Literaire spaanders: de offers van autobiografisch schrijven

Eerder deze week verscheen de autobiografische roman Beginnen van Anne Louïse van den Dool. Waar autobiografisch wordt geschreven, vallen spaanders, weet de auteur al sinds haar debuut. Of het nu de omgeving of het eigen welzijn betreft: schrijven over het eigen leven vraagt zo nu en dan om offers. De buitenwereld lijkt zo overtuigd van de heiligheid van het boek dat al die pijn in haar ogen de moeite waard is, maar die redenering moeten we kritisch bevragen.

Foto: Tessa Posthuma de Boer

ILFU Members kunnen het festival terugkijken op onze streamingdienst ILFU+

bekijk de video's

Op een warme zaterdagmiddag loop ik door Museum Sophiahof in Den Haag, waar verhalen over het koloniale verleden van Nederlands-Indië worden verteld. In één ruimte worden videoportretten van Indische Nederlanders afgespeeld, die vertellen hoe die geschiedenis hun dagelijks leven tot op de dag van vandaag beïnvloedt. Een van hen is Alfred Birney, die in 2016 de letteren opschudde met de vuistdikke roman De tolk van Java, over hoe de oorlog in Nederlands-Indië op gruwelijke wijze blijft doorwerken in een gezin. Hij baseerde het verhaal op zijn eigen traumatische ervaringen, een nog maar nauwelijks geheelde wond die hij voor het schrijven van het boek opnieuw moest blootleggen.

In de video geeft Birney in alle oprechtheid toe dat hij dat voor zijn eigen mentale welzijn beter niet had kunnen doen. Die uitspraak maakte in mij iets los: tot nu toe had ik altijd het gevoel dat je als auteur in dienst staat van het verhaal dat je te vertellen hebt, en dat dat nu eenmaal met bepaalde offers gepaard gaat. Ik ervoer die spanning voor het eerst tijdens het maakproces van mijn debuutroman Achterland, over de getroebleerde relatie tussen een perfectionistische moeder en haar dochter, die deels is gebaseerd op mijn eigen ervaringen. Al tijdens het schrijven merkte ik hoe ingewikkeld het was dat de wereld die ik vastlegde ook de omgeving was waarin ik dagelijks rondliep. Soms hoopte ik bijna dat tussen mijn moeder en mij, met wie ik toen nog samenwoonde, een voorval zou plaatsvinden, zodat ik dat kon gebruiken voor mijn boek.

 Moeder aan de schandpaal

Die tegenstrijdige gevoelens droegen eraan bij dat ik het schrijfproces zo snel mogelijk wilde afronden. Ik wist toen nog niet dat wat daarna zou komen nog vele malen intenser zou zijn. Hoe goed ik zelf ook wist dat de situaties die ik in mijn roman omschreef sterk uitvergroot en soms zelfs geheel aan mijn fantasie ontsproten waren, voor de buitenwereld was er maar één vraag: is het allemaal waargebeurd of niet? Richting mijn moeder werden zo nu en dan toespelingen gemaakt die suggereerden dat de neuroses van het personage in mijn boek ook de hare waren, en wie haar niet had gekend voordat Achterland was verschenen, had bij voorbaat een sterk gekleurd beeld van haar. Vrienden van mijn ouders uitten hun onvrede: waarom had ik mijn moeder zo aan de schandpaal willen nagelen?

Het was mijn eerste persoonlijke kennismaking met de offers die de schrijver en diens omgeving soms blijkbaar moeten brengen om een verhaal de wereld in te helpen. Steeds beter begreep ik waarom de uitgeverij en mijn agent voorafgaand aan de publicatie van mijn debuut zo graag met mij hadden willen doorspreken hoe we het boek in de markt moesten zetten: als volstrekt autobiografisch of als totale fictie. Dat bepaalde tenslotte of we ja zouden zeggen wanneer Matthijs van Nieuwkerk mijn moeder en mij aan tafel uitnodigde bij De Wereld Draait Door om, à la Ernst van der Kwast en zijn Mama Tandoori, als in een rollenspel alle karikaturale beelden te bevestigen die ik in mijn boek had geschetst.

Ook in mijn nabije omgeving houdt men er verschillende gedachtes op na. Mijn ouders, en in het bijzonder mijn moeder, hebben mij altijd op het hart gedrukt dat ik moet kunnen schrijven wat ik wil, zonder angst dat ik hen daarbij tekortdoe. Sommige van mijn vrienden kijken zelfs reikhalzend uit naar het moment dat ze een rolletje mogen spelen in een van mijn verhalen. Andere dierbaren melden zich met de expliciete wens niet in mijn teksten te worden opgenomen. Dat vind ik eerlijk gezegd de gezondste reactie: een romanpersonage worden is lang niet altijd een pretje.

 Zelfcensuur

In de wereld om die kleinere kring heen lijkt minder ruimte voor die nuance. Hoe wars een groot deel van de bevolking tegenwoordig ook is van lezen als vrijetijdsbesteding, het boek is en blijft een heilig object. Ik kan tijdens voorstelrondjes op verjaardagen nog zoveel namen van kranten en tijdschriften noemen waarvoor ik ooit stukken mocht schrijven, zodra ik de woorden ‘schrijver’, ‘boeken’ en ‘uitgeverij’ noem, worden alle ogen groot.

Die verering geeft de schrijver een vrijbrief om alles te maken wat ‘ie wil, ook als tijdens dat literaire hakken spaanders vallen. Ik heb zelden verbaasdere reacties gekregen dan toen ik tijdens een optreden in een bibliotheek aangaf steeds nadrukkelijker een afweging te maken tussen de wens een autobiografisch verhaal te willen vertellen en de schade die ik mijn naasten daarmee potentieel berokken. Een oudere dame sprak me hoofdschuddend toe dat ik nooit zulke zelfcensuur moest toepassen – dat zou de kwaliteit van mijn schrijven alleen maar in de weg zitten.

 Ziekte op afstand

Tijdens het werken aan mijn nieuwe roman Beginnen, die oktober dit jaar verschijnt, werd ik geconfronteerd met een nieuw autobiografisch dilemma. Deze keer richtten de gifpijlen van de waarheidsgetrouwe vertelling zich niet op mijn omgeving, maar op mijzelf. Met dit manuscript deed ik een poging de eetstoornis waarmee ik jarenlang kampte in literaire bewoordingen te gieten, en dat viel me beduidend zwaarder dan gehoopt.

Ik had mijn best had gedaan om een vorm te bedenken die de ziekte enigszins op afstand zou houden. Zo had ik gekozen voor een personaal perspectief in plaats van een eerste persoon, waardoor mijn pen zich hopelijk automatisch meer zou richten op vrij objectief omschrijfbare gebeurtenissen dan op pijnlijke gevoelens. Ook was ik gegaan voor een minimalistische verteltrant, met korte fragmenten en veel wit, waardoor ik pijnlijke zaken eventueel kon weglaten. Daarnaast merkte ik, interessant genoeg, dat het opluchtte de ziekte zelf een stem te geven: zo hoefde ik mijn personage niet alle symptomen aan den lijve te laten ervaren, maar kon ik vanuit het fictieve perspectief van de eetstoornis uitleggen wat haar te wachten stond.

Hoe goedbedoeld al die ingrepen ook waren, toch ontkwam ik er niet aan dat tijdens het schrijfproces, dat uiteindelijk twee jaar duurde in plaats van de compacte twee maanden die ik voor mijn debuutroman nodig had gehad, de stem van de eetstoornis zich weer onherroepelijk aan me opdrong. De vorm van anorexia waarmee ik destijds kampte, was een redeneringsziekte: een stem in mijn hoofd praatte me de vreemdste argumentaties aan, die me ervan overtuigden te dik te zijn terwijl de broeken om mijn dijen lubberden. Om de ziekte goed te kunnen omschrijven, moest ik in gedachten terug naar die versie van mezelf, alle literaire stutconstructies die ik had bedacht ten spijt. Achteraf klinkt het me wat naïef in de oren: dat ik die transformatie niet hoefde te ondergaan als ik maar een ander perspectief en stijlregister aanhield.

 Lichaam in de weg

Ik voelde me dan ook enorm begrepen toen ik het interview van ILFU-redacteur Yosha Voesenek met schrijver Emma Laura Schouten over haar debuutroman Nachtschade las. Om deze autobiografische roman, over de worsteling met migraine, te kunnen schrijven, moest zij eveneens lichamelijke barrières overwinnen: de ziekte waarover ze schreef, zat haar tijdens het schrijven net zo goed in de weg. Ook zij koos er opvallend genoeg voor een personificatie van haar ziekte een plek te geven in haar roman, wellicht vanuit dezelfde gedachte als ik.

Ik kon Beginnen alleen maar schrijven door het lichaam en de geest die ik voor dat schrijfproces nodig had opnieuw te manipuleren. Hoe groot de motivatie ook was om dat traject tot een succesvol einde te brengen, in de loop van de tijd realiseerde ik me meer en meer dat dat ook kon betekenen dat ik bij de finish geen boek in mijn handen zou hebben, omdat het offer daarvoor te groot zou zijn. Mijn gezondheid kon en mocht niet ondergeschikt zijn aan mijn naam op een kaft.

 Vernauwend brein

Het kostte me flink wat moeite die lijn voor mezelf te trekken. Sterker nog: ik was ‘m misschien al overgegaan voordat ik er erg in had. Een eetstoornis openbaart zich zelden plotsklaps: het begint met een fluisterende stem die je een alternatieve manier van kijken aanbiedt, die je slinks een werkelijkheid probeert te verkopen waarin minder eten en meer bewegen logische stappen zijn. Ook in mij won die stem aan kracht: niet door luidkeels te roepen dat ik te dik was, maar door me ervan te overtuigen dat een sportiever lichaam me beter zou staan.

Uiteindelijk merkte ik dat mijn brein zich opnieuw begon te vernauwen: de dag begon weer meer en meer in het teken te staan van zo min mogelijk calorieën binnenkrijgen en zoveel mogelijk stappen zetten. De puntigheid in mijn schouders keerde terug, mijn broeken zakten langzaam maar zeker steeds een stukje verder van mijn heupen. Mijn omgeving begon opnieuw vragen te stellen – voorzichtig, en vaak pas als ik zelf een aanzet gaf.

Het boek en ik waren in een verstikkende dans terechtgekomen: ik kon het alleen afmaken als ik nog even zou blijven proeven van deze manier van leven, en tegelijkertijd voelde ik aan alles dat dit weleens een flinke terugval zou kunnen worden. En net als tijdens de eerste keer dat ik kennismaakte met de eetstoornis, was er maar één manier om terug te keren: weer meer gaan eten, wetend dat een gezond lichaam ook gezonder denkt.

 Het boek is niet heilig

Daarmee voelde het alsof ik niet alleen voor mezelf koos, maar ook tegen de roman die ik probeerde te voltooien. Ik had het idee dat ik in een welbekend script stapte: dat van het verhaal van de schrijver die door diepe dalen heeft moeten gaan om diens verhaal de wereld in te krijgen. We smullen van interviews waarin auteurs vertellen dat ze tien jaar onafgebroken aan een boek hebben gewerkt, met verwaarlozing van hun gezinsleven, gezondheid en portemonnee tot gevolg, dat ze zo obsessief in een bepaald onderwerp zijn gedoken dat ze aan niets anders meer konden denken, dat het gepubliceerde verhaal voor onherstelbare frictie binnen vrienden- of familiekringen heeft gezorgd.

Zo’n verhaal is bovendien alleen waardevol wanneer aan het einde van die moeizame route een beloning wacht. Birney had een ongekend succes met De tolk van Java, maar het had net zo goed gekund dat zijn roman op de grote stapel ramsj was beland. Sommige mensen durven te beweren dat de kans daarop kleiner is wanneer je all-in gaat: wanneer je je betaalde baan opzegt, jezelf maandenlang opsluit in een hutje op de hei. Dat lijkt me een sterk staaltje calvinistisch maakbaarheidsdenken waaraan ik persoonlijk liever niet ten prooi val. Met motivatie en toewijding is niets mis, maar met zelfbescherming en relativeringsvermogen evenmin.

Een boek is niet heilig en de schrijver is geen messias. Zelfs als een roman uiteindelijk duizenden mensenlevens heeft veranderd, hoeft de route naar succes geen lijdensweg te zijn – noch voor de auteur, noch voor diens omgeving. Ik hoop dat we de roze bril van het schrijverschap zo nu en dan eens kunnen afzetten om te zien dat een boek uiteindelijk niet heel veel meer dan een reeks letters is – een heel betekenisvolle reeks, weliswaar, maar zeker geen reeks die levens hoeft te kosten.

Ik denk dat ik durf te beweren dat ik tijdens het maakproces van Beginnen door een heel smalle kier ben gekropen: die tussen doorslaan in de ziekte die ik probeerde te beschrijven en het afleveren van een boek waarin die ziekte waarheidsgetrouw wordt neergezet. Of ik trots ben op het resultaat dat er nu uiteindelijk ligt? Daar begin ik steeds meer in te geloven. Of ik het nog een keer zou doen? Dat betwijfel ik.

Beginnen verscheen gisteren bij uitgeverij Querido

Wanneer een studente kunstgeschiedenis haar vertrouwde omgeving verruilt voor een Franse stad, lijkt dat een nieuw begin. Ver van familie en vrienden vindt ze houvast in schilderijen van rugfiguren: vrouwen die zich afwenden, hun gezicht onttrokken aan het oog van de kijker. In hen herkent ze een verlangen om te verdwijnen. Als een al te vertrouwde stem haar opnieuw in zijn greep krijgt, groeit in haar de vraag: hoe neem je ruimte in, en wat gebeurt er als dat niet lukt? Beginnen is een indringende en poëtische roman over kijken, bekeken worden en de wens onzichtbaar te zijn.

Meer informatie