Stijl is geen sausje
Tijdens het schrijven van mijn debuutroman Ossenkop begon alles pas op zijn plaats te vallen toen ik een vertelstem vond waarvan ik dacht: ja, zo wil ik dat de tekst klinkt. Die stem was een mengeling van ironie, ‘opa vertelt’ en een zekere breedsprakigheid; en toen ik die eenmaal had gevonden ging de rest – nou ja, misschien niet vanzelf, maar ik had wel het gevoel dat ik bij het schrijven werd voortgestuwd door de taal in plaats van gedwarsboomd, dat die me te hulp kwam als ik het even niet meer wist, en dat er een zekere eenheid in de tekst kwam.
Voordat ik die stem vond had ik van bepaalde scènes al vijf, zes, zeven versies geschreven en nooit vond ik ze acceptabel: te aanstellerig, te veel effectbejag, te saai, te vlak. Niet dat ik dat doorhad terwijl ik ermee bezig was; ik wist alleen dat het gewoon niet deugde wat ik schreef.
Die stem is voor mij de basis van stijl: het is de rode draad waar de stijl omheen danst, het ijkpunt waar de taal van wegdrijft, weer naar terugkeert, mee in tegenspraak is. De nullijn zeg maar. Hij geeft houvast aan de schrijver als die schrijft en aan de lezer als die leest.
Tijdens het schrijven ben ik niet bewust bezig met stijl, en toch is stijl allesbepalend. Ik was ooit bij een praatje van schrijver/onderzoeker Emy Koopman waarin ze vertelde over haar promotieonderzoek naar empathie bij lezers (E.M. Koopman, Reading Suffering. An empirical inquiry into empathic and reflective responses to literary narratives, 2016). Als deel van dat onderzoek – en nu ga ik opschrijven wat ik me herinner van een lezing die ik al een tijd geleden heb gehoord – legde ze haar proefpersonen een fragment voor uit Contrapunt van Anna Enquist (2010), in één van drie versies: ofwel de versie zoals die gepubliceerd was –
ofwel diezelfde tekst, maar dan ontdaan van beeldspraak –
ofwel een versie waaruit álle stijlmiddelen waren verwijderd –
Om de resultaten van dit deel van het onderzoek volstrekt onwetenschappelijk samen te vatten: het bleek dat de tekst mét stijlmiddelen en beeldspraak meetbaar meer empathie opwekte bij de proeflezers – stijl is dus meetbaar van belang. En die interpretatie kun je nóg onwetenschappelijker omdraaien om tot een definitie van stijl te komen: stijl is de manier waarop je taal inzet om je boodschap over te brengen.
Jaren geleden las ik De toverberg; in het eerste hoofdstuk zit Hans Castorp in de trein, op weg naar het kuuroord. Thomas Mann beschrijft het uitzicht, de langzame, trage veranderingen die zich in het landschap voltrekken terwijl de trein zich voortbeweegt, Castorp die loom en ontspannen in de verder verlaten eersteklascoupé zit, diep in wijdlopige gedachten verzonken, de trein die stopt op een stil stationnetje, Castorp doet zijn ogen weer dicht omdat hij nog kan blijven zitten, en zijn neef die plotseling naar binnen roept: ‘Hallo, zou je niet eens uitstappen!’
Op de dag dat ik dit voor het eerst las was ik slaperig; daarbovenop hadden de uitgebreide landschapsbeschrijvingen me in slaap gesust. Ik weet nog dat ik door de plotselinge dialoog, de onverwachte verschijning van een andere persoon in Castorps gedachtewereld, net zo wakker schrok als hij daar in die treincoupé – en dat alles alleen maar door een plotselinge uitroep tussen aanhalingstekens na lange, langzame uitweidingen.
Een prachtig voorbeeld van hoe je door middel van stijl teweeg kunt brengen dat de lezer op een haast lichamelijk niveau kan meebeleven wat een personage voelt. Dit is de grote kracht van stijl: met het plot vertel je wat er gebeurt, en met de stijl kun je het de lezer laten voelen. Show don’t tell in het kwadraat.
(Tekst gaat verder.)
Dit schrikeffect heb ik gejat voor Ossenkop, over de vakidiote slagerszoon Rensing. In een scène maken Rensings klasgenootjes op de lagere school zich boos over de onderwijzer die een gewond vogeltje de nek heeft omgedraaid:
Hier probeerde ik voorspelbaarheid en eensgezindheid te suggereren om die ballon abrupt weer door te prikken, in de hoop dat de lezer net zo zou schrikken als dat jongetje dat het zo goed bedoelt en er zo graag bij wil horen.
Ook heb ik in Ossenkop veel slagersjargon gebruikt, inclusief woorden waarvan ik vermoedde dat bijna geen enkele lezer ze zou kennen (en die ik zelf ook niet kende voordat ik me in het slagersvak verdiepte): ‘burrie’, ‘scherp-in’, ‘kossem’, ‘nat’ vlees. Het resultaat is dat je als lezer niet helemaal weet waar het over gaat; hopelijk ga je geloven dat het feit dat het personage dat wél weet, bewijst dat hij een vakman is. (Overigens is het mooiste woord dat ik bij mijn research ben tegengekomen ‘pantserhart’, een veeziekte; maar dat woord is uiteindelijk niet in het boek terechtgekomen omdat ik geen manier kon bedenken om het relevant te maken voor het verhaal. Eigenlijk was het gewoon té mooi.)
Ik was nog van plan om in het boek alleen metaforen te gebruiken die iets te maken hebben met vlees, of slacht, of middenstand… dat is me niet gelukt, of beter gezegd: op een gegeven moment ben ik ermee opgehouden. Dat wilde ik omdat het Rensings monomanie zou versterken: iemand die aan niets anders denkt dan aan vlees en het slagersvak denkt ook in termen van vlees. Maar metaforen zijn moeilijk: niets is zo mooi als een geslaagde metafoor en niets zo pijnlijk als een mislukte. Stel dat je een ranke, blonde jongeman, van wie je vindt dat hij de kamer bij binnenkomst doet oplichten, als een ‘schemerlamp’ zou omschrijven, dan heb je de feitelijke overeenkomsten wel te pakken, maar de emoties die deze omschrijving oproepen zijn waarschijnlijk niet wat je bedoelde. Ook metaforen moeten bijdragen aan de beleving, verdieping aanbrengen, iets duidelijk maken wat nog niet duidelijk was, en het bleek voor mij te hoog gegrepen om dat voor elkaar te krijgen met zo’n beperkt reservoir om uit te putten.
Ik zou nog veel meer voorbeelden kunnen geven, maar waar het mij om gaat is dit: verhalen gaan niet om wat er wordt verteld, maar wat er wordt opgeroepen. En elk woord, elke metafoor, elke keuze over zinsbouw of -lengte moet in dienst staan van die boodschap. Stijl is geen sausje dat je over de tekst giet maar een integraal deel van het verhaal; een ‘mooie schrijfstijl’ is niets anders dan gebruik maken van taal op een manier die dat wat je wilt overbrengen versterkt.
Dat wil niet zeggen dat alles in harmonie moet zijn, integendeel. Juist als je de stijl laat dissoneren met de inhoud of met andere stijlkenmerken ontstaat diepte. Ik werkte ooit op een groot kantoor, waar mijn naaste collega solliciteerde naar de functie van het volschrijven van het wekelijkse bedrijfskrantje. Onze leidinggevende vertrouwde haar die klus uiteindelijk toe, met enige tegenzin, en sneerde erbij: ‘Als je maar niet denkt dat je nu de hele dag als een razende reporter van de ene naar de andere afdeling mag hollen’ – een alliteratie, een zekere sierlijkheid die zo contrasteerde met de lompheid van die uitspraak dat het dedain van de spreker werd uitvergroot.
Ik begon dit stuk met de opmerking dat ik bijna nooit bewust bezig ben met stijl, maar het tegengestelde is ook waar. Iedere schrijver is continu bezig met de vraag: wat wil ik uitdrukken en hoe doe ik dat? Is het voor de lezer duidelijk waar het om gaat, wat de kern is? Krijgen de hoofdzaken de ruimte die ze nodig hebben?
Stijl moet het verhaal voortstuwen, verrijken, versterken of verzwakken; stijl moet suggereren, accenten verleggen, piketpaaltjes slaan, vertragen of versnellen. Al je taalgebruik moet in dienst staan van de boodschap, en als dat niet zo is krijg je mooischrijverij: stijl om de stijl, moeilijk doen met taal om geen andere reden dan te laten zien dat je het kunt.