Op maandag loog ik dat ik ongesteld was. Het water was ijskoud en na de zwemles kreeg ik het niet meer warm. De dagen werden korter, de bomen kaler en er had een dun laagje ijs op het gras gelegen. Ze was er nog niet.
Ik zat onder de spiegel de gesprekken in de kleedhokjes af te luisteren. De meisjes kleedden zich om in aparte hokjes. De jongens in een gemeenschappelijke kleedruimte.
‘Hebt gij uw maandstonden?’
‘Ah nee, mijn moeder heeft weer mijn badkostuum ingepakt, ik wilde mijn nieuwe bikini laten zien.’
‘Hebt gij u geschoren?’
‘Ge moet waterproof dragen.’
‘Ge moet uw hoofd boven water houden.’
‘Ge moet uw sommen oefenen tijdens het zwemmen.’
‘Ge moet morgen met mij mee naar huis om mijn nieuwe pony te zien.’
Na de zomer was Lily in een andere klas geplaatst en bleef ik over met Leentje, Tiene, Hanne, Marije. Ik zei weinig. Als ik voor de klas moest praten riepen ze dat ze me niet konden verstaan. ‘Praat gelijk ons!’ Met een stijltang hielden ze hun haren plat. Ik had mijn haar in een knoop of in een vlecht, en droeg een lange jas en de afgedankte cowboylaarzen van mijn zus. Zij droegen bolero’s, diamantenriemen. Strakke spijkerbroeken in flaplaarzen, glitters. Ze zagen eruit als hun moeder. Fluisterend in kringetjes. Eén keer ving ik iets over mij op. Ze heeft een dikke nek. Ze moet zich normaal kleden. Er moest veel van hen. Van de jongens niet, zij waren oké. Dom ook. Sinds kort keken ze niet meer in mijn ogen. Schaamteloos keken ze naar de plek waar mijn borsten moesten komen.
‘Waarom zijt gij nie omgekleed?!’
De zwemleraar verscheen in de deuropening. Dolores stond met één opgetrokken wenkbrauw achter hem. Er zat een huidkleurige kraag rond haar nek, zo’n schuimrubberen band die haar houding iets stoïcijns gaf. Die dag gebeurde het. Ze kwam naast me zitten.
‘Alé, wat is dit nu allemaal?’ De leraar, een Italiaan met een snor, wees met zijn klembord naar haar kraag.
‘Nek verrekt,’ zei ze.
Hij draaide zich weer naar mij toe. ‘En gij?’
Voordat ik kon antwoorden zwaaiden de kleedhokjes open. De meisjes kwamen naar buiten. Ze hielden de armen kruiselings voor hun lichaam. Ze keken naar Dolores, die onverstoorbaar terugkeek.
‘Ik ben ongesteld,’ zei ik zacht.
‘Onnnn-gusteld,’ imiteerde Leen meteen. Als ik ‘regels’ of ‘maandstonden’ had gezegd, had ik het mezelf makkelijker gemaakt. Dolores kuchte. Ik voelde mijn wangen warm worden. De jongens mepten elkaar met hun handdoekpunten en ik rolde alvast mijn broekspijpen omhoog.
Dolores en ik zaten op het bankje naast het zwembad te kijken naar de leerlingen die twee rijen vormden. Ze doken en kwamen na een paar slagen naar adem happend boven. Ongeveer de helft van de leerlingen kende Dolores van de basisschool, de rest was nieuw voor haar. Het was moeilijk te bepalen wie zich op wiens terrein bevond.
‘Het water is te koud,’ zei ze meer tegen zichzelf. Zij zei niet waoter, zij zei wateur.
‘Echt tien graden.’
‘Wanneer ben jij ongesteld geworden?’ vroeg ze. Ik kon nauwelijks geloven dat ze zoiets aan mij vroeg, en dan ook nog alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
‘Ik ben niet echt ongesteld nu.’
‘Ik bedoel: hoe oud was je toen je het werd?’
‘Ik ben het überhaupt niet.’
‘Echt? Ik ook niet. Ik lieg daar niet over, straks brengt het ongeluk. Stel je voor dat je dan geen kinderen kunt krijgen?’ Ze legde haar hand op de kraag.
‘Wil je die?’
‘Niets liever.’
Ik vond haar kijk op de dingen bijzonder wijs, hoewel ik haar verlangen niet per se deelde. Ricky maakte een bommetje voor onze voeten. We schonken er geen aandacht aan.
‘Waarom praat je vandaag wel tegen me?’ vroeg ik.
‘Jij kijkt altijd zo kwaad.’
‘Kwaad? Echt? Misschien is dat mijn basisblik.’
‘Dan moet je daar iets aan doen. Bovendien trap ik niet in die hele je-ne-sais- quoihouding.’ Met haar wijsvinger schilderde ze een m in de lucht.
‘Ik hoorde dat je in een kasteel woont.’
‘Klopt.’
Ze vertelde dat haar vader rijk was geworden met een uitvinding. Hij had een echoscopieapparaat voor koeien bedacht en ontdekt dat het ook bij mensen werkte. Daarna had hij in een witte smoking door Brazilië gereisd om het apparaat aan artsen en boeren te verkopen. Ze vroeg naar mijn vader. En ik besloot voor het makkelijke antwoord te gaan, om mijn echte vader buiten beeld te houden. Ik vertelde dat mijn stiefvader twee keer zes maanden naar Bosnië was uitgezonden en hij nu op kantoor werkte, bijna nooit thuis was en zich graag bezighield met zijn vissen.
‘Oké. Heeft hij mensen doodgemaakt?’
‘Dat weet ik niet.’ Ik liet even een pauze vallen waarmee ik wilde laten merken dat ik dat allemaal geen punt vond.
‘Weet je wat ik doe als ik boos op hem ben?’ vroeg ik.
‘Uitschelden?’
‘Nee, dat heb ik nog nooit gedaan. Nadat hij zijn aquarium heeft schoongemaakt, plaatst hij zijn algenmagneet onder in het hoekje van zijn aquarium.’
‘Dus?’
‘Dan leg ik grind tussen de twee magneten. Als hij het glas van zijn aquarium gaat schoonmaken dan komen er krassen in het glas.’
Ze keek me een paar seconden aan. Mijn manier van wraak nemen voelde plots erg omslachtig, gelukkig moest ze lachen. En ze vergat helemaal dat ze haar nek had verrekt.
‘Wanneer ben jij jarig?’ vroeg ik maar. We moeten blijven praten, dacht ik.
‘Juli, ik ben een Kreeft. En jij?’
‘10 december word ik vijftien.’
‘Ah, je bent een Boogschutter. Dat verklaart het.’
Ze keek bedenkelijk. De kinderen zwommen de rugslag, een van hen kruiste diagonaal het zwembad en ging recht op de rand af. De zwemleraar was net bezig met drijfplankjes te schikken.
‘Verklaart wat?’
‘Veel van mijn vriendinnen zijn Boogschutter, maar niet zo zuiver als jij. De meeste zijn meer november-Boogschutters.’
Ik had het gevoel dat ze iets over me had ontdekt wat ik liever niet had willen delen.
Bedroefd staarde ze naar het zwembad.
‘De Boogschutter is avontuurlijk en natuurlijk optimistisch,’ zei ze.
‘Ik ben niet per se optimistisch, hoor.’
‘En Kreeft is water, wij zijn emotioneel en zorgzaam. Wij tweeën zien het leven compleet verschillend.’
‘Hoe weet je dat allemaal?’ vroeg ik.
‘Ik heb een boek van de bieb gestolen en daar staat dat in. Het zit in mijn tas.’ Ze pakte het boek erbij. Op de kaft stond een tekening van een lachende zon, erboven de titel: het kompas • Liefde • Karakter • Relatie. Ze las voor: ‘Boogschutters houden van vrijheid en nieuwe ervaringen. Blablabla…’ Ze bladerde door naar achteren en zei dat ze benieuwd was wat mijn ascendant zou zijn.
‘Wat is dat?’
‘Hoe je overkomt naar de buitenwereld. Kijk, je zonneteken zegt iets over wie je vanbinnen bent. Je ascendant laat zien hoe je bent voor anderen.’
‘Dat klinkt als de twee kanten van jezelf.’
‘Boogschutter met Kreeft vriendschap.’ Ze leek opgelucht met deze handleiding, om iets te hebben waarop ze kon terugvallen. ‘De december-Boogschutters kunnen ongeduldig of ongebonden zijn. Een Kreeft is meer thuisgericht, heeft diepe emoties en is zorgzaam.’ Vluchtig keek ze op. ‘Maar kan soms ook wat gesloten zijn. In een vriendschap kan de Boogschutter de Kreeft uitdagen om meer uit de comfortzone te stappen en wat avontuurlijker te zijn.’
Ik vond mezelf niet verkeerd klinken.
‘Aan de andere kant kan de Kreeft de Boogschutter emotioneel ondersteunen.’ Ze vertraagde. ‘En hem helpen dieper in zijn gevoelens te duiken.’ Ze pauzeerde en leek niet helemaal tevreden met hetgeen wat ze las. ‘Dat is wel een risico,’ fluisterde ze.
‘Wat?’
‘Maar,’ ging ze verder, ‘als ze elkaars verschillen respecteren, kunnen ze een balans vinden en van elkaar leren!’ Ze klapte het boek dicht.
Wie waren die andere Boogschuttervriendinnen? Zelf had ik niemand achter de hand. Alleen Jeanne en Lily, die ook haar vriendinnen waren. Bovendien woonde Jeanne in het eerstvolgende huis naast Dolores en waren hun moeders bevriend. Vlug probeerde ik te bedenken of ik iemand kon opnoemen, zoals zij dat eerder deed.
‘Grappig,’ zei ik. ‘Al mijn vrienden zijn ook Kreeft. Wat is jouw lievelingsseizoen?’ Ik kon zo gauw geen betere vraag bedenken.
‘Lente. Wilde zomer zeggen, alleen ik hou niet van muggen.’
‘Ik ook niet,’ zei ik tevreden.
De zwemles liep ten einde, we hadden dik een halfuur gepraat.
‘Weet je wat ook echt een vreselijk insect is?’ zei ik. ‘Een sluipwesp. Zij legt eitjes ín een rups en haar larven eten die rups dan van binnenuit op.’
‘Hm… Toch vind ik de mug erger.’ Ze streek haar blouse glad en dacht na. ‘Of een teek. Als die zich aan je hecht dan word je ziek.’
Ze stopte het boek terug in haar tas. En ik zei maar niks over de zomer. Dat het mijn lievelingsseizoen was, leek me nu een gevaarlijk detail. Volgens Het Kompas zou onafhankelijkheid onze vriendschap tegenwerken.
Toen we onze jassen aandeden keek ze kritisch naar mijn jas.
‘Je moet daar een broche opspelden. En…’
‘Wat?’
‘Je moet geen witte broek dragen in de winter. Witte broeken zijn voor de zomer. Donkere broeken zijn voor de winter.’ Ze keek opgelucht, alsof ze dit al een tijdje wilde zeggen.
Dezelfde week zat er voor het eerst bloed in mijn onderbroek. Ik vertelde het maar niet. Het leek me beter Dolores niet af te pakken wat zij misschien als onze overeenkomst beschouwde: dat we allebei nog moesten wachten. Misschien voelde ik toen al aan dat je ook iets kunt verliezen wanneer je iets deelt.