De blauwdruk: Marijke Schermer over Dialoog

Wat is belangrijk in een roman, waardoor blijven we lezen? Is dat de stijl, de thematiek, of toch de binnenwereld van de personages? In onze reeks De blauwdruk leggen toonaangevende schrijvers het vernuftige mechaniek van De Roman bloot, en reflecteren op dat ene element dat wat hen betreft cruciaal is voor goede fictie. Vandaag publiceren we het tweede essay in de reeks: Marijke Schermer over dialoog.

Thema

De blauwdruk

Tags

Essay De blauwdruk Schrijven
Illustratie: Luca van der Vossen

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

De dialoog

Toen ik mijn eerste roman schreef, zei mijn redacteur na lezing van de eerste versie dat ik af en toe toch ook eens iets zou moeten beschrijven, hij had te weinig beeld van de karakters en van de huizen die ze bewoonden. Ik was als toneelschrijver gewend dat de acteur zodra hij opkomt een personage van een uiterlijk voorziet, en was het eigenlijk gewoon vergeten. 

Een van de meest bijzondere dingen voor mij als verse romancier, en dus ook iets dat ik nog onder de knie moest krijgen, was de enorme uitbreiding van het instrumentarium. Gedachten, handelingen, beeldbeschrijvingen. Behalve dat er geen acteur met een uiterlijk meer was, aan wie ik als schrijver weinig kon veranderen of bijdragen, kon ik personages van gearticuleerde gedachten voorzien – iets waarvoor de schrijver van toneel ook in grote mate van de verbeeldingskracht en emotionele precisie van een acteur afhankelijk is.

V Stella?

S Nee echt niet Vik, wij moeten door, koffie alleen, maar dat kan ik ook wel even zelf zetten. 

V Zou jij Cynthia mijn boek aanraden?’ 

S Hè? Welk boek? 

V Jezus, Stella, mijn boek, gewoon mijn boek. Mijn boek. Verraad. 

S Dat boek? Hoezo moet je daar nu ineens aan denken? 

V Nou? 

S Dat weet ik niet. Cynthia? 

C Ja? 

S Houd je van lezen?

C Oh, ja hoor.

S Wat lees je dan bijvoorbeeld, bijvoorbeeld nu, op dit moment?

C De gebroeders Karamazov.

V Sorry, sorry. (af)

Deze dialoog staat in mijn debuutroman Mensen in de zon (2013) ingebed in meer:

‘Stella?’ vraagt hij en hij hoort en haat de klagende ondertoon in zijn stem. 

‘Nee echt niet Vik, wij moeten door, koffie alleen, maar dat kan ik ook wel even zelf zetten.’ Het komt al niet meer in zijn vrouw op dat hij nog andere dingen aan te bieden heeft dan toetjes. 

‘Zou jij Cynthia mijn boek aanraden?’ 

‘Hè?’ Nu kijkt ze hem aan. ‘Welk boek?’ 

‘Jezus, Stella, mijn boek, gewoon mijn boek. Mijn boek. Verraad’ 

‘Dat boek? Hoezo moet je daar nu ineens aan denken?’ 

‘Nou?’ 

‘Dat weet ik niet. Cynthia?’ Cynthia rekt zich uit en hij ziet haar oksel. 

‘Ja?’ 

‘Houd je van lezen?’ 

‘Oh, ja hoor.’ 

‘Wat lees je dan bijvoorbeeld, bijvoorbeeld nu, op dit moment?’ 

‘De gebroeders Karamazov,’ Cynthia kijkt er een beetje gegeneerd bij, alsof ze staat op te scheppen. Ook dat nog, denkt Vik, nou ja, laat maar. Zijn boek was heel aardig gelukt vond hij, maar het was natuurlijk geen Dostojevski. Om als sleutelroman te kunnen boeien werkte ook al niet: hij had de rol van Leo veel te klein gemaakt en de anderen waren niet bekend geworden. Ja, Stella, zeker voor Cynthia natuurlijk, maar om die reden wilde hij helemaal niet dat ze het las. Hij wilde überhaupt niet dat ze het las. Hij heeft zin om zijn hoofd op de tafel te leggen. Hij heeft zin om de afwas in z’n geheel in de vuilnisbak te kieperen en zichzelf ook. Sorry, zegt hij, sorry, en hij loopt de keuken uit en gaat op de wc zitten vechten tegen zijn tranen. Jezus, denkt hij, ik lijk wel gek, ik lijk wel knettergek. Hij zou ontzettend graag willen dat het allemaal goed kwam. En dat hij ophield met te verlangen naar Cynthia met haar gitzwarte glimmende huid.

Op het toneel is de te spreken taal alles wat je als schrijver hebt. De dialoog is het hart, de ziel én de body van een stuk. De personages spreken zich uit, voor zichzelf, tegen een ander, tot het publiek. Alles wat ze voelen en denken moeten ze zeggen. Of niet natuurlijk. Mensen zeggen immers ook allerlei andere dingen dan ze echt voelen en bedoelen, ze verbergen de waarheid, hun diepste gevoelens en hun geheime agenda onder een masker – ook dat is wat de toneelschrijver observeert en zo goed mogelijk tot uitdrukking brengt. En zo oefent zij zich zowel in de bekentenis, als in de maskerade, en in de combinatie van die twee, want daar ontstaat de subtekst – dat wat niet gezegd wordt maar wel voelbaar en van betekenis is. En dit is allemaal niet realistisch in de nauwste zin van het woord, want stilering, ritme, poëzie zijn voor een goede dialoog ook van belang. De dialoog is plot gebouwd uit een gesprek, psychologie op muziek gezet, wapen in het conflict, taal voor berichten uit het ondergrondse – of voor een rookgordijn.

(Tekst gaat verder.)

Onze essayreeks 'De blauwdruk'

Wat is belangrijk in een roman, waardoor blijven we lezen? Is dat de stijl, de thematiek, of toch de binnenwereld van de personages? In onze nieuwe reeks De blauwdruk leggen spraakmakende schrijvers het vernuftige mechaniek van De Roman bloot, en reflecteren op dat ene element dat wat hen betreft cruciaal is voor goede fictie.

Lees de hele reeks

Met gesproken taal kleed je het personage ook aan: door hoe iemand praat onderscheiden we wie en hoe die persoon is: spreekt zij in volzinnen of hakkelt ze, stelt hij vragen of geeft hij antwoorden, sleept zij zichzelf mee door haar eigen betoog, verdwaalt ze in een bijzin, is hij geraffineerd of erg direct, hoe is de machtsverhouding tussen de twee gespreksvoerders, hoe verraadt iemand zijn sociale klasse. Op het toneel is de dialoog haast het enige en ook alles wat de schrijver tot haar beschikking heeft. Van decor- of kostuumaanduidingen, beschrijvingen van mise-en-scène en overige handelingen kun je er donder op zeggen dat de regisseur er met opgetrokken wenkbrauwen kennis van zal nemen en het zal beschouwen als een voorstel en niet als een voorschrift.

In proza zijn er voor al die zaken hierboven ook andere manieren, dat is evident. Behalve de directe rede (ik doe het niet, zei ze) gebruik je de indirecte rede (ze zei dat ze het niet zou doen) en de vrije indirecte rede (dat ging ze niet doen!). Dat iemand iets anders denkt dan ze zegt kun je gewoon opschrijven (ik doe het niet, zei ze, en ze vroeg zich af of hij wist hoezeer ze zichzelf geweld aan deed met dat besluit, omdat ze niets liever wilde dan het wel doen). Je kunt huizen, mensen, handelingen, gebeurtenissen, herinneringen, geuren en kleuren en gedachten beschrijven, tijden over elkaar leggen, mensen die nooit eens iets zeggen toch leren kennen. 

Ik las eens dat Nabokov een boek niet kocht als hij in de boekenwinkel na een snelle blik gezien had dat er veel dialoog in stond. Zeker als er een mate van objectieve vastlegging of realisme lijkt te zijn vinden sommige snobs de dialoog weinig literair. Het boek Het vlees van David Szalay – winnaar van de Booker Prize 2025 – staat vol met zo’n zogenaamd objectieve realistische dialoog. Szalay zegt in interviews dat de taal waarin hij die heeft geschreven en bijvoorbeeld het feit dat zijn personages om de haverklap oké zeggen, lijkt op hoe mensen werkelijk praten. Maar het effect van de dialoog in zijn roman op de lezer is veel groter dan dat zogenaamde realisme. En gaat toch vooral over hoe deze specifieke mens praat, hoe deze man is. Het tekent op een prachtige manier de passiviteit van zijn hoofdpersoon omdat je voortdurend de bewijzen krijgt dat hij een reagerend iemand is, dat niet hij maar een ander hem steeds de volgende bocht om stuurt. Dat hij op vragen naar zijn gemoedsgesteldheid, of belevenissen alleen kan zeggen, voortdurend maar alleen kan zeggen dat het ‘wel oké is,’ werkt op een groeiende manier zowel verstikkend als engagerend. Hij is zo weinig reflectief, zo opgesloten in zichzelf. Je leert een man kennen van buiten, die zich zo erg op de vlakte houdt dat je doorleest, voortgedreven door de wens dat het allemaal ergens zin heeft, dat er een bestemming bereikt wordt, dat hij openbreekt. Dit bereikt de schrijver door veel meer dialoog en handeling te schrijven dan gedachten of gevoelens op te tekenen.  

Als er veel dialoog is, is het belangrijk dat de lezer weet wie er aan het woord is. Ik ken geen schrijver die niet soms zit te puzzelen op de hoeveelheid hij zei, zij zei of varianten daarop. Vaak werkt het prima om het eenvoudig te houden, en ook met handelingen die niets over het spreken zeggen kun je gemakkelijk aangeven wie er praat. Als er teveel gestunt wordt met de spreek-werkwoorden doet dat de tekst meestal geen goed; als de dingen die gezegd worden steeds gezucht of gestotterd worden heeft dat niet als resultaat dat het de dialoog erg levendig of emotioneel maakt, te veel effect maakt eerder oppervlakkig. Stotteren, zuchten, hartkloppingen en brokken in kelen zijn te algemeen om van betekenis te zijn. Het zijn snel clichés. Hij zei, zij zei, zei zij, zei hij, het zijn kalme maatstrepen die ruim baan geven voor wat er in de dialoog gebeurt. 

En soms is de dialoog als geheel qua thema, ritme en atmosfeer belangrijker dan de precieze verdeling van de tekst over de sprekers. Ik heb in mijn roman Liefde, als dat het is een dialoog van vier bladzijden geschreven waarin nooit zei hij of zei zij staat, en maar één keer een korte handeling beschreven wordt en één keer kort een gedachte. De twee die het gesprek voeren zeggen ook een aantal keer elkaars naam, maar verder vond ik het, voor zover het niet gewoon duidelijk is door wát er gezegd wordt, niet erg als de lezer soms even het houvast verliest. 

Ik ben anders dan Nabokov, als ik een boek opensla en zie dat er helemaal geen dialogen zijn, dan moet ik me over een gevoel van zwaarte heen zetten om eraan te beginnen. De dialoog is beweging, en het is bovendien iets dat tot in perfectie te stileren valt. Lees het beroemde korte verhaal ‘Een perfecte dag voor bananenvis’ van Salinger en zie hoe hij de hele exposé van dit verhaal vormgeeft in een pagina’s lang telefoongesprek.  

Of begin in Yasmina Reza's roman-in-verhalen Gelukkig de gelukkigen te lezen en je zit terwijl je nog in de boekhandel staat na twee bladzijden dankzij hun in dialogen vormgegeven ruzie in de supermarkt, midden in het huwelijk van Odile en Robert: 

We waren in de supermarkt boodschappen aan het doen voor het weekend. Op een gegeven moment zei ze: ga jij maar vast in de rij staan bij de kaas, dan haal ik de rest. Toen ik terugkwam was de winkelwagen voor de helft gevuld met cereals, koekjes, pakjesmaaltijden en roomtoetjes. Waar is dat allemaal voor? zei ik. – Wat moeten we daar allemaal mee? zei ik. Je hebt kinderen, Robert, die houden van cruesli, die houden van chocolaatjes, die zijn gek op Kinder Bueno‘s, en ze hield me de verpakkingen voor. Het is belachelijk om ze vol te stoppen met suiker en vet, zei ik, het is belachelijk wat er allemaal in de kar zit. Wat voor kaas heb je gekocht, vroeg ze. – Crottin de Chavignol en morbier. En geen gruyère? riep ze uit. - Die ben ik vergeten, maar ik ga niet terug, het is hartstikke druk. - Als je maar één soort kaas hoeft te kopen, dan weet je heel goed dat het gruyère moet zijn, wie eet er nu morbier bij ons thuis? Nou? Ik, zei ik. - Sinds wanneer eet jij morbier? Wie wil er nou morbier eten? Hou op Odile, zei ik. - Wie houdt er nou van die smerige morbier? Behalve jouw moeder, klonk erin door (mijn moeder heeft laatst een stuk morbier gehad waarin een moer zat). Je staat te schreeuwen, Odile, zei ik. Ze gaf de kar en zet en smeet er een voordeelverpakking van drie Milka-repen in. Ik pakte de repen eruit en zetten ze terug in het schap. Prompt gooide zij ze weer in de kar. Ik kap ermee, zei ik. Ja hoor, kap jij er maar mee, zei ze, kap jij er maar mee, dat is het enige wat je weet te zeggen, ik kap ermee, dat is je enige antwoord, zodra je met je mond vol tanden staat, zeg je: ik kap ermee, meteen dat belachelijk dreigement. Ik zeg inderdaad vaak ‘ik kap mee’, dat is waar, maar ik weet niet wat ik anders zou moeten zeggen als dat het enige is wat ik wil, als ik geen andere uitweg zie dan onmiddellijk afhaken, maar het is inderdaad zo dat ik het als een soort ultimatum gebruik. Oké, ben je klaar met je boodschappen, zeg ik tegen Odile, terwijl ik de kar abrubt voortduw, hebben we verder geen rotzooi meer nodig? - Wat is dit voor een toon? Besef je wel hoe je tegen me praat? Schiet op, zeg ik. Doorlopen! Als ik ergens een hekel aan heb, is het wel als ze opeens gekwetst ga doen, als er zo’n ijzige, onmogelijke stemming ontstaat. Natuurlijk zou ik kunnen zeggen dat het me spijt. Maar niet één keer, nee dan moet ik het twee keer zeggen, en ook nog op de juiste toon. Als ik twee keer op de juiste toon ‘het spijt me’ zou zeggen, dan zouden we min of meer normaal verder kunnen gaan met de dag, alleen heb ik daar helemaal geen zin in en verzet mijn hele lijf zich ertegen om dat te zeggen als zij verbijsterd, met een beledigde, gekwetste blik halt houdt bij het schap met olie en azijn.

Het tempo zit er goed in, ook omdat zij de dialoog gewoon in de zinnen zet zonder inspringende regels onder elkaar met aanhalingstekens eromheen. Dat doet iets met de betekenis, alsof Odile en Robert zelf nauwelijks ademhalen of nadenken voor ze iets zeggen; het is een golfslag van ergernis en strijd waar ze niet aan kunnen ontsnappen. Die keuze heeft behalve met betekenis ook alles met ritme te maken, je leest het sneller en meer als een stromend geheel van dialoog en handeling. 

Schrijven is voor de meeste schrijvers al doende uitvinden wat je verhaal behelst, wat je zeggen wil, wat je denkt over iets. Een personage in beweging en het aan de praat krijgen is daarvoor essentieel. Dialoog is contact, confrontatie, conflict, in de interacties komt je personage tot leven. Spreken en de manier waarop is net als handeling inzicht in de persoonlijkheid van een personage, en karakter is plot.

Tegen beginnende schrijvers zeg ik: laat je figuur niet uit het raam staren of veel gedachten hebben, maar laat haar iets doen, en laat haar iets zeggen. Laat op een vraag van de een, de ander een wedervraag stellen; waar het antwoord ontbreekt ontstaat spanning. Pas de herhaling toe. Luister gesprekken af. Sla de dialogen van Reza en Szalay en Salinger erop na. Maar ook die van Esther Gerritsen, Jonathan Safran Foer, Juli Zeh en Ian McEwan. En ga naar toneel. Lees toneel, lees Tennessee Williams, lees Judith Herzberg, lees Oscar Wilde.

Over illustrator Luca van der Vossen

Luca van der Vossen (1999) is illustrator en animator uit Utrecht. In zijn werk visualiseert hij graag dingen die ongrijpbaar kunnen zijn, zoals emoties, dromen en kwetsbaarheden. Door zijn kleurrijke, poëtische en vaak hoopvolle benadering hoopt hij de kijk van mensen op verschillende onderwerpen te verbreden. Zijn werk kan worden omschreven als speels, gevoelig en divers.

meer over Luca