De blauwdruk: Daan Heerma van Voss over Tijd

Wat is belangrijk in een roman, waardoor blijven we lezen? Is dat de stijl, de thematiek, of toch de binnenwereld van de personages? In onze reeks De blauwdruk leggen toonaangevende schrijvers het vernuftige mechaniek van De Roman bloot, en reflecteren op dat ene element dat wat hen betreft cruciaal is voor goede fictie. Vandaag publiceren we het derde essay in de reeks: Daan Heerma van Voss over tijd.

Thema

De blauwdruk

Tags

Schrijven De blauwdruk Essay
Illustratie: Luca van der Vossen

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Nog steeds alweer

Over het wonder van de gelijktijdigheid, Nooteboom, Salter, en een vrouw in de deuropening

Een vrouw in de deuropening. Mijn geliefde. Het beeld is zo sterk dat ik niet weet of het een herinnering is (ze heeft al vaak in die deuropening gestaan) of een vooruitwijzing (ze zal nog vaker in die deuropening staan). Het is in elk geval óók een moment dat zich werkelijk voordoet, ze staat daar echt, nu, ze draait zich om en vraagt of ik nog iets nodig heb uit de supermarkt, haar hand omklemt de deurknop, ze bevindt zich tussen vertrek en terugkomst, maar híér is ze niet, niet helemaal. Dan gaat ze weg en ben ik alleen met mijn toetsenbord.

Ik schrijf dit precies een week na de dood van Cees Nooteboom. Nee, ik lieg. Ik schrijf dit een week en één dag na de dood van Cees Nooteboom. Ik loog zojuist, denk ik, omdat mijn schrijfsel op die manier meer een ode of een in memoriam lijkt dan wanneer ik het acht of veertien of eenentwintig dagen na zijn overlijden zou hebben geschreven. Trouwens, ik schrijf nu wel ‘zijn overlijden’, maar ik heb geen idee wanneer hij precies zijn laatste adem uitblies, zoals dat heet. (Wie mensen heeft zien sterven, weet dat het geen uitblazen is, dat veronderstelt een krachtsinspanning. Het is loslaten van het laatste pufje lucht, dat ergens verscholen lag in de longen. Een adem is het dus ook niet.) Door te spreken van een week heb ik, stel ik nu vast, gelogen over beide punten in de tijdsaanduiding: wanneer hij stierf en wanneer ik begon met schrijven. Simpelweg omdat ik de tijd in mijn voordeel heb proberen te laten werken. 

Daar gaat dit essay over, over tijd. Om precies te zijn: het gaat over die immense kwaliteit die fictie als enige kunstvorm bezit: het oproepen van gelijktijdigheid. Dat is waarom ik er verslingerd aan ben geraakt, dat is wat ik ten diepste beoog in mijn eigen romans: de lezer die sensatie bieden dat alles tegelijk gebeurt, dat in elk moment het verleden en de toekomst meetrillen, dat de herinnering en de belofte onafscheidelijk zijn. Het is dus precies het tegenovergestelde van wat Kierkegaard zegt, dat je het leven alleen achterwaarts kunt begrijpen en alleen voorwaarts kunt leven. Er bestaat geen strikt ‘achterwaarts’, en evenmin een strikt ‘voorwaarts’. 

Voordat ik me verlies in abstracties, haal ik twee door mij geliefde schrijvers erbij: James Salter en, allereerst, Cees Nooteboom.

Neem het beroemde begin van Nootebooms beroemde roman Rituelen.

Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde stonden de aandelen Philips 149,60. De slotkoers van Amsterdamse Bank was 375 geweest en Scheepvaart Unie was gezakt naar 141,50. Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil. En dat is wat hij zich herinnerde, áls hij zich iets herinnerde, koersen, en dat de maan in de gracht geschenen had, en dat hij zich had opgehangen in zijn wc omdat hij in zijn eigen horoscoop in Het Parool voorspeld had dat zijn vrouw ervandoor zou gaan met een ander en dat hij, Leeuw, dan zelfmoord zou plegen. Het was een perfecte voorspelling.

Cees Nooteboom – Rituelen

Ik vermoed dat de lezer, dat elke lezer, door deze opening bevangen raakt. Waardoor, dat weet hij nog niet. Het is in elk geval iets groots. Een sensatie. Een inzicht misschien wel, ergens aan de horizon. Het is de suggestie van een samenhang die als door een toverspreuk wordt opgeroepen, zonder dat je deze samenhang meteen doorgrondt. Misschien begrijp je na eerste lezing wel helemaal niet wat er staat. (Ik begreep het in elk geval niet, de eerste keer) Maar het is die sensatie die mijn hart sneller doet kloppen (ik weet het, een sleetse uitdrukking, behalve dat hij in dit geval niet metaforisch bedoeld is – ik voel mijn hart daadwerkelijk versnellen), die plotselinge verruiming van je tijdsbesef, van je wereld. 

Wat gebeurt er nou precies in het fragment? Er is een man, luisterend naar de vreemde naam Inni Wintrop, die zelfmoord zal gaan plegen (of een poging daartoe doet), omdat hij voorspeld heeft dat zijn vrouw er met een ander vandoor gaat, en die voorspelling is uitgekomen. Maar dit herinnert hij zich dus, tegelijk met het licht in de grachten en beurskoersen. (En zelfs die herinnering wordt gecompliceerd door de nuancering ‘als hij zich iets herinnerde’. Hoe bedoel je áls’?!) Hebben we hier te maken met herinneringen of voorspellingen?

Het is mijn stellige overtuiging dat ‘verleden’ en ‘toekomst’ in strikte zin niet bestaan. Of nou, ik zie ze als twee velden van ontzaglijke omvang, die ‘gescheiden’ worden door een minuscule punt die wij het heden noemen: het nu, dit moment, exact nu. Maar dit ‘nu’ is nu alweer geannexeerd door het verleden. Het volgende nu diende zich kortstondig aan, in de toekomst, maar terwijl ik dit opschrijf is het alweer verleden geworden.

(Tekst gaat verder.)

Onze essayreeks 'De blauwdruk'

Wat is belangrijk in een roman, waardoor blijven we lezen? Is dat de stijl, de thematiek, of toch de binnenwereld van de personages? In onze nieuwe reeks De blauwdruk leggen spraakmakende schrijvers het vernuftige mechaniek van De Roman bloot, en reflecteren op dat ene element dat wat hen betreft cruciaal is voor goede fictie.

Lees de hele reeks

Wat ik bedoel met gelijktijdigheid in fictie; dat fictie laat zien hoe grillig en fragiel de grenzen tussen verleden, heden en toekomst zijn. Het is nu pas dat ik besef dat mijn eerste hoofdstuk in mijn roman Geen vaarwel vandaag, precies dat doel heeft. De pater familias, Oscar van Bohemen, dwaalt over een vliegveld. Hij voelt zich niet goed. Het begint hem te dagen dat hij een hartaanval krijgt. Misschien is die al begonnen. Hij voelt dat hij gaat sterven. In het licht van die toekomst verandert zijn heden: hij begint terug te blikken. Maar het zijn losse, verwarde flitsen. Geen geheel. (Geen ‘leven dat voor zijn ogen voorbijflitst’.) Hij is de enige persoon die de flitsen zou kunnen thuisbrengen, maar hij is daar niet meer toe in staat. Het afschrikwekkende moment (dat ons allen staat te wachten) is aangebroken dat het grootse, oneindige universum dat een leven decennialang lijkt, verschrompelt tot een dossier vol details, dat in handen blijkt te zijn van een enkele archivaris, die sterfelijk is en het dossier niet kan overhandigen aan een ander, want niemand anders kent het handschrift, niemand kan de voetnoten thuisbrengen.

Veel romanschrijvers hebben zich gebogen over de werking van de tijd in fictie. Je hebt de diepte-benadering, van Proust, die de tijd voorschotelt als iets verticaals. Je neemt een lepel thee met madeleinekruimels en je duikt naar beneden. Van de ene herinnering naar de volgende, naar de volgende, steeds dieper. Adri van der Heijden heeft met zijn Tandeloze Tijd-cyclus het tegenovergestelde willen doen (zo vat ik het althans op); de tijd als horizontaal verschijnsel voorstellen, je kunt je werkelijkheid als je maar goed genoeg oplet verdikken, je kunt deze almaar doen uitzetten en leven in één dag. Maar voor mij – en ik heb geen idee of ik daarin gelijk heb, noch hoe dit ‘gelijk’ eruit zou zien of wat het zou betekenen – schiet zowel de horizontale als de verticale tijdsbeleving tekort. Het is geen lijn omhoog of opzij, hij schiet alle kanten op.

Dat beeld van mijn geliefde in de deuropening is een kernbeeld voor mij. Ik heb het al tientallen keren meegemaakt, met verschillende geliefden, en altijd weer was het een ‘foto’ die ik bewust maakte. Elke keer ging die foto zowel over het verleden als het heden als de toekomst. In de terminale fase van een relatie zag ik mijn geliefde daar staan en dacht ik: op een gegeven moment zal ze daar niet meer staan. Die gedachte vervormde het moment al tot een herinnering, het kreeg een postume glans. In de bloeifase van een relatie zag ik mijn geliefde daar staan en vervormde ik het moment tot een belofte over onze toekomst; een hoopvolle glans dus. Deze eigenschap van mij, die door een geliefde eens ‘tijdreizen’ werd genoemd, heeft mooie kanten – ik kan momenten in al hun volheid meemaken omdat ik ze niet geïsoleerd beleef, ze hebben deels een voorafschaduwend en een terugblikkend karakter – maar ook problematische. Als je tijdreist, waar ben je dan echt, waar hoor je thuis? Soms werd het zo erg dat ik werkelijk in de war was over wat het heden was. Maar daar heb je gelukkig pilletjes tegen.

De schrijvers van wie ik het meest houd, zijn volleerd tijdreizigers. En dan bedoel ik niet handige plotschrijvers die goed werken met flashbacks of iets dergelijks, maar schrijvers die zich zowel horizontaal als verticaal door de tijd bewegen. Zo komen we aan bij James Salter. Op zijn negenentachtigste hield Salter een reeks losse, autobiografische lezingen aan de Universiteit van Virginia, over wat fictie is. Hij memoreert de periode in zijn leven dat hij Light Years schreef, zijn meesterwerk. 

Terwijl hij het schreef, was hij voortdurend aan het tijdreizen:

I was at odds with my wife; we were barely speaking, and I was thinking back to the days when we’d been happy, not so much trying to remember them, but the way in which I remembered them as well as things I remembered. I was writing about those days of a decade before as they were stacked in me, and in particular the days involving a couple who were our friends, and the wife who fascinated me and who in a gesture I remembered would always remove her wedding ring and place it on the counter when she cooked. I felt I was really writing about her.

James Salter over het schrijven van Light Years

Salter was zich aan het herinneren, maar dit herinneren vertakte zich in allerlei richtingen, óók onverwachte kanten, zoals naar een vrouw met wie hij bevriend was, die een bijzonder trekje had, namelijk dat ze haar trouwring op het aanrecht legde als ze kookte. 

Het wonderbaarlijke van Light Years is dat Salter deze typische vorm van herinneren (die ik dus tijdreizen noem) in de gehele roman heeft weten te verwerken; er zit daardoor iets nostalgisch in de hoopvolle momenten van het liefdesstel Nedra en Viri, de twee hoofdpersonen, maar er zit net zo goed iets hoopvols in hun droevige momenten, omdat de schrijver invoelbaar maakt dat die momenten deel uitmaken van het ritme, en daarmee hun eigen schoonheid krijgen. Op de begrafenis van Nedra denkt hun dochter Danny aan haar eigen dochters, die twee en vier zijn.

Two daughters, one on each side, who, though they were unaware of it, would know another century, the millennium… Certainly they would be passionate and tall and one day give to their children – there is no assurance of this, we imagine it, we cannot do otherwise – marvelous birthdays, huge candle-rich cakes, contests, guessing games, not many young guests, six or eight, a room that leads to a garden, from afar one can hear the laughing, the doors open suddenly, out they run into the long, sweet afternoon.

James Salter – Light Years

Op een begrafenis, een ritueel dat draait om een einde, om een nooit meer, vouwt het leven zich juist in alle richtingen open. Eindeloos zullen de kinderen van Danny leven, en die eindeloosheid zal bestaan uit talloze korte momenten, die op zichzelf ook eindeloos zijn, omdat ze deels in het verleden geworteld zijn en deels in de toekomst, omdat ze zowel herinnering als belofte bevatten. En dan, ‘ineens’, is het allemaal voorbij. En op onze laatste momenten herinneren we ons, als we ons iets herinneren, misschien wel beurskoersen, of het schijnsel van licht op water (Nooteboom) of dat een bepaalde vrouw van lang geleden altijd haar trouwring afdeed als ze kookte (Salter). Het was allemaal eeuwig, voor zolang het duurde. ‘It happens in an instant,’ zegt Viri op een zeker moment. ‘It is all one long day, one endless afternoon, friends are leaving, we stand on the shore.’ Het huidige ogenblik omvat alle ogenblikken. En alle ogenblikken zijn vervat in dat ene.

Om het allemaal nog iets complexer te maken: die fascinatie met tijd is tegelijk een protest tegen de tijd. Dat wil zeggen: door die fascinatie te omarmen, verzetten we ons tegen de dictatuur van de tijd, die ons altijd wordt voorgeschoteld als lineair, van wieg tot graf, van bloei tot entropie. Die dictatuur geldt misschien voor dieren, maar niet voor mensen. Wij kunnen immers tijdreizen. Dat weten we zeker, dankzij de literatuur. Zoals Salter schreef: ‘…we imagine it, we cannot do otherwise…’

In die roman van mij, Geen vaarwel vandaag, vindt ook een begrafenis plaats, van de eerdergenoemde Oscar. In een flits – een fantasie in het heden die zich deels in de toekomst en deels in het verleden afspeelt – ziet zoon Moor hoe de kist waar zijn vader in ligt, tot stand is gekomen.

Van opzij werpt Moor een blik op de kist, die hij, als ware het een film die omgekeerd wordt afgespeeld, uit elkaar geschroefd ziet worden, en met vrachtwagens teruggebracht naar houtwerkers in Nederland of Duitsland of België of Luxemburg, die het gebruiken om bomen te knutselen en Oskar, liggend op de luchthavenvloer, staat op en neemt de trein naar huis, haalt zijn koffer leeg, hangt zijn overhemden in de kast, legt zijn onderbroeken in de lade, de scheerspullen op het daarvoor bestemde plankje in de badkamer, en gaat in bed liggen, klaar voor de vorige nacht.

Daan Heerma van Voss – Geen vaarwel vandaag

Terwijl ik deze zin opschrijf, wordt de deur geopend. Daar staat ze alweer, mijn geliefde. Daar staat ze nog steeds alweer. Onze hele liefde speelt zich af in dit ene moment, haar lippen zijn dezelfde als waarmee ze hallo tegen me zei, haar hand is dezelfde als waarmee ze voor het laatst over mijn wang zal strijken. Was er maar een manier om zoiets treffend op te schrijven.