Met gesproken taal kleed je het personage ook aan: door hoe iemand praat onderscheiden we wie en hoe die persoon is: spreekt zij in volzinnen of hakkelt ze, stelt hij vragen of geeft hij antwoorden, sleept zij zichzelf mee door haar eigen betoog, verdwaalt ze in een bijzin, is hij geraffineerd of erg direct, hoe is de machtsverhouding tussen de twee gespreksvoerders, hoe verraadt iemand zijn sociale klasse. Op het toneel is de dialoog haast het enige en ook alles wat de schrijver tot haar beschikking heeft. Van decor- of kostuumaanduidingen, beschrijvingen van mise-en-scène en overige handelingen kun je er donder op zeggen dat de regisseur er met opgetrokken wenkbrauwen kennis van zal nemen en het zal beschouwen als een voorstel en niet als een voorschrift.
In proza zijn er voor al die zaken hierboven ook andere manieren, dat is evident. Behalve de directe rede (ik doe het niet, zei ze) gebruik je de indirecte rede (ze zei dat ze het niet zou doen) en de vrije indirecte rede (dat ging ze niet doen!). Dat iemand iets anders denkt dan ze zegt kun je gewoon opschrijven (ik doe het niet, zei ze, en ze vroeg zich af of hij wist hoezeer ze zichzelf geweld aan deed met dat besluit, omdat ze niets liever wilde dan het wel doen). Je kunt huizen, mensen, handelingen, gebeurtenissen, herinneringen, geuren en kleuren en gedachten beschrijven, tijden over elkaar leggen, mensen die nooit eens iets zeggen toch leren kennen.
Ik las eens dat Nabokov een boek niet kocht als hij in de boekenwinkel na een snelle blik gezien had dat er veel dialoog in stond. Zeker als er een mate van objectieve vastlegging of realisme lijkt te zijn vinden sommige snobs de dialoog weinig literair. Het boek Het vlees van David Szalay – winnaar van de Booker Prize 2025 – staat vol met zo’n zogenaamd objectieve realistische dialoog. Szalay zegt in interviews dat de taal waarin hij die heeft geschreven en bijvoorbeeld het feit dat zijn personages om de haverklap oké zeggen, lijkt op hoe mensen werkelijk praten. Maar het effect van de dialoog in zijn roman op de lezer is veel groter dan dat zogenaamde realisme. En gaat toch vooral over hoe deze specifieke mens praat, hoe deze man is. Het tekent op een prachtige manier de passiviteit van zijn hoofdpersoon omdat je voortdurend de bewijzen krijgt dat hij een reagerend iemand is, dat niet hij maar een ander hem steeds de volgende bocht om stuurt. Dat hij op vragen naar zijn gemoedsgesteldheid, of belevenissen alleen kan zeggen, voortdurend maar alleen kan zeggen dat het ‘wel oké is,’ werkt op een groeiende manier zowel verstikkend als engagerend. Hij is zo weinig reflectief, zo opgesloten in zichzelf. Je leert een man kennen van buiten, die zich zo erg op de vlakte houdt dat je doorleest, voortgedreven door de wens dat het allemaal ergens zin heeft, dat er een bestemming bereikt wordt, dat hij openbreekt. Dit bereikt de schrijver door veel meer dialoog en handeling te schrijven dan gedachten of gevoelens op te tekenen.
Als er veel dialoog is, is het belangrijk dat de lezer weet wie er aan het woord is. Ik ken geen schrijver die niet soms zit te puzzelen op de hoeveelheid hij zei, zij zei of varianten daarop. Vaak werkt het prima om het eenvoudig te houden, en ook met handelingen die niets over het spreken zeggen kun je gemakkelijk aangeven wie er praat. Als er teveel gestunt wordt met de spreek-werkwoorden doet dat de tekst meestal geen goed; als de dingen die gezegd worden steeds gezucht of gestotterd worden heeft dat niet als resultaat dat het de dialoog erg levendig of emotioneel maakt, te veel effect maakt eerder oppervlakkig. Stotteren, zuchten, hartkloppingen en brokken in kelen zijn te algemeen om van betekenis te zijn. Het zijn snel clichés. Hij zei, zij zei, zei zij, zei hij, het zijn kalme maatstrepen die ruim baan geven voor wat er in de dialoog gebeurt.
En soms is de dialoog als geheel qua thema, ritme en atmosfeer belangrijker dan de precieze verdeling van de tekst over de sprekers. Ik heb in mijn roman Liefde, als dat het is een dialoog van vier bladzijden geschreven waarin nooit zei hij of zei zij staat, en maar één keer een korte handeling beschreven wordt en één keer kort een gedachte. De twee die het gesprek voeren zeggen ook een aantal keer elkaars naam, maar verder vond ik het, voor zover het niet gewoon duidelijk is door wát er gezegd wordt, niet erg als de lezer soms even het houvast verliest.
Ik ben anders dan Nabokov, als ik een boek opensla en zie dat er helemaal geen dialogen zijn, dan moet ik me over een gevoel van zwaarte heen zetten om eraan te beginnen. De dialoog is beweging, en het is bovendien iets dat tot in perfectie te stileren valt. Lees het beroemde korte verhaal ‘Een perfecte dag voor bananenvis’ van Salinger en zie hoe hij de hele exposé van dit verhaal vormgeeft in een pagina’s lang telefoongesprek.
Of begin in Yasmina Reza's roman-in-verhalen Gelukkig de gelukkigen te lezen en je zit terwijl je nog in de boekhandel staat na twee bladzijden dankzij hun in dialogen vormgegeven ruzie in de supermarkt, midden in het huwelijk van Odile en Robert: