'Retrospectief' - het verhaal van de maand augustus

Een jonge romancier met writer’s block en haar neef voeren een hevige discussie in een tattoo shop. Terwijl de argumenten onder hoog voltage over en weer bewegen mondt de situatie uit op een ruzie die de hoofdpersoon tot een pijnlijk inzicht leidt.

Simone Atangana Bekono

02-08-26

10 min

ILFU Members kunnen het festival terugkijken op onze streamingdienst ILFU+

bekijk de video's

Retrospectief

Het ging niet eens zozeer over wat hij zei maar meer hoe. Dat zei ik tegen hem, ik zei, hoe je het zegt, dat kwetst me en niet zozeer wat je zegt, en om nadruk te leggen op die woorden, wat en hoe, bewoog ik bij het uitspreken ervan steeds mijn kin een stukje omlaag, alsof ik met elke knik het vernederende effect wilde benadrukken van waar mijn neef me van had beschuldigd, waarmee ik dus bedoel, de ronduit neerbuigende toon waarop hij had gezegd dat ik het recht niet had om hem te veroordelen. Ik had het recht niet, had hij gezegd, terwijl de tattoo-kunstenares zich over zijn linkeronderarm had gebogen, die naast hem in een ongemakkelijke houding op een verhoogde leuning naast zijn in een leren behandelstoel liggende lijf lag, om schamper te doen over zijn “business”. “Business” had hij gezegd, met die bespottelijke Parijse uitspraak van hem, waarmee hij van “business” “beeznezzuh” maakte en die mij zodanig op de lachstuipen werkte dat ik ondanks mijn woede op mijn onderlip moest bijten, wat hij natuurlijk direct had gezien, mijn neef zag namelijk altijd alles en herinnerde zich ook altijd alles, en haalde dan op de meest kwaadaardige momenten ineens een hartverscheurende of diep beschamende observatie van je gedrag of citering van oude uitspraken tevoorschijn als uit een malafide hoge hoed en won daarmee alle discussies, alleen al door het feit dat zijn tegenstanders van ongeloof niet meer wisten wat ze zeggen moesten, een ziekelijke gewoonte, een ziekelijke kwaliteit, een tactiek die mijn moeder, zijn tante, eens “dat walgelijke stuk erfelijk materiaal” had genoemd. En daarbij, had hij gezegd, en hij had met zijn ogen geknipperd tegen de pijn van de naald op zijn huid, daarbij was het ronduit hypocriet van mij, slinks, hypocriet en walgelijk, dat ik hem veroordeelde voor het feit dat hij voor zijn werk voetballers en rappers liet investeren in oliewinning in het land waar onze ouders vandaan kwamen, nog geen 100 kilometer ten noorden van het dorp waar zijn vader en mijn moeder zijn opgegroeid, en dat ik ook nog eens cynisch had lopen doen over het feit dat hij dat op de een of andere manier wist te spinnen tot een soort “black excellence bullshit story” (blague excellànce bullshit story), een soort “we the people narratief” (oui de pipèl narratif”) alleen maar omdat hij aan die rappers en voetballers heel veel geld verdiende en ik niet, hij door die rappers en voetballers wel iets voor onze familie kon doen en ik niet, hij een appartement kon kopen en aanzien genoot en een vriendin had die toegewijd aan hem was en hem steunde in zijn succes en dat allemaal door een paar sowieso al extreem rijke en moreel corrupte mensen te laten investeren in lucratieve zaken, zaken waar ze ook zonder hem ook al in zouden hebben geïnvesteerd, ook zonder zijn beezznezzuh, en waar hij nu tenminste zelf nog een beetje het wisselgeld van kon innen, dat hij dat dus allemaal kon en deed, en ik al die dingen allemaal nul noppes nada op geen enkele manier deed en kon. Het is niet mijn schuld, had hij gezegd, en hij keek van de tattoonaald die de bovenlaag van zijn huid doorboorde naar mij, schuin achter de kunstenares op een bankje tegen de muur aan zittend, fronsend, in elkaar gedoken met mijn handen in de zakken van mijn hoodie, het is niet mijn schuld dat jij niet met succes om kan gaan en ik wel, en dat had hij gemeen lachend gezegd, en de tranen waren me in de ogen gesprongen. De tattoo-kunstenares had bij het geluid van mijn gesnik zich zo diep over mijn neefs arm gebogen dat ze met haar spitse, gepiercete neus de huid vast kon aanraken, in ieder geval het parfum van zijn bodylotion kon ruiken, ze had zich verstopt voor mijn beschaamde tranen, zich moeten beschermen tegen het vilein in de stem van mijn neef, en ik huilde omdat hij me precies daar had gepakt waar ik hem nooit zou pakken, omdat hij durfde naar die plek te gaan, de plek waar je mensen uit beleefdheid en compassie niet aan herinnert en waar je eigenlijk alleen heen zou moeten om ze daar met veel liefde weer van weg te trekken, en omdat hij überhaupt bereid was naar zo’n plek af te dalen, wetende dat ik dat niet was. Mijn neef had de meest verwarrende en oprecht schaamtevolle periode uit mijn volwassen leven uit zijn hoge hoed getrokken en die in een tattooshop breed grijnzend met zijn felwit gebleekte tanden aan me gepresenteerd, want ik wist dat hij refereerde aan de waanzin die mij had overspoeld, de hybris en paranoia waar ik door overdonderd was geraakt, toen ik vijf jaar geleden als veel te jonge romancier was gedebuteerd met een dunne maar volgens de recensenten “mokerslag van een” roman over mijn jeugd in West-Vlaanderen, opgegroeid tussen alcoholisten (mijn vader) en arbeidsmigranten (mijn moeder) en verstoten door de kleine gemeenschap waartoe ik veroordeeld was, en er niks dan goeie recensies en prijzennominaties op me afkwamen en ik sindsdien, toen ik al het geld had verdiend dat er met die roman te verdienen viel, aan writer’s block leed, en nog steeds geen woord op papier kreeg, en ook al het geld had verbrast aan kleding en drank en drugs en, in het meest nutteloze geval, een maandlange trip naar New York waar ik het idee had gehad “mijn mensen” te zullen ontmoeten maar voornamelijk alleen in een hoek had gestaan tijdens boekpresentaties van harder werkende en duidelijk slimmere Amerikaanse schrijvers. Mijn neef wist en ik wist donders goed waar de wortel lag van mijn hele irritatie rond zijn beezznezzuh, waardoor ik het precies niet kon verkroppen, en dat dat niet vanuit een ethisch kompas was of een serieuze zorg voor de buren van onze familie die van hun land werden verjaagd of vanuit afschuw voor de verwoesting van mensenlevens en woud en agricultuur en geschiedenis!, zoals ik had geroepen, alleen maar zodat ergens iemand miljoenen kon verdienen, nee, hij wist dat dat allemaal maar secundaire redenaties waren, en dat ik hem vooral van hypocrisie had beticht, hypocrisie en collaboratie, gewoon omdat ik het hem niet gunde, omdat ik nog steeds, lamgeslagen door het greintje succes dat ik vijf jaar geleden had genoten, als een spook door mijn eigen leven zweefde, een nors, blut spook met een rijke neef in Parijs. Mijn rijke neef had zonder enig medelijden toegekeken hoe ik mijn tranen wegveegde en toen gevraagd waarom ik nou in godsnaam moest janken en toen had ik dus gezegd dat het me niet ging om wat hij had gezegd maar hoe hij het had gezegd, waarop mijn neef vroeg waarom hoe hij het zei zoveel erger was dan wat hij zei want het ging er toch juist om wat hij zei en toen zei ik dat hoewel hij heus wel gelijk had, het feit dat hij zo genoot van het gevoel van vernedering dat hij in mij veroorzaakte smakeloos was, bruut was, en dat ik niet begreep waarom hij het zichzelf toestond dat soort bruutheid op mij te botvieren. Je doet dit altijd, zei ik, je geniet er gewoon van, zelfs al wordt een discussie in bad faith gevoerd, jij gaat compleet aan de waarheid voorbij om hem te winnen, zelfs al heeft de ander meer dan gelijk. En ik zag het, er flitste een glimps van twijfel door zijn blik, zijn grijns wankelde even, maar ik zag hem die grijns ook weer terug opplakken als loszittend behang dat snel weer de muur wordt opgedrukt. Nee, zei mijn neef toen, en de tattoo-kunstenares verlegde voorzichtig zijn onderarm, hij moest zijn torso in een vreemde bocht wringen om die nieuwe positie enigszins werkbaar te maken, nee, dat is het helemaal niet, zei hij, het is eerder zo dat ik me niet ga laten overtuigen van mijn eigen ongelijk door iemand die niet transparant is over zijn of haar motieven, en jij bent natuurlijk nooit transparant over jouw motieven, want jij bent net zo slinks als ik, alleen jij past die slinksheid toe op de mensen met wie je omgaat en ik alleen op de manier waarop ik aan mijn centen kom. Daar werd ik woest van, en ik noemde hem een seksist. Toen waren we allebei stil. Het gezoem van de tattoogun was oorverdovend voor een paar minuten lang. Toen ging de kunstenares rechtop zitten. Ze zei tegen mijn neef dat hij bijna klaar was en ze even buiten een sigaretje ging roken en toen stond ze op en liep richting de uitgang, de joint die ze de hele sessie lang achter haar oor had zitten al aanstekend voor ze de voordeur van de shop uit was. Mijn neef bestudeerde zijn tatoeage en ook ik keek vanaf een afstandje naar de lijnen die de Romeinse cijfers vormden van de sterfdag van zijn vader. We waren de dag saamhorig begonnen. Eerst een kop koffie om de hoek van zijn appartement, toen een kaarsje aangestoken in de kerk waar zijn vader tot op het laatste moment de zondagsdienst bijwoonde, zelfs samen kort gebeden, al was het maar voor de vorm, en toen met de metro richting het vijftiende arrondissement voor zijn afspraak. Het eerste halfuur hadden we het over het grote Sembène-retrospectief gehad dat nu in verschillende filmhuizen door de stad werd georganiseerd. Mijn neef had zich hardop afgevraagd of het werk van hedendaagse filmmakers uit het francofone deel van het continent ooit Sembènes meesterwerken zouden ontstijgen. Een ongeëvenaarde, mateloos inspirerende samensmelting, had mijn neef Sembènes werk genoemd, van revolutionair gedachtegoed en artistieke integriteit. Hij had plechtig geknikt terwijl hij het zei, met getuite lippen, en bij dat geknik heb ik toegeslagen, zoals men dat noemt, heb ik mijn kans gegrepen om mijn neef eens flink van zijn stuk te brengen, hem en zijn schijnheilige, getuite lippen eens goed duidelijk te maken hoe smakeloos die uitspraak over grootmeester Sembène wel niet was. De woorden inspirerend en integriteit heb ik spottend herhaald, met Parijs’ accent en in het Frans, om de belachelijkheid van zijn plechtige toon op de wreedst mogelijke wijze te benadrukken, inspirant!, riep ik, intégrité!, waarna ik smalend dat feit over zijn participatie in en zelfverrijking middels de verwoestende oliewinning op nog geen 100 kilometer van het geboortedorp van onze ouders het gesprek in beukte, zonder ook maar een greintje compassie, alleen maar om die plechtige blik van zijn smoel te vegen, zoals ik dat altijd doe, telkens weer mijn vernielzuchtige dwanggedachten tot het bittere eind volgen in plaats van ze ook maar enigszins te beteugelen, altijd, altijd doe ik dat, en altijd doen we dat aan mijn moeders kant van de familie, gedwongen, zoals mijn moeder zou zeggen, door dat walgelijke stuk erfelijk materiaal dat ons, en dus ook mij, te pas en te onpas, maar soms zeer gecalculeerd, met boosaardige intentie, de sfeer doet verpesten.