Kerhuen - het verhaal van de maand mei

Een oude schrijver leeft een teruggetrokken bestaan op het platteland, maar koestert de stiekeme hoop dat de media hem nog eenmaal zullen opzoeken. Temidden van de knotwilgen en de kromgegroeide hazelaars maakt hij zich een voorstelling van deze ontmoeting.

Thema

Actuele Fictie

Tags

Fictie van de maand Kort verhaal
Beeld: Raymond Teitsma

Word ILFU Member en kijk al onze programma's online terug

Nu de eerste maand gratis

Kerhuen

1

De maïs was laat dit jaar, maar hij heeft weer vrij zicht. Elk moment kunnen ze nu komen. Hij glimlacht, neemt een slok. Daar moet ze altijd om lachen, wanneer hij dat zegt. Elk moment. Het is toch niet voor te stellen dat? Iemand zal toch wel? Nee, zegt ze. Wellicht niet. Maar als de gedachte je in leven houdt, lieveling.

Lange rijen droge stoppels in donkere aarde, onder een grijze hemel zonder diepte waarin de maan nog schemert – een vingerafdruk op mat glas. Binnen een paar weken snoeien ze de knotwilgen, daarna worden de taludheggen kortgeschoren die aan de oostzijde het veld afzomen. Eerst zal hij de motor horen, is zijn theorie. Kort daarna zal hij het chassis door de kortgeknipte kale takken voorbij zien flikkeren voordat het voertuig opduikt bij de eerste bocht, aan de noordzijde, en hij zal weten dat het eindelijk zover is. Vervolgens zal de auto volkomen ongedekt, roekeloos in feite, van de linker naar de rechterhoek van zijn zichtveld rijden. Dat zal hem wat tijd geven.

Hij hoopt hier te staan zoals hij hier nu staat, met zijn mok koffie in de hand. In de magere schaduw van de twee Douglassparren die resteren van wat ooit een fier rijtje was. Liefst van al zou hij die dag roken. Daar is hij ooit mee gestopt, in een vlaag van verstandsverbijstering. Nooit meer de wilskracht of overtuiging teruggevonden om opnieuw te beginnen. Zo gaat het met de meeste dingen. 

2

Bij het ingaan van de tweede bocht zal de wagen even uit zicht verdwijnen achter het groepje beuken dat daar samenschoolt, en dan op het laatste rechte stuk naar Kerhuen belanden. Kerhuen. Het huis van Huen. Dat vindt ze leuk. Met wat goede wil kan je zeggen dat ze zo heet, inderdaad. Hij wandelt terug naar het erf met zijn mok koffie in de ene en zijn imaginaire sigaret in de andere hand. Pas wanneer hij voor de moedige muren van de oude longère staat, en achter hem het grind verlegen knispert, zal hij omkijken. Alsof hij de bezoeker dan pas waarneemt.

De chauffeur stapt uit. Verbijstering in de ogen. ‘Monsieur de la Victoire?’
Twee opties. Hij volhardt in het zwijgen. Dat zullen ze prachtig vinden. (Vermoedelijk is er ook een fotograaf bij, voor het onverhoopte geval dat.) Of hij zegt: ‘Qui veut savoir?’

Daar zou men de blijde bevestiging in horen, en alles wat daarop volgt zal hij zich laten weggevallen met de intrigerende knorrigheid waarop ze hopen. 

‘Ongelofelijk dat we u gevonden hebben, monsieur. Na al die jaren. Paris Review. Kent u onze serie The Art of Fiction? Een interview?’ Of Le Soir. Wat bestond er eigenlijk nog? 

Ze giechelt. Stel je niet aan. We hebben het toch goed gehad? Wat verlang je nu nog? Altijd eerlijk. Altijd plannen. Voor hem, voor die verdomde schuur. Alsmaar de toekomst overschatten. Het kan hem ziedend maken, nog steeds.
Hij zet zijn mok in de vensterbank. Hij is te oud voor deze flauwekul. Dat de longère nog overeind staat. Begrijpe wie kan. Grote, koppige stenen die van geen slijten willen weten. Tot diep in de zomer schieten de zwaluwen in en uit de muurgaten; binnen kleven verlaten nesten tegen de verweerde steunbalken aan, de vloer ondergescheten door hun kwetterende jongen. Dat maakt hij niet meer schoon. Wat denkt ze wel. 

Hij loopt het pad af dat van het erf naar la fontaine leidt. Eerst onder de kromgegroeide hazelaars door. Hier en daar is de grond omgewoeld. Dat is het werk van meneer de das. Meneer de das, mevrouw de vos, de familie everzwijn. Daarna langs de oude boomgaard, en het open veldje. Daar hadden ze in de eerste jaren twee notelaars geplant. Van eentje schilden de herten al snel de schors af, de ander staat hem nu parmantig uit te dagen. Met zijn imposante kroon. Ze is dol op die noten. Hij voelt zich verplicht ze te rapen. Een paar meter naar links, zo ongeveer waar die jonggestorven boom stond, heeft hij de geweren begraven. De plaggen waarmee hij de boel heeft afgedekt lijken goed wortel te schieten. 

3

Hij wandelt het bonkige pad af, steeds verder naar beneden. Passeert de overwoekerde kennels, waar in geen tijden nog een jachthond heeft staan kwijlen. Het begin van het dichte, donkere everzwijnenbos aan zijn linkerhand – struise eiken die hun gevallen neefjes en nichtjes ondersteunen, gevangen in een verstikkend net van braamstruiken en klimop. Nooit hebben ze hier een everzwijn gezien. Wat verderop een flauwe bocht naar links, en daar is la fontaine. Zijn plekje. Een wildernis toen ze hier kwamen. Hij ging met de bosmaaier de metershoge braamstruiken te lijf, in de stank van zelfgemengde tweetakt. Zij op haar knieën voor de nis. De bladeren uit de put geschept, de granieten stenen schoongemaakt tot het jaartal tevoorschijn kwam en weer leesbaar werd: 1898. Gebouwd door haar over-overgrootvader. Glashelder water. Eerder deze week zag hij er kikkervisjes in zwemmen, zich niet bewust van de naderende winter. Zoiets eenvoudigs achterlaten, als mens. Over een voltooid leven gesproken. In feite net zo mooi als een roman of tien publiceren. Minder vergankelijk, ook.

Hij loopt het veldje naast la fontaine op, volgt de geul tot waar het water le ruisseau instroomt. Inspecteert enkele opschietende braamstruiken. De dag nadert waarop hij deze plek moet teruggeven. Dat weet hij wel. Dat hoeft ze niet telkens te herhalen. Nooit is het de idyllische bezinningsplek geworden die hij ervan zou maken, zo eentje waar je ’s avonds urenlang in het vuur kon staren, ademen op het ritme van het kabbelende water. Ze hielp hem. Zweeg, lachte niet. Onuitstaanbaar.

Hoog boven hem beginnen de bladeren van de bomen te fluisteren. Daar staat hij een tijdje naar te luisteren wanneer vanuit de verte een geroffel nadert. Enkele seconden later springt het hert tevoorschijn uit het everzwijnenbos. Niet meer dan een meter of vijf van hem verwijderd. Hij heeft zich op precies het goede moment omgedraaid, ziet de machtige, donkerbruine flank van haar lijf en haar poten het bos van de buren induiken. Hij wil haar aankijken, lachen, net als toen, die eerste keer, in het eerste jaar, wauw, een hert, zomaar, op ons terrein. 

4

Enkele minuten nadat hij de lichten in de woonkamer heeft aangestoken, komen de hoornaars. Overdag ziet hij ze pendelen tussen de Japanse rozen en de bougainvillea achter het huis, en hun nest in de nok van de longère. In deze tijd van het jaar voelen die beestjes hun einde naderen. Worden ze nijdig van. Ze komen hem zoeken. Tikken tegen de ramen alsof ze hem iets verwijten. Europeanen. Die jagen ook ’s nachts. Hij staat op uit zijn fauteuil, kijkt toe hoe die kleine monsters over het glas kruipen, wegvliegen, terugkomen, tik, tok, tok. Nooit geven ze op. Hij drukt zijn neus tegen het raam, steekt zijn tong uit, likt hun sporen terwijl hij met samengeknepen ogen naar de longère tuurt. Daar, aan de overzijde van het erf, staat ze in het schemerduister te dromen van alle plannen die zij had. De slaapkamer met glazen schuifpui op het westen. De gieten vloer. De open keuken. Een eigentijds interieurdesign met respect voor authentieke details. Ja, ja. Hij heeft haar nooit geloofd. Hij heeft haar nooit gesaboteerd. Gewoon realistisch geweest. Als dat al niet mag. 

Hij laat het licht aan, gaat naar achteren, stapt naar buiten via de deur van de buanderie, loopt om het huis heen naar het erf en gaat daar staan, op hun plekje. Voor de longère, maar met zicht op de weg, het laatste rechte stuk naar Kerhuen dat nu in de donkerte schuilt. Tok, tik, tok. De hoornaars tikken onverdroten door. Het maakt niet uit of hij daarbinnen zit.

5

De bosuil stijgt op. Uit een van de kromgebogen hazelaars verderop. Pekzwart tegen het blauw van de nacht. Hij herkent hem aan zijn brede, afgeronde vleugels, zijn ronde kop. Nog nooit heeft hij zijn ogen gezien. Nooit heeft ze hem geloofd. Maar daar is hij, kijk dan. Zelfs de hoornaars vallen nu stil. Zonder een geluid te maken zeilt hij laag over het erf, recht op hem af, schiet dan plots de hoogte in nog voor hij weg kan duiken, verdwijnt om de hoek van de longère – een ijzingwekkend krijsen rekt zich uit in de koele lucht.

Zie je wel. Altijd gezegd. Uilen. Boodschappers van kwade geesten. 

Jij, met je geesten. Ze giechelt stilletjes. Tsss. Moet zij net zeggen. 

De duisternis boven hem met sterren besprenkeld. De bomen houden hun adem in. Het is nog vroeg – pas later vannacht zal meneer de das aan het werk gaan, zullen de herten bij de notelaar grazen, zich verbazen over de metalige geur van de verse grond terwijl het water onverdroten uit la fontaine stroomt. Hij zucht. Richt de blik op het laatste rechte stuk. Hij heeft de motor al lang gehoord. Ze moeten nu toch elk moment komen. Is dat een flikkerend roodblauw licht dat uitdooft in de tweede bocht? Ze knikt. Zegt niets. Hij voelt haar blik die altijd alles zag en ziet. Met wat geluk heeft hij nog net de tijd voor een laatste, imaginaire avondsigaret.