Brieven aan Šindelka 2: 'Een gecodeerde brief, geadresseerd aan dode mensen'

Dit jaar brengt de Tsjechische schrijver Marek Šindelka een bezoek aan de lage landen, waar hij op ILFU Exploring Stories en in het Kortrijkse Kunstencentrum BUDA onder andere in gesprek zal gaan met schrijvers Helena Maes, Sarah van Vliet en Silke van Rompaey. Om alvast vooruit te blikken schreven de auteurs elke een brief aan Šindelka, die hij beantwoordde. Vandaag publiceren we deel twee van deze briefwisseling.

Thema

Corresponding Stories

Tags

Exploring Stories Brief

ILFU Members kunnen het festival terugkijken op onze streamingdienst ILFU+

bekijk de video's

Helena Maes aan Marek Šindelka

Dag Marek,

Bedankt voor je brief! Wanneer het toekwam, had ik mijn knuffelleeuw niet bij de hand. Ik zat op de schommel met mijn vriend en twaalf jaar jongere zus. Terwijl onze voeten bengelden boven het gras, volgden we je verhaal.

Ik vond het mooi om te horen dat ook jij je durft op te krullen wanneer de wereld even te veel wordt. Volgens mij hebben velen al zo’n ervaring gehad, maar wordt dit niet meteen met elkaar gedeeld. Nochtans komt het vaker, op een andere manier, aan bod dan dat ik zelf vermoedde. Ik vond het mooi dat je erop wees dat het ook in de natuur aanwezig is. Er is zoveel dat zich plooit naar geborgenheid. Dit mag meer ter sprake gebracht worden. Het kan een sterkte zijn om te tonen dat je fragiel bent. Dat maakt ons juist iets meer mens.

Eén van de dingen die me dieper hebben geraakt tijdens het voorlezen, was je uitspraak dat je als vader ook een verantwoordelijkheid(sgevoel) hebt om de wereld aan iemand door te geven. Twaalf jaar lang was ik de jongste in huis, tot mijn jongere zus er onverwachts bijkwam. Ergens herken ik dat gevoel dat je beschreef. Intussen is ze negen en in al die tijd stelt ze véél vragen. Dat begon gemakkelijk. Ik antwoordde met: ‘die rechte witte streep in de blauwe lucht is inderdaad van een vliegtuig’ en ‘dat fladderend ding bij de boom is een vlinder.’ Ik voelde me telkens trots als ik nog meer kon laten weten dan wat mijn eigen schoolboeken hadden meegegeven. ‘Die zwarte vlinder, met witte stippen en oranje strepen, dat is een Atalanta, mijn lievelingsdier.’

Intussen is ze ouder en denkt ze veel verder dan over de dingen die vlak voor haar neus staan. Uitleggen hoe de zwaartekracht werkt, lukte nog juist, maar wanneer ze zich afvroeg hoe het kwam dat sommige mensen arm waren en andere juist heel rijk, moest ik toch even nadenken hoe ik dat op een te begrijpen manier kon meegeven. Ik probeerde haar altijd iets mee te geven, maar tegelijk leerde ik ons om toe te geven dat ik het gewoonweg niet wist. In het begin wilde ik haar heldin zijn. Intussen wil ik haar grote zus zijn die alleen maar kan meegeven wat ze zelf te weten is gekomen.

Er schuilt een fragiliteit in dat antwoorden op haar vragen. Ik probeer haar de wereld op een zo objectief mogelijke manier weer te geven, maar tegelijk wil ik haar beschermen. Zoals ik in mijn eerste brief vermeldde, klonk alles geruststellend, tot dit niet meer het geval was. Nu ben ik zelf schuldig op dat vlak. Ik probeer de werkelijkheid mee te geven, maar toch geef ik op het einde een draai aan het verhaal, of een gelukkig einde, zodat ze kan slapen die nacht.

Ik vrees dat ook zij een realisatiemoment zal hebben dat niet alles z’n goed einde heeft gekregen zoals in een sprookje. Wanneer ze dat ervaart, zou ik graag haar grote knuffelleeuw willen zijn. Als ze dat wilt, zou ik een lied neuriën om haar te helpen. Volgens mijn heeft iedereen wel eens nood aan een grote knuffelleeuw.

Warme groeten,
Helena

Sarah van Vliet aan Marek Šindelka

Beste Marek,

Wat verdrietig dat je vader zo jong uit je leven is verdwenen, wat een gemis dat jij en je broer jullie vader nooit goed hebben kunnen leren kennen. Net als jij denk ik dat er een afdruk van je vaders aanwezigheid in je moet zijn achtergebleven, misschien in de vorm van een geluid of beeld dat plotseling terugkeert, of als een verborgen lichtbron die niet te isoleren is, maar die sowieso onderdeel uitmaakt van wie je bent. Juist die eerste maanden, jaren van een kind, zijn zo vormend, dat het hebben van een vader, hoe kortstondig ook, eeuwen af staat van het niet hebben van een vader. Maar je blijft natuurlijk een leven lang zoeken.

Het zoeken naar ouders speelt in onze beide romans een belangrijke rol, en dat voelt, misschien meer nog dan de (machinale) systemen die we opvoeren, als een verwantschap. Na de verschijning van mijn debuut heb ik in een aantal gesprekken verteld dat ik eerder een familieroman dan een science fiction roman heb willen schrijven. Ja, het gaat over een robothondje, maar het is geen robotroman. Mijn Aigou wil de wereld niet vernietigen; hij wil alleen een vader of moeder vinden, of desnoods gewoon een knuffel van een toegewijd baasje.

Ik ben geen politiek schrijver, maar de dystopie dient zich niettemin aan. Er is genoeg aan de hand in de wereld om je te willen oprollen, luisterend naar droommuziek, net zo lang tot de wereld weer veilig genoeg is om je te kunnen ontvouwen en tot bloei te komen.

Ook in de brieven van Silke en Helena tref ik de onontkoombaarheid van het wereldnieuws: terroristische aanslagen, psychopathische leiders, gevoelens van onmacht. Steeds vaker lees ik slecht nieuws over AI: we weten van de enorme hoeveelheden water en energie die het kost, de horizon-en geluidsvervuiling die de datacenters veroorzaken, en dat voor een product waar niemand om gevraagd heeft, en dat onze cognitieve vermogens en onze maatschappelijke posities aantast.

Als klap op de vuurpijl tref ik het bericht dat antiquarische boeken door AI-bedrijf Anthropic met honderdduizenden tegelijk opgekocht, ontbonden, gescand en dan vernietigd worden, in een proces dat ‘destructive scanning’ heet, en dat vervult me met grote weerzin.

Ik ben niet bang voor de intenties van de robots, die misschien inderdaad welwillender zijn dan we denken. Ik ben graag optimistisch en vind het een mooie gedachte dat we ons de levende machine niet per se als een apocalyptische maar als een wijze machine zouden kunnen voorstellen. Zoals je schrijft, als een machine die, als ze écht leeft, ook beseft dat destructie van natuur en cultuur niet de bedoeling kan zijn, dat zij met het metaal en silicium in haar lijf ook deel uitmaakt van de natuur. Een machine die in staat is tot verwondering.

Waar ik wel bang voor ben, zijn de intenties van de nieuwe barbaren, de techbro’s uit Silicon Valley. Maar ik wil geen politiek pamflet schrijven. Liever wil ik schrijven over de verwondering en wijsheid van de levende machines die wij zijn. Liever wil ik iets zeggen over tederheid. Want is er iets mooiers dan dat? Tederheid is liefde zonder agressie, manipulatie en macht. We hebben meer tederheid nodig.

Ik herinner mij de tederheid waarmee mijn vader Lucky in zijn ziekenhuisbed met twee handen mijn hand pakte. Ik denk aan de tederheid van Bohumil Fischers handen die Les Trois Mains van Jean-Philippe Rameau spelen voor zijn dochter Ada Fischerová. De tederheid waar mijn Aigou naar verlangt.

Misschien ligt in deze tijd de verbeelding van het kwaad meer voor de hand dan de verbeelding van de tederheid en de schoonheid, de dystopie meer dan de utopie. Toch moeten we als schrijvers onze lezers niet (alleen) waarschuwen, maar (ook) troost bieden.

Die troost is te vinden in de taal. Die vond ik in de details, vergelijkingen en metaforen in je roman. In de zinnen bijvoorbeeld die het muggenpootachtige element in Ada’s platenspeler beschrijven, de platenspeler die de bezielde stilte van haar musicerende vader tevoorschijn moet halen, “de betoverde wereld van het platenspeler-element, als een kasteel uitgesneden in een kersenpitje”. De betoverde wereld van de roman.

Ik heb natuurlijk een andere roman gelezen dan de roman die jij geschreven hebt. Dat is in zeker zin altijd zo, maar in dit geval zeker, omdat ik geen Tsjechisch lees en dus de Nederlandse vertaling van Edgar de Bruin heb gelezen (die uitstekend is).

Eén van de verschillen tussen het Nederlands en het Tsjechisch is dat het Nederlands niet zo’n uitgebreid systeem voor verbuigingen van zelfstandig naamwoorden kent. Ook is het Nederlandse woord ‘tederheid’ (něha), met behulp van het achtervoegsel ‘-heid’, afgeleid van het adjectief ‘teder’, en dus niet een simplex woord zoals zijn Tsjechische equivalent dat is. Ik vraag me af of ‘něha’ daarmee een ander, elementairder, concept vertegenwoordigt dan ‘tederheid’. Of dat zo’n suffix, als een extra schroefje in de constructie, volstaat om in het Nederlands tot exact hetzelfde woord, met exact dezelfde betekenis te komen.

Hoe is het voor jou om in je eigen vertaalde romans te bladeren? Je krijgt straks een boek in handen dat je geschreven hebt, in een taal die je misschien zelf niet kunt lezen. Als we elkaar ontmoeten, dan zou ik je een passage kunnen voorlezen uit ‘Systemen van tederheid’. Over vader en kind. Dan kun je horen hoe mooi dat ook in het Nederlands klinkt.

Hartelijke groet,
Sarah

Sarah van Vliet en Marek Šindelka gaan met elkaar in gesprek op Exploring Stories

Exploring Stories keert terug! Op 26 september brengt ILFU voor de zesde keer schrijvers en denkers van over de hele wereld samen voor inspirerende gesprekken over de grote thema's van onze tijd.

info en tickets

Silke van Rompaey aan Marek Šindelka

Dag Marek,

Allereerst wil ik mijn excuses aanbieden. Ik wist niet dat Sinterklaas zo’n nare herinneringen bij iemand naar boven kon brengen.

Ik heb uiteraard onmiddellijk na het lezen van je brief afbeeldingen opgezocht op het internet en ik moet zeggen dat ik zelf, op deze leeftijd, even geshockeerd werd. Hoe gek dat zo’n tradities op elkaar kunnen lijken en toch ook zo hard kunnen verschillen. Ach ja, dat valt wel over elk aspect van onze menselijke samenleving te zeggen natuurlijk.

Eigenlijk is alles aan ons toch een beetje een parodie. Ons lijf is een gemixte kopie van onze voorouders. Daar is weinig authentieks aan. Al onze gedragingen en bedenkingen zijn vaak ook niet origineel, maar zijn ons ergens in ons leven voorgeschoteld geweest. We hebben iets of iemand het ooit zien doen of weten denken en daardoor passen wij het nu ook zo toe. Copy paste. Zelfs als je de geschiedenis van verschillende plaatsen vergelijkt krijg je toch soms het gevoel “Dit heb ik volgens mij al eens eerder gehoord.”.

De geschiedenis herhaalt zich. Copy paste. Hier en daar zijn er evoluties. Maar zelfs binnenin dat evolueren zijn er tal van processen die men ondergaat omdat men al eerder heeft gezien dat het bij een evolutie belangrijk is om rekening te houden met… Copy paste.

De leukste eigenschap aan het zijn van een biologisch kopieermachine is het kiezen van wat ik kopieer. Ik kan zelf de leuke en interessante stukken overnemen en al de rest in de prullenbak gooien. Gewoon even filteren wat er voor mij handig is om mee te werken.
En daar zitten dan waarschijnlijk net onze verschillen. Wat neem ik mee en wat laat ik aan mezelf voorbijgaan? Wat vind ik belangrijk en wat niet?

Weet je wat ik zo fijn vind aan dit project, Marek? Ik ben gewoon opnieuw brieven aan het schrijven! Geen telefoongesprek, sms-verkeer, of mails met twee niet mee verzonden bijlagen. Nee, gewoon brieven. Het is heel jammer dat dat communicatiemiddel hoe langer, hoe minder voorkomt. Het schrijven van een brief biedt je de mogelijkheid om langer stil te staan bij dat wat je wilt vertellen. Je neemt er meer de tijd voor. Je hebt waarschijnlijk al drie keer een zin aangepast voordat je denkt ‘Ja en zo bedoel ik het.” De beschrijvingen zijn meer uitgebreid omdat je wilt dat de boodschap ook overkomt hoe je hem op dat moment had willen uiten. In sms’en zijn mensen heel kort want als je een meer uitgebreide uitleg nodig hebt dan mag je bellen, hoor. Of in het geval het over een puber gaat: niet bellen en geen vragen stellen. Gewoon blij zijn dat ze al iets laten weten.

Ik bewaar ook alle persoonlijke brieven die ik ooit heb mogen ontvangen. Kaartjes trouwens ook. Ik vind het altijd fijn als mensen de moeite hebben gedaan om een boodschap voor mij achter te laten. Eentje die ik echt kan aanraken. Hoe mooi is het moment waarop je een briefje of een kaartje opnieuw bovenhaalt van een eerder overleden persoon en je de mooie boodschap opnieuw tot je kan laten binnendringen.
Het handschrift als bewijs dat het echt door die persoon geschreven werd en dat die persoon echt in jouw leven is geweest. Ik kan daar echt diep door ontroerd zijn.

Ook de uitvoerige reflecties die mensen achterlaten in een dagboek zijn bijzonder waardevol. Als kind had ik zo’n dagboek, maar de reflecties van een zevenjarig kind zijn vaak kort in tekst en ook kortzichtig “Vandaag had ik een slechte toets op school, maar ik mocht daarna wel in het zwembad spelen. Joepie!” Ik kan hieruit afleiden dat ik een goede jeugd heb gehad, maar dat ik ook niet wist welke zaken van belang waren om op te schrijven.

Ik denk dat mensen vaak het gevoel hebben dat ze “toch maar een eenvoudig leven leiden” en dat het daarom geen zin heeft om een dagboek bij te houden. Eigenlijk gaat het helemaal niet over je leven. Het gaat over hoe jij dat leven ervaart. Dat is interessant voor jezelf en anderen om later in de toekomst je persoonlijkheid en ontwikkeling als persoon te kunnen analyseren. Het hoeft ook echt niet uitsluitend te bestaan uit belangrijke gebeurtenissen zoals in het dagboek van Anne Frank. De belangrijkste vragen die je jezelf zou moeten stellen zijn: “Wat is er vandaag gebeurd?”, “Hoe voelde ik mij daarbij?” en “Waarom voelde ik mij zo?”. Het zijn toch die inzichten die we als kleinkinderen ook graag hadden meegekregen van onze grootouders?

Bij deze, Marek heb je ook een aantal brieven/reflecties van ons mogen ontvangen en ondanks dat ze, helaas niet, met de hand geschreven zijn hoop ik dat je ze alsnog zult bijhouden. Als iemand je ooit zou vragen: “En wie was dat dan? Die Silke?”, dan hoop ik dat je antwoord: “Geen idee, maar ze kwam wel boeiend over.”

Silke

Marek Šindelka aan Helena Maes, Sarah van Vliet en Silke van Rompaey

Beste Helena, beste Sarah, beste Silke,

Heel erg bedankt voor jullie brieven! Ik heb ze met veel enthousiasme gelezen. Als ik ons correspondentiegesprek (net als Silke ben ik er opgetogen over dat ik weer eens aan iemand brieven schrijf!) een centraal thema zou willen vinden, dan denk ik dat het doorgeven zou zijn. Ik was geraakt door Helena’s beschrijving van hoe ze haar jongere zusje zo verantwoord mogelijk de wereld wil tonen, terwijl ze er tegelijkertijd naar streeft om de werkelijkheid die ze aan haar doorgeeft, een veilige plek te laten zijn. Misschien is dat wel de zwaarste opdracht in ons leven. Aan onze kinderen, broertjes en zusjes, maar eigenlijk in het algemeen aan de mensen die na ons komen, de wereld door te geven als een min of meer veilige plek, als een plek van hoop. Uiteraard is dat een illusie die je gaandeweg noodzakelijkerwijs in twijfel gaat trekken. Maar wat is geen illusie? We hebben allemaal een basaal beeld van de werkelijkheid, een basisstelsel van verwachtingen, veronderstellingen, waarmee we het leven in gaan. Een soort basisfilter waardoor de werkelijkheid wordt gezeefd.

De Poolse schrijver Witold Gombrowicz, die ik enorm bewonder, heeft eens geschreven dat de ‘wereld honderdmiljoenmaal rijker is dan gezond is.’ Vaak moet ik aan deze zin denken. Ieder van ons ziet vast slechts een bepaald, klein fragment van de wereld. Dat wat we sinds onze kinderjaren hebben geleerd te zien. Dat iemand aan ons heeft doorgegeven. Dat we hebben geërfd, net als onze lichaamsbouw – zoals Silke zo treffend opmerkt. Ons lichaam hebben we als een genetische cocktail van onze ouders gekregen, of we dat nou leuk vinden of niet, en net zo goed bepaalde gedragspatronen, waarvan we helemaal geen weet hoeven te hebben en toch vaak onze hele levensweg voorprogrammeren. Het heeft me altijd gefascineerd hoe veel we met ons meetorsen, hoeveel onopgeloste problemen van generatie op generatie worden overgedragen.

Mijn moeder heeft lange tijd bij ngo’s gewerkt die kwetsbare en mishandelde kinderen helpen. En de mechanismen die deze kinderen van hun ouders hebben overgenomen, zijn meedogenloos. De kinderen van gewelddadige ouders worden als ze volwassen zijn heel vaak zelf gewelddadig. Kinderen van alcoholverslaafden lopen een vele malen grotere kans om met een verslaving te zullen kampen. Verlaten kinderen zullen waarschijnlijk voor altijd met onzekerheid worstelen. Ik ken het van mezelf. Ook mij vader ‘was vertrokken’. Ook al is dat totaal niet te vergelijken met de levensverhalen van de kinderen met wie mijn moeder in contact kwam. Maar het is wel zo dat ik door de voortijdige dood van mijn vader het leven met een soort wantrouwen, met een gevoel van onheil tegemoet ben getreden. Het heeft lang geduurd voor ik leerde met die gevoelens om te gaan. Zodat ik die, als het even kan, niet weer verder aan mijn kinderen zou doorgeven.

Ik vind het mooi wat Sarah schrijft: dat je troost kunt vinden in de taal. Dat slaat voor mij de spijker op zijn kop. Want taal is tevens een instrument van verbeelding. We kunnen door middel van de taal dingen benoemen die niet bestaan. Op die manier zat ik duizend-en-een verhalen te verzinnen over wie mijn vader eigenlijk was. En misschien ben ik daarom wel schrijver geworden. Misschien begon ik wel te lijden aan een te grote verbeelding, aan heel dat obsessieve vertellen van verhalen. Misschien is al mijn geschrijf enkel een soort geheime brief aan mijn vader. Een gecodeerde brief, geadresseerd aan dode mensen.

Ik heb het idee dat iedereen die schrijft tegelijk buiten de tijd om schrijft. Ik heb ooit ergens een interessant idee gelezen dat onsterfelijke mensen geen enkele reden zouden hebben om verhalen aan elkaar te vertellen. Ze zouden gewoon niets in woorden hoeven te behouden. Zouden niets verder hoeven door te geven. Misschien is de dood wel de meest scheppende kracht die er bestaat. Dat zou ik wel leuk vinden. Ik heb altijd op een of andere manier geloofd dat de dood in werkelijkheid helemaal niet erg is, dat die juist slechts een fundamenteel, natuurlijk mechanisme van doorgeven is. Een estafette van het doorgeven van het leven en de wereld aan de volgende mensen, jongere generaties.

Overigens is dat volgens mij de grootste angst van de huidige politieke leiders en techbaronnen uit Silicon Valley, aan wie Sarah refereert. Ze wijzen gewoon hun eindigheid af. Ze geloven dat de technologie hun leven oneindig zal verlengen, dat ze zich met hand en tand in leven zullen houden, koste wat kost. Ze weigeren gewoon de wereld door te geven. Die te laten ademen. Ze zijn gewend geld te vergaren en zouden graag op dezelfde manier tijd willen vergaren. Maar kun je je een ergere horror voorstellen dan een driehonderd jaar oude techno-zombie genaamd Poetin?

Zulke mensen delen met elkaar, behalve een volstrekt verminkte blik op de werkelijkheid – dat geloof ik althans – een fataal gebrek aan tederheid. In het Tsjechisch is het woord ‘něha’ inderdaad een simplex, bijna alsof het een universele macht zou zijn. Maar nu ik erover nadenk, vind ik het Nederlandse woord ‘tederheid’ eigenlijk veel leuker, omdat het bijna als een bijvoeglijk naamwoord klinkt. En nog preciezer zou het zijn om over tederheid te praten als over een werkwoord – tederheid is namelijk geen abstracte kracht die door de lucht zweeft. Tederheid manifesteert zich, is actief. En het gaat altijd om een band. Voor mijn gevoel gaat het om een band die volkomen onbaatzuchtig is, niet berekenend, volkomen puur. Vaak is het bovendien een uiting van gevoel van een sterker iemand tegen een zwakker of weerloos iemand, een ouder tegen zijn kind, een mens tegen een dier. Een klein kind dat geen tederheid leert kennen is voor het leven getekend.

Misschien hebben al die rare mensen aan het hoofd van wereldmachten en technologische corporatie ooit in hun leven iets wezenlijks gemist, misschien wel gewoon een liefdevolle acceptatie. En dat wanhopige tekort proberen ze nu als razenden op volstrekt waanzinnige manieren op te vullen. Door het voeren van oorlogen, het ontwikkelen van algoritmes, die als een automaat voor vieze mierzoete koffie de mensheid met kunstmatige instant-emoties overspoelen. Misschien misten ze in hun leven een dierbaar persoon. Iemand die voor hen zou hebben gedaan wat Helena voor haar jongere zusje doet. Iemand die met tederheid de wereld als een plek van hoop aan hen had doorgegeven – om vervolgens altijd een glimp van die hoop in de wereld op te vangen, als een fladderende Atalanta ergens in de buurt.

Met hartelijke groeten

Marek Šindelka

Over de auteurs