De slakkenraper
De slakkenraper
Mijn vader was vroeger vanwege zijn uiterlijk lid van een traditionele Tuna-groep. Hij is namelijk zo amuzikaal als een duif. Als tiener had hij allerlei bijbanen, van sommelier en slakkenraper tot schilder. Ook werkte hij als fotograaf bij een commune in de Pyreneeën, die achteraf gezien veel weg had van een sekte. Zittend op een ingezakte verhuisdoos op zolder leer ik mijn vader beter kennen dan in de afgelopen zevenentwintig jaar. Op het vergeelde papier van zijn notitieboeken staat dat hij als kind een tijdlang stopte met praten, net als ik.
Herinneringen krijgen mettertijd een stoflaag, denk ik terwijl ik nies. Pas als je ze schoonveegt, zie je hoe het zonlicht ze heeft verkleurd en hoe de papiervisjes de hoekjes hebben aangevreten. In een rood schoolschrift schreef mijn vader dat hij als jongen onder de dienstplicht was uitgekomen vanwege zijn geringe lengte. Soldaten kwamen langs met een meetlint ter controle. Kort daarna kreeg hij een groeispurt en werd hij langer dan zijn grote broer. Al zijn ze volgens mij eerder even groot.
In zijn schriften lees ik over de nacht dat hij in de gevangenis belandde, nadat hij ‘Visca Catalunya!’ op de stadsmuren had gespoten uit protest tegen Franco. Om de nacht door te komen wreef hij over de grote neus van koning Filips II op zijn gouden geluksmunt. Die munt had hij in het veld gevonden tijdens het slakken rapen. In het slijmspoor van een dikke slak voelde hij iets hards onder zijn vingers. Hij veegde de munt schoon en volgde het reliëf met zijn wijsvinger. Mijn vader grapte altijd dat hij een schat van piraten had gestolen.
Wat is de meest onwaarschijnlijke plek om zoiets kostbaars te bewaren? Een schoenendoos misschien? Nee. Daar vind ik alleen een dode muis naast een zakje chocolademunten met als houdbaarheidsdatum 1-1-2003. Toen ik vijf werd, liet mijn vader me de gouden munt even vasthouden. Hij voelde koud en zwaar aan in mijn hand. Ik probeerde me voor te stellen hoeveel veldslagen die munt had overleefd. Mijn vader zei op een bloedserieuze toon: ‘Als er iets met mij gebeurt, onthoud deze plek dan goed.’
Alleen veranderde hij die ultrageheime plek elke week. In het begin maakte ik nog aantekeningen in mijn Totally Spies-dagboek (tien stappen naar links, derde boek van rechts, pagina x van het alfabet). Maar al gauw werd dagdromen over buurmeisjes die in het geheim spionnen waren interessanter dan schatkaarten maken voor een stokoude munt waar niemand anders naar zocht. En zoals mijn vader altijd als een open deur zei: ‘Als je iets niet weet, vraag het dan.’ Het enige probleem is dat om hulp vragen nooit mijn sterkste kant is geweest.
‘Ben je verbaasd om me hier te zien?’ Ik neem plaats naast mijn vaders elektrische rolstoel. De verpleeghuismuren waren volgens het vierkant in het midden ooit spierwit. Ik probeer niet te bedenken wat er met dat schilderij is gebeurd. Voor me op tafel staat een kopje lauwe zwarte thee, die eruitziet als modderwater. Ik doe alsof ik een slok neem. Wanneer ik per ongeluk toch wat thee binnenkrijg, smaakt het naar potaarde.
‘Weet je nog dat je me vroeger geen verhalen voorlas voor het slapengaan, maar liever je eigen verhalen verzon, net als Don Quichot?’ Ik wacht op een antwoord.
‘... weet je nog dat je altijd zei: “Als je iets kwijt bent, moet je terugdenken aan waar je het voor het laatst hebt gezien” en dat ik dan antwoordde: “Als ik dat wist, was ik het niet kwijt.”?’ Ik buig iets naar hem toe en raak zijn hand aan.
‘... weet je nog waar de gouden munt is?’ fluister ik.
Mijn vader verblijft tussen de Alzheimerpatiënten, terwijl met zijn geheugen in principe niets mis is. Hij opent zijn mond, maar er volgt geen geluid. Met mijn duim veeg ik de aardbeienjam uit zijn stoppelbaard, die waarschijnlijk nog een souvenir is van het ontbijt van gisteren. Hij staat op de wachtlijst voor het Parkinsonhuisje, al vraag ik me af of hij daar ooit nog terechtkomt.
‘Zal ik je eens vertellen over hoe ik mijn droombaan verloor als redactieassistent bij een prestigieuze uitgeverij in Amsterdam?’ Het is belangrijk om ja/nee-vragen te stellen. Hij knippert twee keer. Ik weet niet meer of dat ja of nee betekent. Aangezien ik niet goed tegen stiltes kan, ratel ik verder: ‘Als bonus werd ik ook nog uit mijn boekenclub gegooid.’ Ik neem automatisch een slok thee om de brok in mijn keel weg te spoelen. Het versterkt alleen maar het gevoel dat ik stik. Dat lijkt me de ergste manier om te sterven. Ademloos.