Beste Marek,
Wat verdrietig dat je vader zo jong uit je leven is verdwenen, wat een gemis dat jij en je broer jullie vader nooit goed hebben kunnen leren kennen. Net als jij denk ik dat er een afdruk van je vaders aanwezigheid in je moet zijn achtergebleven, misschien in de vorm van een geluid of beeld dat plotseling terugkeert, of als een verborgen lichtbron die niet te isoleren is, maar die sowieso onderdeel uitmaakt van wie je bent. Juist die eerste maanden, jaren van een kind, zijn zo vormend, dat het hebben van een vader, hoe kortstondig ook, eeuwen af staat van het niet hebben van een vader. Maar je blijft natuurlijk een leven lang zoeken.
Het zoeken naar ouders speelt in onze beide romans een belangrijke rol, en dat voelt, misschien meer nog dan de (machinale) systemen die we opvoeren, als een verwantschap. Na de verschijning van mijn debuut heb ik in een aantal gesprekken verteld dat ik eerder een familieroman dan een science fiction roman heb willen schrijven. Ja, het gaat over een robothondje, maar het is geen robotroman. Mijn Aigou wil de wereld niet vernietigen; hij wil alleen een vader of moeder vinden, of desnoods gewoon een knuffel van een toegewijd baasje.
Ik ben geen politiek schrijver, maar de dystopie dient zich niettemin aan. Er is genoeg aan de hand in de wereld om je te willen oprollen, luisterend naar droommuziek, net zo lang tot de wereld weer veilig genoeg is om je te kunnen ontvouwen en tot bloei te komen.
Ook in de brieven van Silke en Helena tref ik de onontkoombaarheid van het wereldnieuws: terroristische aanslagen, psychopathische leiders, gevoelens van onmacht. Steeds vaker lees ik slecht nieuws over AI: we weten van de enorme hoeveelheden water en energie die het kost, de horizon-en geluidsvervuiling die de datacenters veroorzaken, en dat voor een product waar niemand om gevraagd heeft, en dat onze cognitieve vermogens en onze maatschappelijke posities aantast.
Als klap op de vuurpijl tref ik het bericht dat antiquarische boeken door AI-bedrijf Anthropic met honderdduizenden tegelijk opgekocht, ontbonden, gescand en dan vernietigd worden, in een proces dat ‘destructive scanning’ heet, en dat vervult me met grote weerzin.
Ik ben niet bang voor de intenties van de robots, die misschien inderdaad welwillender zijn dan we denken. Ik ben graag optimistisch en vind het een mooie gedachte dat we ons de levende machine niet per se als een apocalyptische maar als een wijze machine zouden kunnen voorstellen. Zoals je schrijft, als een machine die, als ze écht leeft, ook beseft dat destructie van natuur en cultuur niet de bedoeling kan zijn, dat zij met het metaal en silicium in haar lijf ook deel uitmaakt van de natuur. Een machine die in staat is tot verwondering.
Waar ik wel bang voor ben, zijn de intenties van de nieuwe barbaren, de techbro’s uit Silicon Valley. Maar ik wil geen politiek pamflet schrijven. Liever wil ik schrijven over de verwondering en wijsheid van de levende machines die wij zijn. Liever wil ik iets zeggen over tederheid. Want is er iets mooiers dan dat? Tederheid is liefde zonder agressie, manipulatie en macht. We hebben meer tederheid nodig.
Ik herinner mij de tederheid waarmee mijn vader Lucky in zijn ziekenhuisbed met twee handen mijn hand pakte. Ik denk aan de tederheid van Bohumil Fischers handen die Les Trois Mains van Jean-Philippe Rameau spelen voor zijn dochter Ada Fischerová. De tederheid waar mijn Aigou naar verlangt.
Misschien ligt in deze tijd de verbeelding van het kwaad meer voor de hand dan de verbeelding van de tederheid en de schoonheid, de dystopie meer dan de utopie. Toch moeten we als schrijvers onze lezers niet (alleen) waarschuwen, maar (ook) troost bieden.
Die troost is te vinden in de taal. Die vond ik in de details, vergelijkingen en metaforen in je roman. In de zinnen bijvoorbeeld die het muggenpootachtige element in Ada’s platenspeler beschrijven, de platenspeler die de bezielde stilte van haar musicerende vader tevoorschijn moet halen, “de betoverde wereld van het platenspeler-element, als een kasteel uitgesneden in een kersenpitje”. De betoverde wereld van de roman.
Ik heb natuurlijk een andere roman gelezen dan de roman die jij geschreven hebt. Dat is in zeker zin altijd zo, maar in dit geval zeker, omdat ik geen Tsjechisch lees en dus de Nederlandse vertaling van Edgar de Bruin heb gelezen (die uitstekend is).
Eén van de verschillen tussen het Nederlands en het Tsjechisch is dat het Nederlands niet zo’n uitgebreid systeem voor verbuigingen van zelfstandig naamwoorden kent. Ook is het Nederlandse woord ‘tederheid’ (něha), met behulp van het achtervoegsel ‘-heid’, afgeleid van het adjectief ‘teder’, en dus niet een simplex woord zoals zijn Tsjechische equivalent dat is. Ik vraag me af of ‘něha’ daarmee een ander, elementairder, concept vertegenwoordigt dan ‘tederheid’. Of dat zo’n suffix, als een extra schroefje in de constructie, volstaat om in het Nederlands tot exact hetzelfde woord, met exact dezelfde betekenis te komen.
Hoe is het voor jou om in je eigen vertaalde romans te bladeren? Je krijgt straks een boek in handen dat je geschreven hebt, in een taal die je misschien zelf niet kunt lezen. Als we elkaar ontmoeten, dan zou ik je een passage kunnen voorlezen uit ‘Systemen van tederheid’. Over vader en kind. Dan kun je horen hoe mooi dat ook in het Nederlands klinkt.
Hartelijke groet,
Sarah