Marlen Haushofer schreef meerdere boeken over vrouwen die gevangen zitten. In Een handvol leven (uit 1955) druipt de eenzaamheid van de pagina’s. Een boek over een vrouw die door kerk en tucht getraumatiseerd in een huwelijk terechtkomt, een gezin sticht en een leven leeft dat haar met de dag meer benauwt. Tot ze dat leven en haar gezin van de ene op de andere dag de rug toekeert. Tientallen jaren later keert ze terug en doet zich voor als potentiële koper van het landhuis dat haar zoon na het overlijden van zijn vader (ja, haar echtgenoot dus) te koop heeft gezet. Ze overnacht in dat landhuis, doet geen oog dicht en wandelt dan door haar herinneringen, overpeinst haar keuzes.
In het boek dat ze acht jaar later schrijft, De wand, kiest Haushofer voor een radicaler scenario. Een vrouw wordt door haar nicht uitgenodigd in hun huis in de bergen. Als haar nicht en diens echtgenoot na een avondje uit niet blijken te zijn thuisgekomen, gaat ze op onderzoek uit. Tijdens de zoektocht stuit ze op een onzichtbare, ondoordringbare wand. Het dal is door een glazen wand afgescheiden van de rest van de wereld. Ze zal moeten overleven. Ze jaagt en begint aardappelen te verbouwen. Ze raakt verstrengeld met de dieren, met de geiten en de koeien, de poezen. Ze is dan wel eenzaam, maar net als bij Een handvol leven vraag je je soms af wat pijnlijker is: eenzaamheid als je alleen bent, of eenzaamheid in het bijzijn van een ander. Hoe dan ook, om die eenzaamheid en dreigende gekte het hoofd te bieden, schrijft ze iedere dag. Het is bijna meditatief, soms zo saai als een dagboek, maar góéd saai, als je begrijpt wat ik bedoel. Het meandert en je verlangt naar verlossing, die misschien wel nooit komt.