik vroeger dacht dat die verhalen niet bestonden. In deel twee, de theatervoorstelling, ga ik vervolgens letterlijk een dialoog aan met die queer legacy, met Edgar Cairo dus. Ik kende de naam Edgar Cairo al wel uit de Surinaamse literatuurlijsten, maar zijn queerness was geen onderdeel van de lessen op school. Hij is voor mij symbool geworden voor die Surinaamse queer legacy omdat hij by far de meest expliciete en kleurrijke stem is die ik ben tegengekomen. Die eerste twee delen van het drieluik gingen voor mij heel erg over shedding, het loslaten van mijn eigen gemis om vervolgens iets dichter bij het licht te komen. En dat licht ga je geleidelijk aan herkennen in het derde deel van mijn drieluik. De beweging naar het licht is hoorbaar en voelbaar in mijn album, maar het is nog niet gelukt om het volledig te omarmen. Dat wordt dus mijn volgende missie.
Hoe waren die maakprocessen dan verbonden? Liep dat soms door elkaar heen?
Ik heb verschillende fases gehad waarbij de maakprocessen door elkaar liepen en dat vond ik ook juist heel fijn omdat ik het gevoel had dat ze elkaar voedden. Ik had het album niet kunnen maken als ik het boek niet had geschreven. Bepaalde songs zijn de soundtracks van bepaalde scènes in het boek en door het schrijven van het boek en de voorstelling kreeg ik steeds helderder hoe die twee vormen van elkaar verschillen en elkaar aanvullen.
In ‘Pennenzoon’ zien we Edgar Cairo weer terug. Waar begon dit korte verhaal voor jou mee?
Ik heb heel veel van mijn eigen gemis en verlangen geprojecteerd op Cairo’s verhaal. Er wordt gezegd dat hij aan het eind van zijn leven psychotisch is geworden, grootheidswaanzin had en zichzelf de tweede zoon van God noemde. In mijn voorstelling gaat het over het verdriet dat ik voelde toen ik een held ontdekte, om er vervolgens achter te komen dat hij uiteindelijk toch alleen en verdrietig is gestorven. Ik wilde in mijn werk een poging doen om het narratief om te draaien en hem te geloven. Op een gegeven moment ging er toch iets knagen bij mij omdat ik natuurlijk geen directe zegen van hem kon krijgen om dit werk te maken. Tot hoe ver mag ik gaan om vanuit mijn eigen gemis en verlangen zijn verhaal te gebruiken en zijn legacy op deze manier de toekomst in te slepen? Toen ik eerder dit jaar in Suriname was, werd die vraag voor mij urgent en kwam ik eigenlijk ook tot de conclusie dat ik misschien wel een paar stappen had overgeslagen door Cairo niet op de juiste manier om toestemming te vragen. Vanuit dat gegeven heb ik ‘Pennenzoon’ geschreven.
Je schrijft: ‘Het is geen kwestie van geloven of niet geloven,’ zeiden mijn tantes, ‘Suriname is wat dat betreft a different kind of beast.’ In Pennenzoon wordt de verhalenverteller overvallen door bijna bovennatuurlijke tekens die steeds duidelijker en urgenter worden. Welke rol speelt spiritualiteit voor jou?
In Suriname wordt kennis die voortkomt uit bijvoorbeeld geloof, spiritualiteit en het ‘bovennatuurlijke’ veel serieuzer genomen dan in Nederland. Het bestaat daar simpelweg naast de kennis die voortkomt uit de dingen die zichtbaar zijn. En door mijn vraagstuk rondom Edgar Cairo ben ik het spirituele zelf ook nog serieuzer gaan nemen. Volgens mij heb ik van hem een zegen gevoeld om het verhaal te mogen vertellen maar het was ook belangrijk dat ik het verhaal aan hem teruggaf. Mijn theatervoorstelling is begonnen als een ode aan Cairo en aan zijn legacy, maar uiteindelijk ging het ook over loslaten en het teruggeven van zijn verhaal. Dat probeer ik ook in dit korte verhaal te vertellen.
Heb jij een schrijftip?
Dan keer ik toch weer terug naar de muziek. Ik heb naar heel veel instrumentale muziek geluisterd tijdens het schrijven van mijn boek en voorstelling. Bepaalde muziek hielp mij enorm om een soort bubbel om me heen te blazen en in een soort tijdscapsule te belanden tijdens het schrijfproces. Vooral tijdens de eerste stadia van het schrijven – wanneer het eerste idee eruit moet komen, hielp het mij om echt in het verhaal te zinken. Ik heb bijvoorbeeld heel veel scènes geschreven op het album Promises van Floating Points met Pharaoh Sanders.