Net een nieuwe geliefde en toen kwam Corona. Een verhaal van Annet Schaap

Als corona uitbreekt staan zij en haar kersverse geliefde voor de keuze: samen een huishouden vormen of elkaar een tijdje niet zien? Ze kiezen voor het laatste: hij pakt zijn koffers en vertrekt. Als dagen later het appcontact ophoudt en er een telefoontje komt van een vreemde vrouw vraagt ze zich af of ze de juiste beslissing heeft gemaakt. Lees het verhaal 'Adem' van Annet Schaap.

Annet Schaap

in Geschiedenis
Fictie Corona

Support ILFU en word lid voor €4,50 per maand

Maak een account

Adem


Mensen lachen ergens in een tuin, de hele middag al. 

Ze stelt zich voor dat ze aan zo’n tafel zitten, als op zo’n foto uit de Allerhande: allerlei kleuren mensen en schotels vol eten, glanzend en vers, met overal olijven en slablaadjes. Natuurlijk is zo’n foto in scène gezet, dat weet ze ook wel. Lachen! zegt de fotograaf. Vrolijker, spontaner! Nog een keer, haha, en het eten is lijm en plastic. En toch wordt ergens in haar een kind wakker, dat aan de rand van de speelplaats staat en ook mee wil doen. 

Terwijl, ze kent die hele mensen niet. Ze weet niet eens in welke tuin ze zitten, er staan te veel bomen voor. 

Ze houden ook vast niet genoeg afstand, denkt ze. Al kan ze dat nooit bewijzen. Ze kan de politie wel bellen, maar wat zegt ze dan? Daar ergens in een tuin, gaat u maar eens kijken. Maar, als ze dat al doen, schuiven die mensen natuurlijk gauw hun stoelen uit elkaar, dat weet ze nu al. En zo’n telefoontje is vast wel terug te traceren. Daar, dat mens aan de overkant natuurlijk weer. Dat chagrijnige wijf. 

En dat is zij dan.

Dat kan ze er niet bij hebben, ze is al zo gestrest. 

Tuindeuren dicht dan maar, al hoort ze het zo nog steeds. 

Let er toch niet op, zou hij zeggen. Let gewoon op jezelf. Gewoon rustig ademhalen, liefje. In, uit.

Dan werd ze altijd boos op hem. Hoezo rustig? Maak jij dat uit?

Maar het hielp altijd toch, alsof zijzelf niet luisterde, maar haar adem wel. Dat heeft ze hem nooit gezegd. Ze gunde het hem gewoon niet dat hij gelijk had. 

Maar als ze het nu tegen zichzelf zegt, al hoort ze zijn stem er zo duidelijk bij alsof hij naast haar zit, helpt het niet. 

Wees nou maar rustig. In, uit. Ga nou niet weer online.

Maar waar moet ze anders heen?

Ze zeggen dat je er niets van ziet. Iedereen kan het bij zich hebben, al voor dat-ie er zelf iets van merkt. En kan het doorgeven aan een ander en die merkt het dan ook niet, totdat… Tot het te laat is. 

Het kan er al zijn, zij kan het al hebben, het kan hier in huis zijn. Ergens in de lucht. Aan dit kopje.

Welnee mens, je hebt alles toch gespoeld.

Ja, maar ik heb ook gelezen dat…

Lees dan ook niet alles. Relax. Lees een boek.

Zijzelf zit ook achter glas, de hele dag. Starend naar haar scherm, of naar de straat aan de voorkant. Naar de overbuurvrouw, ook achter een raam. Soms zwaaien ze een beetje droevig naar elkaar. Die heeft het tenminste ook niet leuk.

Ze hoeft niet eens te zoeken naar iets wat haar angst aanjaagt. Het komt vanzelf op het scherm: een deskundige zegt iets en onmiddellijk zegt een ander iets heel anders. Allemaal achter glas. Allemaal tegen haar, allemaal even stellig: Let op, doe niet, doe juist wel. 

Zijzelf zit ook achter glas, de hele dag. Starend naar haar scherm, of naar de straat aan de voorkant. Naar de overbuurvrouw, ook achter een raam. Soms zwaaien ze een beetje droevig naar elkaar. Die heeft het tenminste ook niet leuk. Niet zoals die asocialen aan de achterkant. Hoewel ze van de week het raam even opendeed en iets riep.

‘Kunt u ook niet wachten tot het voorbij is?’

‘Ja nou!’ Ze had gelachen en geknikt. ‘Was het maar vast zover!’

Ze gaat niet het achterste van haar tong laten zien aan een vreemde natuurlijk. Maar zij kan dat heel goed: wachten. Al gaat het nooit meer voorbij, mogen ze nooit meer op straat. Want dat wat echt voorbij is gaat niet voorbij, ook niet als ze weer op een terras mag zitten of zo.


Het is haar eigen schuld geweest, dat is het erge. Het was zo ontzettend snel gegaan, ze hadden in één keer moeten beslissen. 

‘Zeg jij het maar, liefje.’ Hij stond bij de deur, armen over elkaar, zo irritant rustig. ‘Zal ik een koffer gaan halen? Of niet?’

Terwijl alles in haar nog wild heen en weer woei van angst. Hoe moet het nou? Hoe erg is het? Hoe gaat het verder? Daar kon ze hem dan niet ook nog eens bij hebben, dacht ze. De hele tijd die man in haar huis, ze zou zich overal over gaan opwinden, zijn lawaai, zijn gesnaai, zijn gerook en waar moest hij dan slapen? Bij haar? Elke nacht?

En wat waren ze nou van elkaar, nog niet iets, nog niet echt.

‘Nee,’ zei ze meteen. ‘Jij in je eigen huis. Ik in het mijne.’

Hij had er ook niet zo heel veel tegenin gebracht. Of wel? Ze weet het niet meer, het ging echt zo snel. En ze zouden appen, toch? 

Dat deden ze ook, de eerste dagen.

Ach, die appjes. Die losse zinnetjes die ergens door de lucht buitelden en iedere keer iets anders leken te betekenen. Zegt hij dat nou echt? Wat bedoelt-ie daar nou weer mee?

Zijn vingers waren ook altijd veel te dik en te stroef voor die kleine toetsjes, de helft van wat hij schreef moest ze maar een beetje door de spellingscontrole heen raden.

Dus eerst vond ze het wel zo rustig dat het stopte. Daarna werd ze kwaad. Dat hij niet eens meer de moeite nam om haar te laten weten hoe het met hem was. Ze heeft een paar keer gebeld, maar daar hij nam niet op. Belde ook niet terug.

Zo zie je maar. Op een bepaalde leeftijd moet je ook geen verkering meer nemen, dan zit je veel te veel aan jezelf vastgeroest. Dan niet, appte ze. Laat maar hoor. Het is uit. 

Blij toe.

De dagen werden er stiller van, maar dat was niet erg. 

De telefoon belt haar wakker. Nou, daar is-ie dan eindelijk, denkt ze. Meneer laat van zich horen. Heeft spijt natuurlijk, wil het misschien weer aanmaken. Maar ze gaat zich niet om laten praten, echt niet. Maar het is hem niet, het is een onbekend nummer. Een onbekende vrouwenstem.

Weer een lach die over alle tuinen schalt. En elke lach vol met viruscellen, dat weet ze gewoon: groene druppels die opwaaien met elk salvo, haar kant op, haar tuin in. De deur is wel dicht, maar misschien kan het door de kieren naar binnen, weet zij veel.

En ze wil niet ziek worden. Als zij het krijgt, wie moet er dan voor haar zorgen? Zou ze hem dan bellen? Zou hij komen? En anders?

Haal je niet zoveel in je hoofd, mens. Ga wat doen. Gewoon rustig doorademen. 

Ging hij zelf altijd extra rustig ademhalen, alsof hij het voor wilde doen. Ze is toch geen kleuter, ze maakt zelf wel uit hoe ze ademhaalt, mag ze alsjeblieft?

Weer dat stomme gelach, ze wordt gewoon gek van die herrie.

Ach, ze houden zo wel op.

Maar het lawaai gaat door tot laat in de avond.


Midden in de nacht wordt ze wakker. Het bange kind, dat ergens in haar in het donker in bed ligt, ook. 

Mama, ik ben bang, het is donker, ik ben alleen. Mama, help.

En mama, dat is zij dan. Zij moet het geruststellen, een verhaaltje bedenken dat goed afloopt. Maar dat heeft ze even niet in huis. 

Het kussen naast haar ligt daar maar.

Zes keer heeft hij hier geslapen. Ze weet alle zes de keren nog. Het was lief en leuk geweest, maar slapen was onmogelijk, naast die bult in haar bed, die zweette en snurkte. 

Nee, het is een goede beslissing geweest, het is goed dat ze hier nu alleen ligt. Is het tenminste stil.

Mama, het is zo stil.

De laatste keer was hij wakker geworden van haar gewoel.

‘Kun je niet slapen? Is het mijn schuld?’

Ja zeggen lukte niet. Nee ook niet.

‘Ach. Misschien een beetje.’

En hij was dichter tegen haar aan gekropen, veel te warm en te plakkerig, maar op het langzame ritme van zijn snurken was ze toch in slaap gevallen. 

Nu blijft ze klaarwakker. 

Mama, blijf bij me, ga nou niet online.

Maar waar moet mama anders heen?

De telefoon belt haar wakker. Nou, daar is-ie dan eindelijk, denkt ze. Meneer laat van zich horen. Heeft spijt natuurlijk, wil het misschien weer aanmaken. Maar ze gaat zich niet om laten praten, echt niet.

Maar het is hem niet, het is een onbekend nummer. Een onbekende vrouwenstem. Zijn dochter. Die ze nog niet had willen ontmoeten omdat ze het nog te vroeg vond voor dat soort dingen.

Ze gaat de nummers af, zegt ze, die haar vader vaak gebeld hebben.

Heus niet zo heel vaak! wil ze meteen opvliegen. Maar iets anders wordt koud en stil. Waarom belt hij zelf niet?

Nou, daarom dus. Omdat ze hem hebben gevonden, half stikkend in bed. Dokter erbij, ambulance, alles.

‘Wat?’ Haar ogen zwiepen meteen door de kamer. Waar heeft hij gezeten? Wat heeft hij aangeraakt? Hoelang geleden? Ze moet alles ontsmetten, meteen, maar het is vast al te laat. En ze schaamt zich dood dat dit haar eerste gedachte is. 

De tweede en de derde en alle andere daarna gaan over hem. 

‘Hoe is het met hem? Hoe ziek is hij? Is hij bij kennis? Mag ik erheen? Kan ik iets doen?’

Maar nee, hij is niet bij bewustzijn, ze weten nog niets verder, en niemand mag bij hem.

Heeft hij naar haar gevraagd? Haar laten bellen?

Ook niet. Ze heeft gewoon de nummers gebeld uit haar vaders telefoon. Zijn ze dan iets van elkaar? Hebben ze wat?

Ja zeggen lukt niet. Nee ook niet.

‘Een beetje,’ zegt ze. ‘Een beginnetje.’ Had hij het nooit over haar gehad?

Nee, dat had hij niet.

Nou, dat weet ze dan ook weer.

Verder is er niks te zeggen. Ze weten nog niks en ze kan niks doen. Hij ligt te ademen door zo’n slang, aan zo’n apparaat. Wil ze op de hoogte gehouden worden?

‘Ja, dat wil ik wel,’ bibbert ze. ‘Bedankt hoor.’

In de tuin zingen vogels. Ze laat de computer dicht en loopt naar buiten. Heel rustig haalt ze adem, alsof hij het kan horen, alsof ze het hem voor wil doen. Alsof het hem zou kunnen helpen.

In, uit. Zo moet dat. 

Haal rustig adem, liefje, haal adem, liefje. Haal adem.

OVER ANNET SCHAAP

Annet Schaap (1965) is schrijver en illustrator. Ze studeerde aan de Kunstacademie in Kampen en aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, en illustreerde ruim tweehonderd kinderboeken, van onder andere Francine Oomen, Jacques Vriens, Mieke van Hooft, Thea Dubelaar en Janneke Schotveld. In 2017 debuteerde Schaap als schrijver met het kinderboek Lampje (Querido). Hiermee won ze de Nienke van Hichtum-prijs, de Woutertje Pieterse Prijs én een Gouden Griffel – alle belangrijke prijzen die ze met Lampje kon winnen, heeft ze gewonnen.