Wat ik bedoel met gelijktijdigheid in fictie; dat fictie laat zien hoe grillig en fragiel de grenzen tussen verleden, heden en toekomst zijn. Het is nu pas dat ik besef dat mijn eerste hoofdstuk in mijn roman Geen vaarwel vandaag, precies dat doel heeft. De pater familias, Oscar van Bohemen, dwaalt over een vliegveld. Hij voelt zich niet goed. Het begint hem te dagen dat hij een hartaanval krijgt. Misschien is die al begonnen. Hij voelt dat hij gaat sterven. In het licht van die toekomst verandert zijn heden: hij begint terug te blikken. Maar het zijn losse, verwarde flitsen. Geen geheel. (Geen ‘leven dat voor zijn ogen voorbijflitst’.) Hij is de enige persoon die de flitsen zou kunnen thuisbrengen, maar hij is daar niet meer toe in staat. Het afschrikwekkende moment (dat ons allen staat te wachten) is aangebroken dat het grootse, oneindige universum dat een leven decennialang lijkt, verschrompelt tot een dossier vol details, dat in handen blijkt te zijn van een enkele archivaris, die sterfelijk is en het dossier niet kan overhandigen aan een ander, want niemand anders kent het handschrift, niemand kan de voetnoten thuisbrengen.
Veel romanschrijvers hebben zich gebogen over de werking van de tijd in fictie. Je hebt de diepte-benadering, van Proust, die de tijd voorschotelt als iets verticaals. Je neemt een lepel thee met madeleinekruimels en je duikt naar beneden. Van de ene herinnering naar de volgende, naar de volgende, steeds dieper. Adri van der Heijden heeft met zijn Tandeloze Tijd-cyclus het tegenovergestelde willen doen (zo vat ik het althans op); de tijd als horizontaal verschijnsel voorstellen, je kunt je werkelijkheid als je maar goed genoeg oplet verdikken, je kunt deze almaar doen uitzetten en leven in één dag. Maar voor mij – en ik heb geen idee of ik daarin gelijk heb, noch hoe dit ‘gelijk’ eruit zou zien of wat het zou betekenen – schiet zowel de horizontale als de verticale tijdsbeleving tekort. Het is geen lijn omhoog of opzij, hij schiet alle kanten op.
Dat beeld van mijn geliefde in de deuropening is een kernbeeld voor mij. Ik heb het al tientallen keren meegemaakt, met verschillende geliefden, en altijd weer was het een ‘foto’ die ik bewust maakte. Elke keer ging die foto zowel over het verleden als het heden als de toekomst. In de terminale fase van een relatie zag ik mijn geliefde daar staan en dacht ik: op een gegeven moment zal ze daar niet meer staan. Die gedachte vervormde het moment al tot een herinnering, het kreeg een postume glans. In de bloeifase van een relatie zag ik mijn geliefde daar staan en vervormde ik het moment tot een belofte over onze toekomst; een hoopvolle glans dus. Deze eigenschap van mij, die door een geliefde eens ‘tijdreizen’ werd genoemd, heeft mooie kanten – ik kan momenten in al hun volheid meemaken omdat ik ze niet geïsoleerd beleef, ze hebben deels een voorafschaduwend en een terugblikkend karakter – maar ook problematische. Als je tijdreist, waar ben je dan echt, waar hoor je thuis? Soms werd het zo erg dat ik werkelijk in de war was over wat het heden was. Maar daar heb je gelukkig pilletjes tegen.
De schrijvers van wie ik het meest houd, zijn volleerd tijdreizigers. En dan bedoel ik niet handige plotschrijvers die goed werken met flashbacks of iets dergelijks, maar schrijvers die zich zowel horizontaal als verticaal door de tijd bewegen. Zo komen we aan bij James Salter. Op zijn negenentachtigste hield Salter een reeks losse, autobiografische lezingen aan de Universiteit van Virginia, over wat fictie is. Hij memoreert de periode in zijn leven dat hij Light Years schreef, zijn meesterwerk.
Terwijl hij het schreef, was hij voortdurend aan het tijdreizen: