Een middag en Gorilla Monsoon – het verhaal van de maand juli

Als je veertig bent, 'de tijd waarin het raadsel het diepst is' en je terugkijkt naar wat (als je geluk hebt) de eerste helft van je leven is geweest – had je dan dingen anders gedaan? Had je minder gedroomd, meer actie ondernomen, was je verhuisd of juist gebleven, schaam je je of ben je trots? Dat het verleden per definitie melancholiek stemt, lijkt de overheersende gedachte in dit sfeervolle en troostrijke verhaal van Maarten van der Graaff – het ILFU Verhaal van de Maand Juli 2026.

ILFU Members kunnen het festival terugkijken op onze streamingdienst ILFU+

bekijk de video's

Een middag en Gorilla Monsoon

Tegenover mijn huis zat een verfhandel. Op straat lagen kleurstaaltjes. Ik reed in die tijd vaak langs een rotondekunstwerk en vormde er toch, onwillekeurig, nieuwe gedachten over. Ik at vrij ongezond.

In de stad van de verfhandel en het rotondekunstwerk werd het zomer. Iedere ochtend ging ik met een verschoten handdoekje dat nog van mijn stiefvader was geweest naar het openluchtzwembad. Daar lag ik languit in het gras, opgenomen in de gemoedelijke anonimiteit van soezende mensen. Uit de richting van het zwembad klonk zoemend gekwebbel en soms overslaand gekrijs. Ik ging altijd midden op het grasveld liggen of eigenlijk iets naast de plek die ik beschouwde als het absolute midden. Soms denk ik nog aan dat grasveld.

Ik werkte die zomer in een flauw verlichte kroeg. Ik had mannenhobby’s en dacht dat ik in een roman leefde. In de flauw verlichte kroeg kwam ik haar tegen. Ik stond achter de bar en zij bestelde een oude jenever. Ik vertelde over mijn lijstjes. Het waren lijstjes van kwalen en de beroemdheden die eraan leden of hadden geleden. Astma was een prachtig lemma, dat zelf kortademig leek en ik citeerde mijn favoriete stuk: Vivaldi, Proust, Dylan Thomas, Scorsese! Of neem nu suiker: Halle Berry, Hemingway, Mario Puzo, Gorbatsjov, Gorilla Monsoon. Wie is Gorilla Monsoon, wilde ze weten. Een gigantische worstelaar die eigenlijk Robert Marella heette, vertelde ik. Hij werd vroeg ontdekt door de worstelaar Pedro ‘The Mummy’ Martínez, waarna hij vrij snel beroemd werd. De Italiaans-Amerikaanse reus probeerde eerst een wat gecultiveerder imago uit door als ‘Gino Marella’ voor aanvang van een wedstrijd allerlei liederen ten gehore te brengen, maar een zingende worstelaar, dat werd geen succes, dus de nihilistische Gorilla Monsoon werd geboren. Tachtigerjaren: in een interview ter gelegenheid van een wedstrijd tegen Hulk Hogan somt Gino kort zijn verschillende verwondingen, breuken en andere eretekens op, maar zijn diabetes komt niet ter sprake. In dat interview zei Monsoon dat de mens van nature sadistisch is, en natuurlijk, dat worstelen was nep, dat wist iedereen, ze voerden een toneelstuk op om de sadistische mens te bekoren: we bring out the worst in everybody. Ik bekende soms aan Gorilla Monsoon te denken die zich terugtrekt om insuline te spuiten.

Ze raakte mijn arm aan en liet haar hand liggen. Even later liepen we over een fietspad. De zon kwam op en we hielden elkaar vast. Ik dacht aan het bestaan van mijn botten toen zij haar hand onder mijn trui schoof. In de ochtend bracht de trein haar terug naar haar vriend.

De jaren verstreken. Vermogensoverdracht sloeg mij over. Ik keek naar de tuinen van anderen en vergat alles. Ik hing rond met mensen in cafés en clubs, ik ademde met ze mee, ik rook hun geur, ondanks alle sigaretten, en ik verkende, hoewel altijd een beetje knullig, de kamers en de achterkamers van het bewustzijn. Om het leven te leven moet je achtelozer worden, dacht ik toen, eerlijker, bijna wreed en daardoor gek genoeg menselijker. Ik wilde mijn behoefte aan rondheid negeren, de drang om te weten hoe iets verder gaat.

Ik werd een totaal onsystematische detective van straatbeelden en sferen. Ik inventariseerde. Bruine en groene vegen op de stenen van de stad, mos en gewoeker, statig licht op de gevels, muziek aan de binnenkant van gebouwen. Ik was op zoek naar goede combinaties, ook broodnuchter, al wist ik ook: met al die delicate gevoelens verwaarloos ik de strijd, de vooruitgang, en daar schaamde ik me voor. Ik stond aan kades en zat op bankjes. Ik keek naar het deinen van boten, voor anker of stil varend met een hond aan dek, een man die peinst boven een koffiemok, zijn vrouw met haar handen op tafel als grote, vreemde schelpen. Een busrit langs een sloot, schoolplaatachtig leven in die sloot – hoe treurig is het niet voor kinderen om te bedenken dat de afgebeelde dieren op zo’n plaat echt in die sloot wonen, eeuwig in die sloot, zoals die kinderen zelf in de stoffige hoekjes van keukens en slaapkamers hun leven voelen, de onvaste en tegelijk ijzeren vorm van dat leven!

Veertig. Bijna op de helft. De tijd waarin het raadsel het diepst is, las ik net. Dat is er dus aan de hand! Het raadsel is gewoon het diepst.

In een kroeg met beslagen ramen waar een voetbalwedstrijd werd uitgezonden kwam ik haar weer tegen. Ze had een opvallend bed, het stond in het midden van haar kamer. Het was een bed voor mannen in films. Op dat grote bed ging ze liggen. Ik liet mijn broek zakken. Het was niet bepaald mijn mooiste onderbroek die ik onthulde, dus die liet ik ook maar zakken. Ze gebaarde dat ik haar kleren uit moest trekken. Haar rug was gespierd en ze kwam tegen me aan liggen en ik keek naar haar mond, die later, tijdens het slapen, een beetje openhing, en ‘s morgens voelde ik het zonlicht op mijn haar en hoorde ik aan de andere kant van het raam een bus optrekken, op die steunende, klagelijke manier.

En nu ben ik veertig, Het is nog geen zomer, maar ik zit met een boek in de zon. De man in de stacaravan naast mij zag ik gisteravond met blozende wangen door zijn tuin dansen. Was het levenslust, of deed hij alsof, danste hij samen met iemand die ik niet kon zien of was hij alleen? Misschien kijkt hij vanavond wel naar mij, als ik voor mijn stacaravan zitzat, verscholen in de Nederlandse natuur, dat bedeesd geknoopte kleedje.

Veertig. Op de helft. De tijd waarin het raadsel het diepst is, las ik net. Dat is er dus aan de hand! Het raadsel is gewoon het diepst.

Langzaam ben ik losgeweekt van fantasieën die ik als kind al had, over een leven in de vouw van een kledingstuk op een Scandinavisch eiland, of in een zacht bedje, waar niemand op je let, als anoniem knuffeldier. Erg lang werd ik gegijzeld door een afschuwelijke dromerigheid. Nu moet ik maar gewoon mijn vlees zijn, mijn armen en mijn forse kont. Nu wil ik gevonden worden.

De man van de stacaravan hiernaast loopt voorzichtig het grindpad af en blijft voor mijn tuinhekje staan. Hij zegt iets over het weer. Ik haal twee glazen cola en biedt hem een klapstoeltje aan.

‘Waarom danste je gisteren door je tuin?’

‘Dat weet ik eigenlijk niet,’ zegt hij.

Hij kijkt me aan en lacht verlegen. Het raadsel is het diepst, denk ik.

Op onze laatste middag nam ze me mee naar het strand. De vage, landerige dreiging van het jong zijn bestond niet meer. Ik probeerde haar te vertellen wat niet verteld kan worden. Over het dorp waar ik als kind woonde, overal was ruimte daar, ruimte die je kon drinken zodat je verbleekte en bijna verdween, tot je niks en niemand meer was, en ik droeg die kennis rond door het dorp, al bezat ik hem niet, omdat je kennis niet kunt bezitten. Ik was jong en droeg die kennis rond door de straten van het dorp. Daar liep ik. Onzichtbaar stralend. Ik schaam me niet meer voor de verwaandheid van toen. Het was toch levenslust. De levenslust eerbiedigen, ook achteraf, niet van tafel vegen, want de levenslust verlaat ook, mij en anderen, een poos, heel lang, of helemaal. Het was die dag te koud om te zwemmen.