Contrapposto van Dave Eggers: een tipje van de sluier

Volgende maand verschijnt Contrapposto, de grote nieuwe roman van Dave Eggers. Op 26 juni komt de auteur naar TivoliVredenburg voor een ILFU Book Talk over het boek en zijn eerdere werk, kaartjes voor deze bijzondere avond zijn nu te koop. Maar we willen natuurlijk meer: we willen ook voorpret! Daarom publiceren we vandaag een exclusieve voorpublicatie van Contrapposto, een meeslepende roman over vriendschap, liefde en de levenslange hunkering naar kunst.

Dave Eggers

29-05-26

ILFU Members kunnen het festival terugkijken op onze streamingdienst ILFU+

bekijk de video's

Contrapposto

‘Ik ben Olympia,’ zei ze en ze schudde zijn moeder stevig de hand. ‘We hebben elkaar al eens ontmoet. Bij de Roemeensen. Ik had pianoles.’

Geen van zijn vrienden had zich ooit zo voorgesteld, zo rechtdoorzee, zo professioneel.

‘Dat was jij!’ zei zijn moeder. ‘En kijk nu eens. Je bent een vrouw geworden!’

Olympia glimlachte, ze was duidelijk gewend aan dit soort opmerkingen.

‘We gaan naar de renbaan,’ zei Olympia. ‘Zin om mee te gaan?’

Er waren honderd antwoorden mogelijk, de meeste geschokt of geërgerd, maar zijn moeder schoot in de lach. De wapenen waren haar uit handen geslagen; wat kon ze nog zeggen? ‘De renbaan? De paardenrenbaan, bedoel je?’

‘Wees gerust, ik doe niet aan wedden!’ zei Olympia. ‘We gaan alleen om de kleuren in beweging te zien. Ga mee! Het is prachtig weer.’

Zijn moeder viel opnieuw stil. Ze keek naar de veranda, waar ze Cricket zag staan; ook hij wist niet wat hij moest doen of zeggen. ‘Nou,’ zei ze uiteindelijk. ‘Dat is een verleidelijk aanbod, Olympia. Gaan jullie maar samen. Veel plezier.’

Olympia tikte op het dak van haar auto en Cricket stapte in.

‘Hoe laat ben je thuis?’ vroeg zijn moeder. Ze stond stokstijf op de oprit.

‘De laatste race is om kwart voor vier,’ zei Olympia door het raampje aan haar kant, terwijl ze achteruit de oprit af reed. ‘Dus een uurtje later? Maar misschien gaan we nog wat eten. Moet hij om een bepaalde tijd thuis zijn?’

Crickets moeder schudde haar hoofd en wuifde lusteloos met haar hand.

‘Fijne dag nog!’ zei Olympia. Ze reed de oprit af en al snel zaten ze op de grote weg. In de auto rook het naar kruidige deodorant, watermeloenkauwgom en iets ouds en muffigs – een vlek die er niet meer uit ging. Haar auto was handgeschakeld, en terwijl Olympia geroutineerd de met hout afgewerkte versnellingspook bewoog, raakte haar hand af en toe Crickets knie.

‘Warm vandaag, hè?’ zei Olympia. Ze pakte de zoom van haar rok en liet die flapperen als de vleugel van een mus. Hij ving een glimp op van haar roze, sproetige kuit.

‘Gaan we echt naar de paardenrennen?’ vroeg hij.

‘Ben je daar nog nooit geweest?’ vroeg Olympia. ‘Ik mag je moeder wel. Ze lijkt me lief. Je beugel is eruit. Je had toch een beugel? Doe je nu steeds zo?’ Ze ging met haar tong over haar glanzende tanden.

Terwijl het landschap voorbijschoot, vertelde hij haar over dokter Talmadge.

‘Wat een lul,’ zei ze. ‘Zal ik hem voor je omleggen?’

Het was een heldere, warme dag en telkens als ze iets zei, wierp hij een snelle blik op haar, op zoek naar iets wat nog leek op het meisje van vroeger.

‘Je ziet er anders uit,’ zei ze. ‘Je haar was eerst langer. En je was zo’n klein knulletje. Je bent al bijna volwassen. Word je nog groter?’ Hij voelde zich verplicht om ja te zeggen.

‘Ongelooflijk dat ik terug in Indiana ben,’ zei ze, terwijl ze naar de braakliggende akkers en de winkelstrips keek. ‘Het is hier zo godvergeten plat. Jammer dat we gestopt zijn met brieven schrijven. Ik heb al jouw brieven bewaard, in een doos in Connecticut. Heb je mijne nog?’

‘Ja,’ zei hij.

‘Wat een romanticus ben je toch,’ zei ze. ‘Dat wist ik eigenlijk al. Je ziet er anders uit, maar ook weer hetzelfde. Je lijkt op je moeder. Je hebt zo’n onschuldig gezicht. Heb je weleens gehoord van de “onbevangen blik”?’

‘Nee.’

‘Nou, die heb jij dus nodig!’ zei ze. Ze lachte, een donderende schaterlach. ‘Daar gaat het om, toch? Dat je alles kunt zien alsof het nieuw is.’

Ze kwamen aan bij een enorm wit gebouw, rijk versierd als een bruidstaart.

‘Hier is het.’ Olympia zette de auto in z’n vrij en liet hem zonder af te remmen de parkeerplaats op rollen, waardoor een stelletje opzij moest springen. Ze stapte uit, hees haar grote gehaakte tas over haar schouder en sloot de deuren af.

‘Sorry!’ riep ze naar het stel. ‘Klaar?’ vroeg ze aan Cricket.

‘Heb ik een id nodig?’

‘Niet om binnen te komen,’ zei ze. ‘Je hoeft geen kaartje te kopen ofzo. Het is gratis.’

Ze gingen door de poort naar binnen en zagen drie paarden in een ronde paddock, vol bloemen en slingers. Een jockey in roze en zwart zat op een enorm paard met een glimmende bordeauxrode vacht en een witte tooi.

‘De kleuren!’ zei Olympia. ‘Dat geloof je toch niet? Moet je die zien!’

Een glanzend zwart paard werd de paddock binnengeleid door een jockey in een jasje met polkadots, staande in de stijgbeugels. ‘Zo kunnen de wedders de paarden vóór de races bekijken. Zie je hoe die vacht glanst? Wat zou het evolutionaire nut van zo’n glans zijn? Ik heb dorst. Jij ook?’

Ze loodste hem door de draaipoortjes naar een schemerige gang waar het naar urine, bleekmiddel en sigaretten rook. Ze bleef staan toen ze een snackkraam zag.

‘Wacht hier,’ zei ze. ‘Of doe maar daar.’ Ze wees naar een donkere hoek. ‘Heb je een tientje?’

Cricket gaf haar een tientje. Hij had vijftien dollar bij zich.

‘Ik ben zo terug,’ zei ze.

Hij keek haar na toen ze in de gang onder de tribune verdween, een paar mannen stapten opzij om haar door te laten. Een oudere man zette plechtig zijn honkbalpet af en sloot zijn ogen toen ze langsliep.

Ze kwam terug met twee doorzichtige plastic bekers met geel bier. Hij stak zijn hand uit om er een aan te pakken. ‘Wacht even,’ zei ze. ‘Kom mee.’ Ze leidde hem door de koele betonnen gangen, sloeg plotseling een hoek om en daarna stapten ze het felle zonlicht van het terrein in: een zee van groen gras, groepjes rode, witte en gele rozenstruiken en anjers, en in het midden van dat alles een zilveren fontein die wit water omhoog spoot. Hij had nog nooit zoiets moois gezien.

Ze gingen zitten en zij gaf hem een beker.

‘Zo, hier is het oké,’ zei ze. ‘Zolang je er niet mee rondloopt.’ Ze sloeg de helft van haar beker in één teug achterover, zette hem tussen haar knieën en veegde met de muis van haar hand haar mond af. ‘Het is Pabst, dus het is goed.’

Ze zaten op de zonnige onderste rijen van de tribune, en de zon versterkte het effect van het bier; binnen een paar minuten was Cricket dronken.

‘Wacht maar tot je ze ziet rennen,’ zei ze. ‘Ben benieuwd of je het ook slow motion vindt lijken. Ik kom er niet uit.’

De bel ging, de startboxen klapten open en in de verte begon het hoefgeroffel. Cricket had brute snelheid, lawaai en chaos verwacht, maar zo was het niet.

‘Zie je hoe het vanaf hier lijkt alsof ze in slow motion bewegen?’ vroeg ze.

‘Ja,’ zei hij.

‘Dank je! Ik begon al te denken dat ik gek was. Ze gaan razendsnel, dat snap ik ook wel, maar vanaf hier lijkt het ongelooflijk langzaam. Dus jij ziet het ook zo? Ik weet dat jij anders kijkt dan de meeste mensen. Je houdt vast van Degas,’ zei ze. ‘Zoals jij tekent.’

‘Ik denk van wel,’ zei hij en hij nam een grote slok van het gele bier. Het werd al lauw en hij kende de naam niet die ze net had genoemd. Elke minuut noemde ze wel een naam die hij niet kende, een plek waar hij nooit van had gehoord.

‘Je denkt van wel? Als je paarden ziet, denk je dan niet meteen aan Degas? Hij kon twee dingen geweldig tekenen: paarden en ballerina’s. En vloeren!’ Ze lachte weer. ‘Maar serieus, hij en Manet hadden altijd ruzie over wie er als eerste paarden schilderde.’ Ze nam een grote slok, haar beker was al bijna leeg. ‘Het was trouwens Manet, maar Degas wilde dat nooit toegeven. Weet je nu wie ik bedoel? Ballerina’s op het podium, vloeren en fagotten op de voorgrond? Degas?’

Nu wist hij het. ‘Ja, ik weet het,’ zei hij, en hij deed zijn ogen dicht. Hij had het gevoel dat hij verdampte, één werd met de zon en het gras en de bloemen.

‘Ben jij goed in handen?’ vroeg ze, en hij stelde zich zijn handen om haar middel voor, terwijl ze langzaam dansten zoals hij in de brugklas met Inés Herrera had gedaan, toen hij had gevoeld hoe haar borst tegen de zijne rees. ‘Ik vind mijn handen niet mooi. Stuart zegt dat ik stompe vingers heb. Wat vind jij?’ Ze hield ze voor hem op en legde een hand pontificaal op zijn knie. Het volgende moment was haar hand alweer weg, verdwenen tussen de plooien van haar rok. ‘Weet je wat, geef maar geen antwoord. Maar Degas maakte alle handen sierlijk. Daar was hij goed in.’

Meer dan wat ook ter wereld wilde Cricket dat haar hand weer op zijn knie lag. Hoe moest hij dat vragen? Dat kon niet.

‘En vrouwen die in een badkuip stappen,’ zei ze, en ze lachte zo hard dat ze moest hoesten. ‘Daar heeft hij er volgens mij wel vijftig van gemaakt. Kun je je hem voorstellen, helemaal enthousiast over zijn volgende schilderij? “Hm, wat zal ik schilderen. Eens even denken. Ik weet het! Nog een chick in een badkuip!” En altijd van achteren gezien. Maar heeft de wereld nog een schilderij nodig van een vrouw die in bad stapt? Aan de ene kant: nee. Aan de andere kant: dan mag hij wel weer een blote vrouw in een badkuip schilderen. En dan heb je ook nog Tolstoj.’

Ze dronk de laatste slok van haar bier en stond op. ‘Nog eentje?’

Cricket sloeg de rest van zijn eerste beker achterover en deed opnieuw zijn ogen dicht. Rode ringen pulseerden achter zijn oogleden. Er begon een nieuwe race en hij dommelde even weg. Al snel was Olympia terug met twee nieuwe bekers geel bier. Ze boog zich over zijn schoot om er een in de bekerhouder rechts van hem te zetten. De bekerhouder links van hem was leeg, maar toch reikte ze over zijn schoot heen en hij was intens dankbaar voor die keuze. Ze claimde hem alsof dat vanzelfsprekend was en hij hield waanzinnig van haar.

‘Ik bedoel niet dat Degas een viespeuk was,’ zei ze. Ze pakte de draad gewoon weer op. ‘Al denken veel mensen dat tegenwoordig. Zo’n ouwe man die dansende pubermeisjes tekent. Had ik het niet over Tolstoj? Heb je Wat is kunst? gelezen? Het begint heel sterk, over hoe ongezellig en pretentieus kunstenaars zijn geworden, dat kunst juist vreugdevol moet zijn. Dat vond ik goed. Dat klopte. Maar dan volgen er nog eens honderd pagina’s vol saaie, academische shit, met voetnoten en alles. Heel vreemd. Ken je de uitspraak: schrijven over kunst is als dansen over architectuur? Ik bedoel, zelfs Tolstoj kreeg het niet voor elkaar. Misschien is het wel onmogelijk.’

Een derde race begon. De paarden leken nu nog langzamer te bewegen. Hij was elk gevoel kwijt voor hoe snel dingen hoorden te gaan.

‘Soms hoop ik bijna op een ongeluk,’ zei ze. ‘Is dat ziek? Heb je Anna Karenina gelezen? Die scène waarin ze het paard doodschieten nadat Vronski onderuit is gegaan – vond je dat ook niet afschuwelijk?’

Koop nu je tickets voor de Book Talk met Dave Eggers!

Een exclusief optreden van de schrijver van o.a. 'De cirkel', 'Wat is de Wat' en 'Contrapposto'.

Bekijk het evenement en koop tickets

‘Het ziet er zó langzaam uit,’ zei Cricket. Hij kon het maar niet bevatten. Het hoefgedreun klonk razendsnel, maar de paarden bewogen zich stroperig traag door zijn blikveld. Het leek wel alsof ze tegen een bulderende stroom in zwommen. Ze kwamen nauwelijks vooruit.

‘De race?’ vroeg ze, met een daverende lach. Haar lach had zijn eigen echo. Een handvol mensen keek om, benieuwd waar het geluid vandaan kwam. Normaal zou Cricket ineenkrimpen onder al die aandacht, maar hij was overdonderd door Olympia’s levenskracht, door haar bereidheid naast hem te zitten en hem te overladen met haar aandacht. Ze was volledig vrouw, en ze bewoog zich door de wereld alsof alles wat ze tot dan toe had gezegd en gedaan met verrukt applaus was ontvangen.

‘Het is hier verrassend mooi, hè?’ zei ze.

Het tafereel dat zich voor hen afspeelde was een feest van kleur. Het was eigenlijk niet te begrijpen dat dit als een louche of ordinaire plek te boek stond. De mensen om hen heen, verspreid over de tribune, zagen er afgeleefd en eenzaam uit, maar alles vóór hen was overvloedig en weelderig. Het was een paradijs.

‘We zouden een beweging moeten beginnen,’ zei ze. ‘Je bent hopelijk niet antisociaal? Kunstenaars hebben elkaar nodig. Ben je eerder impressionistisch of dada?’

Cricket had weleens van de impressionisten gehoord en wilde voor hen kiezen, maar er school iets in Olympia’s blik, in het vluchtige rimpeltje in haar neus, waaruit een zekere weerzin tegen die club sprak.

‘Moeilijke keuze,’ zei hij. Ze knikte en sloeg een derde van haar bier achterover.

‘Maar goed,’ zei ze, ‘een van de dingen die ik met onze beweging wil, is juist dat soort simplistische tweedelingen afschaffen. Ik wil één grote tent waarin al die genres zich met elkaar kunnen mengen, elkaar kunnen versterken en samen betere dingen kunnen maken. Ik kan nog steeds niet tekenen zoals ik zou willen, en ik eindig waarschijnlijk als curator of organisator, maar ach. We kunnen in elk geval gewoon beginnen, toch?’

‘Zeker,’ zei hij, en hij geloofde alles wat ze zei.

‘En moet je die zien! Dat paars! En met die witte pluim! Noem je dat een pluim? Pluimage?’ Ze wees naar een paard dat voor hen langs over de baan draafde, en deed met haar hand de veren op de helm van de jockey na.

‘Pluimage, volgens mij,’ zei Cricket.

‘Pluimage! Inderdaad!’ zei ze. ‘Wist je dat de meeste impressionisten elkaar van een kunstopleiding kenden? Ze waren een jaar of negentien. Niet eens zoveel ouder dan wij. Pissarro was eerder dertig, eigenlijk best schattig, best triest. Hij had toen al zo’n Mozesbaard en zag eruit als zestig. Dus ik denk niet dat wij te jong zijn om een beweging te beginnen. Jed kan er ook bij. Denk je dat hij dat zou willen? We moeten minstens met zijn drieën zijn, denk ik.’

Jed leek Cricket het slechtste lid van welke groep dan ook. Hij zou alles eraan even verschrikkelijk vinden. ‘Misschien wel, ja,’ zei hij.

‘Het is juist goed,’ zei ze, ‘dat we zo jong zijn. Jij bent toch vijftien? Ik word over vier maanden zeventien. We zijn dan zo ongeveer de enige tieners die een nieuwe beweging beginnen, dus dat trekt de aandacht. Ik weet niet wat jij van het woord “tiener” vindt, maar het valt wel op.’

Cricket zette zijn beker weg; als hij nog meer bier dronk, moest hij gaan liggen. Hij wilde zichzelf wakker slaan. Toen kreeg hij het idee om naar de wc te gaan, te plassen en koud water in zijn gezicht te spatten.

‘Oké, dan blijf ik hier en pas ik op je bier,’ zei Olympia. ‘Maar laat me niet te lang alleen met al die goorlappen. Moet je hem zien.’ Ze wees op een middelbare man in een wit overhemd waarvan de mouwen tot aan zijn bovenarmen waren opgerold. In zijn grijsgrauwe hand hield hij een pen en een koersprogramma.

Hij keek haar recht aan.

‘Wat een zieke klootzak,’ zei ze luid in zijn richting. ‘Ik ben twaalf!’

De man wendde zich af.

Cricket merkte dat opstaan een heel andere ervaring was dan een uur geleden. De klapstoelen langs het gangpad verschoven als speelkaarten bij het schudden. Hij vond de wc’s, een betonnen hok met langs de muur een zilveren goot. Naast hem kreunde een man van opluchting tijdens het plassen. ‘Dat voelt goed,’ zei de man.

Toen hij terugkwam op de tribune was de zon achter een hoog wolkendek gedoken, en Cricket was opgelucht. Zodra hij zat, begon Olympia weer.

‘Vind je “PanYouth” een goede naam? “Pan” betekent in het Grieks iets als “overal” of “alles”. Jij hebt toch Latijn?’

Cricket had inderdaad Latijn op school, van een oudere man die eigenlijk alleen maar wilde praten en grappen vertellen en die af en toe een van de twee meisjes uit de klas op schoot trok.

‘Dit is iets waar ik het serieus met je over wilde hebben,’ zei Olympia, en ze draaide zich naar hem toe. ‘Je weet toch dat alle grote kunststromingen in de kern een groep vrienden zijn? Ik bedoel het soort stromingen waarbij mensen zelf besluiten dat ze erbij horen. Vaak worden ze door een criticus in één hokje gepropt, en wijzen de kunstenaars die naam en associatie juist af. Maar denk eens aan Patti Smith en Sam Shepard. Wist je dat ze een tijdje iets met elkaar hebben gehad? Dat is zo’n tien jaar geleden, dus schaam je niet als je dat niet wist.’

Cricket dacht dat Patti Smith met John McEnroe getrouwd was, maar iets in zijn loden hoofd zei hem dat hij die gedachte beter niet hardop kon uitspreken.

‘Ik denk er al een jaar over,’ zei ze, en ze draaide zich naar hem toe, haar gouden ogen wijd open. De zon was terug en leek alleen oog te hebben voor Olympia. Haar wangen gloeiden en haar ogen vlamden, alsof er een stookoven in haar brandde.

‘Kijk je naar mijn mascara?’ vroeg ze, en ze keek weg. ‘Ik weet dat ik er slecht in ben, of misschien gebruik ik het verkeerde borsteltje. Eerlijk gezegd heb ik geen vaste hand. Geen idee waarom niet. Daardoor zijn mijn tekeningen zo ruk. Kijk niet zo naar me.’

Hij wilde zeggen dat hij niet anders kon dan naar haar kijken, naar alles, en dat hij altijd naar haar zou blijven kijken, en naar alles – dat er geen houden was aan de drang om te zien, zien, zien –, maar in plaats daarvan keek hij over haar schouder en daarna naar de renbaan.

‘Dat bedoelde ik niet,’ zei ze. ‘Ik bedoel: kijk niet naar mijn wanstaltige mascara, maar je mag best naar mij kijken, gewoon in het algemeen, zeg maar.’ Weer die lach als een donderslag.

Hij keek weer naar haar en vond een onschuldig plekje op haar linkerwang om zijn blik op te laten rusten.

‘Ik ben echt blij dat je vandaag mee kon,’ zei ze, en ze legde haar hand op de zijne. Het voelde heel warm en zijn kindertijd was voorbij. Nu was hij een jongeman die op de renbaan suggestief werd aangeraakt door vrouwen. ‘Toen Stuart me liet zitten, kon ik wel wat afleiding gebruiken.’

De woorden drongen op dat moment niet helemaal tot hem door, maar toen Cricket later alleen en nuchter was, speelde hij de zin opnieuw in zijn hoofd af. Hij was afleiding. Hij zou zich er gekwetst door moeten voelen, maar hij merkte dat het hem niets deed. Het kon hem niet schelen dat hij een invaller was. Toen Stuart haar liet zitten had Cricket zijn plaats ingenomen, niet ideaal, maar lang niet slecht. Het was een schitterende dag geweest, en de aanleiding, de motivering, was allemaal bijzaak.

‘Ik kan meestal wel,’ zei hij, en ze glimlachte.

Veel later, toen de renbaan bijna leeg was, de paarden weer op stal stonden en de hemel lavendelblauw met zilveren strepen kleurde, reden ze naar huis.

‘Misschien kunnen we beginnen als je terug bent uit Europa,’ zei ze, en toen herinnerde hij zich weer dat hij naar Europa zou gaan. Hij werd vervuld van weemoed. Hij zou haar missen.

‘Hoelang ga je?’ vroeg ze, en hij bedacht dat hij het niet wist.