Aardige vrouwen: een fragment uit de nieuwe roman van Megan van Kessel

Deze week verschijnt Aardige vrouwen, een genadeloze ontleding van een jarenlange vriendschap in al haar gedaantes: grappig en wraakzuchtig, obsessief en gevoelig, vol levendige dialogen en aardig bedoelde dingen. Hoofdpersonage Cindy wil maar één ding: een hartsvriendin. Dan komt Dolores in haar klas: blond, zelfverzekerd en ze woont in het voormalige kasteel van Napoleon. Cindy verwacht dat ze vrienden zullen worden en heeft van alles uitgedacht. Haar pogingen stuiten aanvankelijk op een muur van afkeer, maar uiteindelijk lijkt het te lukken. Wat een innige vriendschap had moeten worden, blijkt een kwelling die meer dan twintig jaar duurt. Lees hier een exclusief fragment.

Megan van Kessel

18-08-26

12 min

ILFU Members kunnen het festival terugkijken op onze streamingdienst ILFU+

bekijk de video's

Aardige vrouwen

Ze leek helemaal niet op Pamela Anderson. Aan haar moeders hand liep Dolores het schoolplein op. ‘Daar is ze,’ fluisterden degenen die haar al kenden.

Een paar dagen eerder, tijdens de lunch, bouillon met vermicelli, hadden ze me ingelicht.

‘Ze is super Hollands. Met dikke tieten en blond haar. Ze woont hier in het dorp, in het kasteel waar Napoleon heeft gewoond. Haar vader is een uitvinder, haar moeder een zangeres. Ze hebben vijftig kamers en paarden, kippen, geiten, ganzen en Japanse koeien die met bier worden gemasseerd. Personeel. Een tuinman, poetsvrouw, chef, noem maar op. Ze zijn miljonair. Madonna is er een keer geweest, om zo’n koe te eten.’

Ik vroeg hoe ze dat allemaal wisten.

Ze zeiden: iedereen kent haar.

De geknotte wilgen stonden in het veld als stompen. Het rook naar mest. Dolores droeg een wollen vest als jas. Haar wangen waren rood, geen ziekelijk rood – eerder gezond, alsof ze elke ochtend een glas melk dronk. Ze had nog niet besloten of ze hier wilde zijn. Ik gluurde naar haar neus. Enorm, maar niet lelijk. Ze leek zich in een wereld te bevinden die haar voortdurend beledigde. Best mogelijk dat ze teleurgesteld was in alles. Toen keek ze naar me. Ik glimlachte. Ze draaide zich om en liep met haar moeder naar binnen.

De eerste bel ging. We moesten in alfabetische volgorde achter elkaar gaan staan. Zes jaar lang liep ik achteraan omdat ik op mijn tussenvoegsel werd gerangschikt. De tweede bel ging. De rij kwam traag op gang. Het had alweer zo’n maandag kunnen zijn, en toen stapte ik uit de rij.

Mijn moeder waarschuwde me voor vrouwenvertrouwerij, daar komt ellende van, maar zij had zich laten kwetsen en was gesloten. Ik stond nog open.

In de gangen hing de geur van een lege maag. Vluchtig bekeek ik mezelf in de glazen klapdeur. Ik was veertienenhalf. Puistjes verstopte ik onder een foundation van L’Oréal, op mijn mond smeerde ik elk kwartier lipgloss, het ene oog was groter dan het andere, daar was niks aan te doen. De regels van school kende ik uit mijn hoofd: geen piercings, geen haarverf, geen blote schouders, geen korte rokken of broeken, geen open schoenen. Met twee woorden spreken. Bij snoep schorsing, bij roken verwijdering. Ik had Vlaams geleerd. Wenen is huilen. Een dikke nek arrogant. Een chauffage een verwarming. Refter is kantine. Sjieklitte een kauwgom. Botten zijn laarzen en botjes zijn botten. Verloren brood is een wentelteefje. En als het over de oorlog ging dan ging het over de eerste. Ik hield me in toen de docent Nederlands me uitlegde dat het niet orthodontist is maar northondont.

Door het raam keek je uit over de sportvelden waar tijdens de pauze rondjes werd gelopen, als gevangenen op een binnenplaats.

De leraren knikten vriendelijk en roken naar koffie en dagcrème. Ik vond haar met haar moeder op het bankje naast de directeurskamer. Er hing een geladen sfeer om hen heen. Ze keken me aan; twee vogels met een hoop veren om een dun skelet.

Ze zaten rechtop met hun handen in hun schoot. Ik ging erheen. Van dichtbij zag ik dat haar nagels een witte rand hadden, French manicure. Ze droeg een maillot zonder gaten. Haar moeder had één muiltje uitgedaan en haar pantyvoet bewoog kinderlijk heen en weer. Ze straalde. Ik had nog nooit zo’n mooie vrouw gezien. De mensen in het dorp droegen fleece en hadden hun autostoel zo ver naar voren staan dat ze met hun kin op het stuur rondreden. Cécile had eyeliner op haar oogleden, de onderkant van haar haar was naar buiten geföhnd en ik dacht: dit is nou wat ze met glamour bedoelen.

‘Welkom,’ zei ik.

Dolores keek naar haar knieën.

‘Zit jij hier op school, lieverd?’ zei Cécile.

‘Ja.’

‘Wat leuk. Dolores zat voorheen op een middelbare school in Maastricht. Dat wilde ze per se. Maar daar is het allemaal anders. Nu eens is de school zo laat uit en dan weer zo laat. Op een gegeven moment was ik haar taxichauffeur. Begrijp je?’

‘Ja, dat begrijp ik,’ zei ik terwijl ik haar aankeek.

Ik stak mijn hand uit. ‘Cindy ten Blik.’

‘Dolores Lambrechts.’

‘Weet je in welke klas je komt?’

‘A.’

‘Dat is bij mij.’

‘O.’

‘Zal ik je de weg wijzen?’

‘Hoeft niet. Ik ken de weg al.’

De directeur stapte zijn kantoor uit en wreef over zijn baard. ‘Amai, jullie hebben elkaar gevonden,’ zei hij. ‘Dat kan ofwel heel goed gaan. Of helemaal niet.’

Ik wist genoeg. Zij zou mijn vriendin worden. Misschien wel mijn beste. Nu denk ik, was ik maar in de rij blijven staan.

* * *

Ik begon bij te houden hoe ze niet naar mij keek. Wanneer ze voor de klas stond bijvoorbeeld of tijdens het middageten, als ze haar mandarijn alleen met Lily en Jeanne deelde. Ze snapt niet dat ik ongevaarlijk ben, dacht ik. Ze kijkt op me neer. Of ze probeert zichzelf interessant te houden. Het kon van alles zijn. Het werkte.

‘Mooie laarzen,’ zei ik na een week. ‘Ze zien er warm uit.’

Ze trok haar wenkbrauw op. ‘Dank.’

En terwijl ik naar het biologielokaal liep, had ik het gevoel dat ik voor de rest van de dag mijn tekst kwijt was.

Sinds Dolores er was, telde ik de dagen tot mijn diploma niet meer. Ik stond makkelijker op en had, als ik de hond uitliet, iets om over na te denken. Met haar ogen keek ik mijn kamer rond en verschoof de meubels. Met haar ogen keek ik naar de kleren in mijn kast en trok iets aan. Ik had weleens gefantaseerd over een vriend in de buurt. Ik zou naar diegene toe fietsen en die zou zeggen: ach, daar ben je eindelijk. Van de driehonderd leerlingen was ik bevriend met twee. Lily woonde ver weg en was te aardig. Jeanne was oprecht en slim, maar buiten school mocht ze niets van haar vader. Met de rest wist ik geen weg. Daarbuiten was ik alleen. Ik kon goed alleen zijn. Voorlopig.

De biologiedocente zette een streep onder het woord zuurstof. Ik dacht aan wat Lily had gezegd, dat het tussen Dolores en mij niet klikte omdat de rest negatief over mij had gesproken.

‘Welke rest?’

‘De meisjes.’

‘Wat zeggen ze?’

Ze had twee monden van haar handen gemaakt, eentje moest ik voorstellen.

‘IJdeltuit, sletje, niet te vertrouwen.’

Om haar aandacht te krijgen, zou ik worden wie zij voor mij in gedachten had, en dan zou ik haar behoeftes gaandeweg wel uitvinden.

Door het raam zag ik de herten grazen in een kleine omheining naast de school. Met gesloten ogen dwaalden mijn gedachten verder af richting het kasteel, torens en zwembaden.

‘Niet in slaap vallen, Cindy.’

‘Ik ben er.’ Geschrokken keek ik naar Dolores, die bewust niet mijn kant uit keek.

De muren van de gangen waren mintgroen geschilderd en als de zon scheen kleurden we allemaal een beetje mee. Het schoolgebouw was eind jaren zestig gebouwd. Sindsdien was er niets meer aan gedaan.

Tijdens de rondleiding twee jaar eerder hadden we door die groene gangen gelopen terwijl mijn stiefvader bij alles besloot dat het ‘netjes’ was.

De muziekleraar wachtte in het prefablokaal, ver van het hoofdgebouw. Hij zat daar al jaren. In zijn les mochten we zelf kiezen waar we gingen zitten. Ik koos de tweede rij, legde mijn jas op de stoel naast me en keek gespannen naar de deur.

‘Is die vrij?’ Nicola wilde al gaan zitten.

‘Nee.’

Dolores stond in de deuropening. Ze droeg een strak shirt met strepen. Haar borstkas was plat. Ze had het lichaam van het jongetje van de marseillezeep. Ik vond haar mooi, vooral haar haar. Ze keek het lokaal rond en hield de boel op. De leraar klapte slapjes in zijn handen.

‘Kom hier zitten!’

Er ontstond een kleine frons van concentratie, daarna liep ze naar voren en ging op de eerste rij zitten.

‘Goed,’ zei de leraar, ‘we beginnen met “Yesterday”.’

Ik draaide de dop van mijn lipgloss en bracht nog een laag aan.

* * *

Op maandag loog ik dat ik ongesteld was. Het water was ijskoud en na de zwemles kreeg ik het niet meer warm. De dagen werden korter, de bomen kaler en er had een dun laagje ijs op het gras gelegen. Ze was er nog niet.

Ik zat onder de spiegel de gesprekken in de kleedhokjes af te luisteren. De meisjes kleedden zich om in aparte hokjes. De jongens in een gemeenschappelijke kleedruimte.

‘Hebt gij uw maandstonden?’

‘Ah nee, mijn moeder heeft weer mijn badkostuum ingepakt, ik wilde mijn nieuwe bikini laten zien.’

‘Hebt gij u geschoren?’

‘Ge moet waterproof dragen.’

‘Ge moet uw hoofd boven water houden.’

‘Ge moet uw sommen oefenen tijdens het zwemmen.’

‘Ge moet morgen met mij mee naar huis om mijn nieuwe pony te zien.’

Na de zomer was Lily in een andere klas geplaatst en bleef ik over met Leentje, Tiene, Hanne, Marije. Ik zei weinig. Als ik voor de klas moest praten riepen ze dat ze me niet konden verstaan. ‘Praat gelijk ons!’ Met een stijltang hielden ze hun haren plat. Ik had mijn haar in een knoop of in een vlecht, en droeg een lange jas en de afgedankte cowboylaarzen van mijn zus. Zij droegen bolero’s, diamantenriemen. Strakke spijkerbroeken in flaplaarzen, glitters. Ze zagen eruit als hun moeder. Fluisterend in kringetjes. Eén keer ving ik iets over mij op. Ze heeft een dikke nek. Ze moet zich normaal kleden. Er moest veel van hen. Van de jongens niet, zij waren oké. Dom ook. Sinds kort keken ze niet meer in mijn ogen. Schaamteloos keken ze naar de plek waar mijn borsten moesten komen.

‘Waarom zijt gij nie omgekleed?!’

De zwemleraar verscheen in de deuropening. Dolores stond met één opgetrokken wenkbrauw achter hem. Er zat een huidkleurige kraag rond haar nek, zo’n schuimrubberen band die haar houding iets stoïcijns gaf. Die dag gebeurde het. Ze kwam naast me zitten.

‘Alé, wat is dit nu allemaal?’ De leraar, een Italiaan met een snor, wees met zijn klembord naar haar kraag.

‘Nek verrekt,’ zei ze.

Hij draaide zich weer naar mij toe. ‘En gij?’

Voordat ik kon antwoorden zwaaiden de kleedhokjes open. De meisjes kwamen naar buiten. Ze hielden de armen kruiselings voor hun lichaam. Ze keken naar Dolores, die onverstoorbaar terugkeek.

‘Ik ben ongesteld,’ zei ik zacht.

‘Onnnn-gusteld,’ imiteerde Leen meteen. Als ik ‘regels’ of ‘maandstonden’ had gezegd, had ik het mezelf makkelijker gemaakt. Dolores kuchte. Ik voelde mijn wangen warm worden. De jongens mepten elkaar met hun handdoekpunten en ik rolde alvast mijn broekspijpen omhoog.

Dolores en ik zaten op het bankje naast het zwembad te kijken naar de leerlingen die twee rijen vormden. Ze doken en kwamen na een paar slagen naar adem happend boven. Ongeveer de helft van de leerlingen kende Dolores van de basisschool, de rest was nieuw voor haar. Het was moeilijk te bepalen wie zich op wiens terrein bevond.

‘Het water is te koud,’ zei ze meer tegen zichzelf. Zij zei niet waoter, zij zei wateur.

‘Echt tien graden.’

‘Wanneer ben jij ongesteld geworden?’ vroeg ze. Ik kon nauwelijks geloven dat ze zoiets aan mij vroeg, en dan ook nog alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

‘Ik ben niet echt ongesteld nu.’

‘Ik bedoel: hoe oud was je toen je het werd?’

‘Ik ben het überhaupt niet.’

‘Echt? Ik ook niet. Ik lieg daar niet over, straks brengt het ongeluk. Stel je voor dat je dan geen kinderen kunt krijgen?’ Ze legde haar hand op de kraag.

‘Wil je die?’

‘Niets liever.’

Ik vond haar kijk op de dingen bijzonder wijs, hoewel ik haar verlangen niet per se deelde. Ricky maakte een bommetje voor onze voeten. We schonken er geen aandacht aan.

‘Waarom praat je vandaag wel tegen me?’ vroeg ik.

‘Jij kijkt altijd zo kwaad.’

‘Kwaad? Echt? Misschien is dat mijn basisblik.’

‘Dan moet je daar iets aan doen. Bovendien trap ik niet in die hele je-ne-sais- quoihouding.’ Met haar wijsvinger schilderde ze een m in de lucht.

‘Ik hoorde dat je in een kasteel woont.’

‘Klopt.’

Ze vertelde dat haar vader rijk was geworden met een uitvinding. Hij had een echoscopieapparaat voor koeien bedacht en ontdekt dat het ook bij mensen werkte. Daarna had hij in een witte smoking door Brazilië gereisd om het apparaat aan artsen en boeren te verkopen. Ze vroeg naar mijn vader. En ik besloot voor het makkelijke antwoord te gaan, om mijn echte vader buiten beeld te houden. Ik vertelde dat mijn stiefvader twee keer zes maanden naar Bosnië was uitgezonden en hij nu op kantoor werkte, bijna nooit thuis was en zich graag bezighield met zijn vissen.

‘Oké. Heeft hij mensen doodgemaakt?’

‘Dat weet ik niet.’ Ik liet even een pauze vallen waarmee ik wilde laten merken dat ik dat allemaal geen punt vond.

‘Weet je wat ik doe als ik boos op hem ben?’ vroeg ik.

‘Uitschelden?’

‘Nee, dat heb ik nog nooit gedaan. Nadat hij zijn aquarium heeft schoongemaakt, plaatst hij zijn algenmagneet onder in het hoekje van zijn aquarium.’

‘Dus?’

‘Dan leg ik grind tussen de twee magneten. Als hij het glas van zijn aquarium gaat schoonmaken dan komen er krassen in het glas.’

Ze keek me een paar seconden aan. Mijn manier van wraak nemen voelde plots erg omslachtig, gelukkig moest ze lachen. En ze vergat helemaal dat ze haar nek had verrekt.

‘Wanneer ben jij jarig?’ vroeg ik maar. We moeten blijven praten, dacht ik.

‘Juli, ik ben een Kreeft. En jij?’

‘10 december word ik vijftien.’

‘Ah, je bent een Boogschutter. Dat verklaart het.’

Ze keek bedenkelijk. De kinderen zwommen de rugslag, een van hen kruiste diagonaal het zwembad en ging recht op de rand af. De zwemleraar was net bezig met drijfplankjes te schikken.

‘Verklaart wat?’

‘Veel van mijn vriendinnen zijn Boogschutter, maar niet zo zuiver als jij. De meeste zijn meer november-Boogschutters.’

Ik had het gevoel dat ze iets over me had ontdekt wat ik liever niet had willen delen.

Bedroefd staarde ze naar het zwembad.

‘De Boogschutter is avontuurlijk en natuurlijk optimistisch,’ zei ze.

‘Ik ben niet per se optimistisch, hoor.’

‘En Kreeft is water, wij zijn emotioneel en zorgzaam. Wij tweeën zien het leven compleet verschillend.’

‘Hoe weet je dat allemaal?’ vroeg ik.

‘Ik heb een boek van de bieb gestolen en daar staat dat in. Het zit in mijn tas.’ Ze pakte het boek erbij. Op de kaft stond een tekening van een lachende zon, erboven de titel: het kompas • Liefde • Karakter • Relatie. Ze las voor: ‘Boogschutters houden van vrijheid en nieuwe ervaringen. Blablabla…’ Ze bladerde door naar achteren en zei dat ze benieuwd was wat mijn ascendant zou zijn.

‘Wat is dat?’

‘Hoe je overkomt naar de buitenwereld. Kijk, je zonneteken zegt iets over wie je vanbinnen bent. Je ascendant laat zien hoe je bent voor anderen.’

‘Dat klinkt als de twee kanten van jezelf.’

‘Boogschutter met Kreeft vriendschap.’ Ze leek opgelucht met deze handleiding, om iets te hebben waarop ze kon terugvallen. ‘De december-Boogschutters kunnen ongeduldig of ongebonden zijn. Een Kreeft is meer thuisgericht, heeft diepe emoties en is zorgzaam.’ Vluchtig keek ze op. ‘Maar kan soms ook wat gesloten zijn. In een vriendschap kan de Boogschutter de Kreeft uitdagen om meer uit de comfortzone te stappen en wat avontuurlijker te zijn.’

Ik vond mezelf niet verkeerd klinken.

‘Aan de andere kant kan de Kreeft de Boogschutter emotioneel ondersteunen.’ Ze vertraagde. ‘En hem helpen dieper in zijn gevoelens te duiken.’ Ze pauzeerde en leek niet helemaal tevreden met hetgeen wat ze las. ‘Dat is wel een risico,’ fluisterde ze.

‘Wat?’

‘Maar,’ ging ze verder, ‘als ze elkaars verschillen respecteren, kunnen ze een balans vinden en van elkaar leren!’ Ze klapte het boek dicht.

Wie waren die andere Boogschuttervriendinnen? Zelf had ik niemand achter de hand. Alleen Jeanne en Lily, die ook haar vriendinnen waren. Bovendien woonde Jeanne in het eerstvolgende huis naast Dolores en waren hun moeders bevriend. Vlug probeerde ik te bedenken of ik iemand kon opnoemen, zoals zij dat eerder deed.

‘Grappig,’ zei ik. ‘Al mijn vrienden zijn ook Kreeft. Wat is jouw lievelingsseizoen?’ Ik kon zo gauw geen betere vraag bedenken.

‘Lente. Wilde zomer zeggen, alleen ik hou niet van muggen.’

‘Ik ook niet,’ zei ik tevreden.

De zwemles liep ten einde, we hadden dik een halfuur gepraat.

‘Weet je wat ook echt een vreselijk insect is?’ zei ik. ‘Een sluipwesp. Zij legt eitjes ín een rups en haar larven eten die rups dan van binnenuit op.’

‘Hm… Toch vind ik de mug erger.’ Ze streek haar blouse glad en dacht na. ‘Of een teek. Als die zich aan je hecht dan word je ziek.’

Ze stopte het boek terug in haar tas. En ik zei maar niks over de zomer. Dat het mijn lievelingsseizoen was, leek me nu een gevaarlijk detail. Volgens Het Kompas zou onafhankelijkheid onze vriendschap tegenwerken.

Toen we onze jassen aandeden keek ze kritisch naar mijn jas.

‘Je moet daar een broche opspelden. En…’

‘Wat?’

‘Je moet geen witte broek dragen in de winter. Witte broeken zijn voor de zomer. Donkere broeken zijn voor de winter.’ Ze keek opgelucht, alsof ze dit al een tijdje wilde zeggen.

Dezelfde week zat er voor het eerst bloed in mijn onderbroek. Ik vertelde het maar niet. Het leek me beter Dolores niet af te pakken wat zij misschien als onze overeenkomst beschouwde: dat we allebei nog moesten wachten. Misschien voelde ik toen al aan dat je ook iets kunt verliezen wanneer je iets deelt.

'Aardige vrouwen' is nu verkrijgbaar

‘Over één ding kunnen we het wel eens zijn,’ zei Dolores. ‘En dat is dat ik niet de slechte vriendin ben en jij niet de goede vriendin, oké?’ Cindy wil maar één ding: een hartsvriendin. Dan ziet ze Dolores. Zij wordt het. Maar wat begint als een intense vriendschap, groeit langzaam uit tot een kwelling die jaren zal duren. Aardige vrouwen is een messcherp portret van een vriendschap in al haar gedaantes: grappig en wraakzuchtig, obsessief en gevoelig. Een roman vol levendige dialogen, genadeloze observaties en aardig bedoelde dingen.

Meer informatie